
Hans Ibelings
werd geboren in 1963 in Rotterdam. Studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Werkt bij het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam.
Adres: Curierekade 50,
NL-1013 CH Amsterdam
De afgelopen jaren heeft het werk van architect Herman Hertzberger (Amsterdam 1932) een snelle ontwikkeling doorgemaakt, waarvan het Chassétheater in Breda (1992-1995) voorlopig het hoogtepunt is. Op het eerste gezicht is dit theater waar alle ruimten zijn samengevoegd onder een groot golvend dak ver verwijderd van het werk dat Hertzberger sinds het begin van de jaren zestig tot stand heeft gebracht en waarvan het kantoorgebouw voor Centraal Beheer in Apeldoorn (1968-1972) het beroemdste is. Jarenlang vormde ieder nieuw ontwerp telkens een logische stap ten opzichte van het vorige, waardoor een oeuvre is ontstaan met een grote samenhang. Die coherentie lijkt nu verdwenen, maar dat is slechts schijn. Al heeft Hertzberger het structuralistische idioom waarin de herhaling en schakeling van gelijke vormen leidend beginsel was, achter zich gelaten, ook met zijn aanmerkelijk vrijere vormen en composities bouwt hij nog steeds voort op zijn eerder werk. Bovendien geeft het recente werk van Hertzberger met terugwerkende kracht een andere betekenis aan elementen die de afgelopen jaren hun intrede hebben gedaan in zijn architectuur.
Herman Hertzberger begon in 1958 na zijn studie bouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft direct een eigen bureau. Nog tijdens zijn studie won hij samen met zijn medestudent Tjakko Hazewinkel een prijsvraag voor een studentenhuis in Amsterdam dat tussen 1959 en 1966 is gebouwd. In de tussentijd werd de uitbreiding van een bedrijfsgebouw in Amsterdam (1962-1964) gerealiseerd. Hierin kwam voor het eerst het typische idioom van Hertzberger tot ontwikkeling waarvan de belangrijkste elementen zijn: een zichtbare structuur van kolommen en liggers, de schakeling van configuratieve vormen en het gebruik van beton, betonsteen, glazen bouwstenen en glas als voornaamste materialen. Deze eigen stijl kreeg gestalte in de periode dat Hertzberger deel uitmaakte van de redactie van het tijdschrift Forum, waar

H. Hertzberger, kantoorgebouw Centraal Beheer in Apeldoorn (1968-1972).
Aldo van Eyck en Jaap Bakema op dat moment de leidende figuren waren. Gedurende vier jaar (1959-1963) was Forum spreekbuis en platform voor een groep architecten die een vergelijkbare humane mentaliteit had, een vergelijkbare opvatting over de sociale betekenis van architectuur als essentieel onderdeel van het leven en bovendien een in veel opzichten vergelijkbare ontwerpmethode die bekend is geworden onder de naam structuralisme. Het eerste nummer dat deze redactie uitgaf in 1959 had als titel ‘Het verhaal van een andere gedachte’. Die andere gedachte was een alternatief voor het als star en schraal ervaren functionalisme: een appel aan de verbeeldingskracht van de architect om een omgeving te scheppen waarin ieder individu zich thuis zou kunnen voelen. Deze intenties zijn voor Hertzberger altijd dezelfde gebleven. Alleen de uiterlijke vorm waarin hij daaraan gestalte heeft gegeven is in de loop der tijd getransformeerd, zoals bijvoorbeeld is te zien in de reeks scholen die hij de afgelopen 35 jaar heeft gebouwd. In 1960 begon Hertzberger aan zijn eerste school, de Lagere Montessorischool in Delft, waaraan tot begin jaren tachtig vier uitbreidingen zijn toegevoegd. Deze school bevat de essentie van alle scholen die hij nadien zou bouwen: de rangschikking van de klaslokalen rond een centrale ruimte die de plaats inneemt van de gang in conventionele scholen. Deze centrale ruimte is niet alleen de praktische verbinding tussen de verschillende klaslokalen maar ook het sociale bindmiddel van de school: de ontmoetingsplek voor en na schooltijd en de plaats voor gemeenschappelijke activiteiten, zoals het opvoeren van toneelstukjes. In de Apolloscholen in Amsterdam-Zuid (1980-1983), die twee verdiepingen hoog zijn, heeft de trap in de centrale ruimte voor het eerst de dubbele functie van trap en tribune. Deze trap-tribune is aanwezig in vrijwel al

H. Hertzberger, muziekcentrum Vredenburg in Utrecht (1973-1978).
zijn schoolgebouwen tot in de recente Anne Frankschool in Papendrecht (1992-1994).
Een vergelijkbare dubbele betekenis heeft de verkeersruimte in het tussen 1968 en 1972 gebouwde kantoorgebouw voor de verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer in Apeldoorn, na Van Eycks Weeshuis in Amsterdam (1955-1960) het tweede monument van het structuralisme. De gangen zijn hier niet alleen gedacht als de verbinding tussen A en B maar tevens als de plaats waar werknemers met elkaar kunnen verkeren. De sinds de jaren zeventig gebruikelijke informele verstandhouding op kantoren waar het koffieapparaat in veel gevallen fungeert als moderne dorpspomp, is door Hertzberger geïnstitutionaliseerd. Typerend voor dit informele kantoor zonder representativiteit is de structuralistische repetitie van kubusvormige kantooreilanden waardoor het grote gebouw klein is gemaakt.
Na Centraal Beheer was het volgende grote gebouw dat door de repetitie klein is gemaakt het muziekcentrum Vredenburg in Utrecht (1973-1978).

H. Hertzberger, basisschool Anne Frank in Papendrecht (1992-94).
Het laatste grote gebouw in deze reeks is het kolossale ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid in Den Haag dat tussen 1979 en 1990 is gerealiseerd. Het ministerie is te beschouwen als de afsluiting van een lange periode waarin Hertzberger de structuralistische ontwerpmethode heeft toegepast. In deze fase waren in zijn meeste gebouwen betonnen kolommen de maatgevende elementen, van gevels en interieurs.
In de periode dat het ministerie tot stand kwam, tekende zich in het werk van Hertzberger een verandering af die in de jaren negentig heeft geleid tot een vrijere, meer op de grote vorm gerichte aanpak. Voorbeelden daarvan zijn het theatercomplex in Den Haag (1986-1991), de bibliotheek annex muziekschool in Breda (1991-1993) en het kantoor van het Benelux merkenbureau in Den Haag (1990-1993) en het Chassétheater in Breda.
De vrijheid die Hertzberger zichzelf in zijn recente werk heeft gegeven, is in overeenstemming met een van de voornaamste tendensen in de architectuur van de afgelopen tien jaar. Overal in de westerse wereld onttrekken steeds meer gebouwen zich aan de strikte orde van de rechthoekige geometrie. Wie de internationale architectuurtijdschriften van de laatste jaren openslaat ziet vooral golvende, geplooide vormen, onregelmatige volumes, gerende lijnen, (over-)hellende vlakken en scheve hoeken. De opkomst van de computer in het architectonisch ontwerp heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan deze ontwikkeling. Niet alleen lijkt de verbeelding van veel ontwerpers hierdoor een nieuwe dimensie te hebben gekregen, maar minstens zo belangrijk is dat de grote rekencapaciteit van de computer ingewikkelde constructies mogelijk maakt.
Kenmerkend voor het recente werk van Hertzberger is de dominantie van
het dak. De golvende en geplooide daken uit een stuk op het Chassétheater en de Anne Frankschool kunnen worden opgevat als een voortzetting met andere middelen van het principe dat leidend is voor zijn werk: het streven naar een samenhang. Tot het einde van de jaren tachtig zocht Hertzberger de samenhang in de schering en inslag van de architectuur: repeterende vormen, de schakeling van identieke modulen en de continuïteit van de dragende elementen, de bouworde zoals Hertzberger het zelf noemt. De resultaten hiervan zijn vergelijkbaar met weefsels: ze hebben onmiskenbaar een coherentie maar niet per se een afgezoomde rand. Gebouwen als het kantoor van Centraal Beheer en het Muziekcentrum Vredenburg zouden zich in principe in alle richtingen kunnen voortzetten. Tegenwoordig hebben de werken van Hertzberger een sterkere vorm. Vaak wordt de architectuur tot eenheid gebracht door het dak dat alles overkoepelt. Daarnaast gebruikt Hertzberger echter verschillende andere middelen. Zo is vanaf het einde van de jaren tachtig een opkomst te bespeuren van de heldere afgeronde vorm: de trommel of delen daarvan. De trommel is een motief dat Hertzberger al in de jaren zestig gebruikte, zoals in zijn prijsvraagontwerp voor het Amsterdamse stadhuis (1967) waar de vergaderzalen zijn ondergebracht in trommels, die uit de band springen in de aaneenschakeling van rechthoekige doosvormen. Begin jaren tachtig heeft hij de mogelijkheden van de cirkelvormige plattegrond herontdenkt en sindsdien duiken trommel en cirkelsegment in allerlei hoedanigheden op.
De terugkerende aanwezigheid van de trommel in het oeuvre van Hertzberger is karakteristiek voor de vasthoudendheid waarmeer hij de architectonische mogelijkheden exploreert van een beperkt aantal thema's. Zo'n thema is ook de trap. Het zou interessant zijn om al die uiteenlopende trappen die Hertzberger de afgelopen decennia gemaakt heeft naast elkaar te zetten om te zien hoeveel oplossingen mogelijk zijn voor relatief eenvoudige steek- en spiltrappen. Nergens is beter te zien hoe consistent zijn werk is als in de voortgaande reeks variaties op trappen. Bovendien zou de trap kunnen worden beschouwd als pars pro toto van Hertzbergs architectuur. De trap brengt als verbindend element bij uitstek samenhang. De onveranderlijk excentrische situering ervan tekent zijn afwijzing van hiërarchie. En de vaak meerledige functie van de trap die ook fungeert als tribune, trefpunt of uitkijk, onderstreept zijn voortdurende toewijding aan de architectuur, niet in de eerste plaats vanwege de architectuur zelf, maar als middel om een omgeving te scheppen waarin de mens zich als sociaal wezen kan ontplooien.