Lutgard Mutsaers
werd geboren in 1953 in Tilburg, studeerde muziekwetenschap aan de universiteit van Utrecht, waaraan zij parttime is verbonden als docente popmuziekwetenschap. Ze is daarnaast freelance onderzoekster en publiciste. Op haar naam staan o.a. ‘Pop Utrecht’ (1987), ‘Rockin' Ramona’ (1989), ‘Haring & Hawaii’ (1992), ‘25 jaar Paradiso’ (1993) en ‘Billie Holiday’ (1993).
Adres: Frederikastraat 16, NL-3572 CS Utrecht
‘Hoe kun je nou in een vreemde taal zeggen wat je werkelijk voelt? Osdorp is direct, ze spreken puur vanuit hun hart. Dat kun je alleen in je moedertaal.’
Ozan Olçay, fan van de hip hop crew Osdorp Posse, geciteerd in Boven Mijn Bed, Fancultuur in Nederland van Ans Aerts en Ingrid Janssen (1996), p. 87.
Een van de meest opvallende recente ontwikkelingen in de wereld van de hitmuziek in Nederland is de groeiende belangstelling voor liedjes in de Nederlandse taal (AN, dan wel streekvarianten) bij een nieuw publiek van jonge pop-, rock-, en rapliefhebbers. De hitparade staat er vol mee. Markt- en mediatechnisch worden de sinds 1992 gestaag stijgende cijfers van het nationaal-pop-product toegeschreven aan de onstuitbare opkomst van de commerciële radio- en televisiestations.(1) Op RTL-4 bijvoorbeeld kwam het al lang van de publieke zender verdwenen programma Nederland Muziekland weer terug. Radio Noordzee Nationaal is een belangrijke factor in dit verhaal. De mogelijkheden voor nationale artiesten zijn door de veranderingen in het medialandschap verruimd. Platenmaatschappijen hebben het accent verlegd van blind inhaken op wat vanuit het buitenland wordt aangeboden en reeds succesvol is, naar het investeren in eigen kweek.(2)
De recente groei is voor een belangrijk deel te danken aan het ‘Paul de Leeuw-effect’, gezien het grote succes van diens televisieshows van enkele jaren geleden, waarin altijd veel gezongen werd, en zijn nummer-één hit Vlieg Met Me Mee Naar De Regenboog (1992). Tegenwoordig is het gebruik van de eigentaal in allerlei popgenres, mainstream en underground (d.w.z.: niet-populair), iets volkomen vanzelfsprekends onder zelfbewuste muzikanten die hun publiek

Paul de Leeuw - Foto Clemens Rikken.
iets te vertellen hebben. Een lange traditie van kritische kleinkunst en hartstochtelijk levenslied is daarbij niet uit te vlakken. Toch was de voornaamste muzikale factor de uit de Verenigde Staten en Engeland geadopteerde popmuziek, waarvan de sound en de uitstraling (stijl) de bindende factoren werden van de naoorlogse generaties. Deze muziekwereld bood in een bepaald tijdsgewricht de ideale mogelijkheden om te experimenteren met de eigen taal. In de punk-periode was het een must te staan voor wat je zingt en onverschrokken te zijn. Het Engels werd door de voorhoede als vlucht beschouwd. Op die voedingsbodem werd Doe Maar groot. Deze viermansgroep veroorzaakte de meest besproken en allergrootste poprage die Nederland ooit gekend heeft. Hun beslissing uit elkaar te gaan (1984) was de grootste klap die de Nederlandse muziekindustrie ooit te verwerken kreeg. Met het verscheiden van Doe Maar stortte de eigentaalbeweging in en wat overbleef, ging ondergronds of de schouwburg in.
Het Vlaamse Clouseau (Daar Gaat Ze, 1990) moest eraan te pas komen om het ondefinieerbare gevoel van opwinding rond liedjes in de eigen taal weer terug te brengen; een nieuwe publieks generatie stond klaar om dit fenomeen te dragen. Vanaf dat moment ging het gestaag bergopwaarts, met de leiderstrui vanaf 1994 stevig om de schouders van de huidige superster Marco Borsato (De Meeste Dromen Zijn Bedrog en De Waarheid). Hij begon zijn loopbaan met meeslepende Italiaanse melodieën, ging in het Nederlands in die muzikale lijn door en is nu in zijn genre de top. Hij nam het publiek voor het meer ‘volkse’ Nederlandstalige repertoire op sleeptouw en bevrijdde het daarmee en passant van het

De eerste CD van Clouseau ‘Hoezo’, in 1989, met o.a. de hit ‘Anne’ Foto Filip Wouters.
oubollige imago dat lang aan die muziek had gekleefd. Het contrast van Borsato's muziek met die van de Osdorp Posse kan niet groter zijn, en toch delen ze in veel gevallen elkaars publiek onder de schoolgaande jongeren.
De Osdorp Posse is de ruigste hip hop act van boven de rivieren en ver daaronder en kan bogen op underground status ondanks de ruime aandacht die de media aan het fenomeen schenken. In termen van hitparadesucces ruimschoots voorbijgestreefd door de rapper Extince (Spraakwater; Kaal Of Kammen) bleef de Osdorp Posse niet voor honderd procent ‘koel’. Def P., de voorman bij Osdorp, liet geen gelegenheid voorbij gaan Extince te ‘dissen’ (neer te halen). Door hitnotering te veroordelen als een subcultureel misdrijf houdt de Osdorp Posse, bekerwinnaar van de Pop Prijs 1995, het vaandel van de onkreukbaarheid hoog. Als rolmodellen zijn ze belangrijker geworden dan de ‘echte’ zwarte rappers die via de plaat en MTV hun zegje doen. Een andere vorm van hip hop, de zachtere jazzdance variant, was in 1996 het aanstekelijke lenteliedje voor verliefden: Passie van de Brothers of Showbizz. Ze verkochten de cd-single met de hitversie én een grotendeels instrumentale versie, om iedereen in de gelegenheid te stellen zijn of haar eigen rapteksten te maken. Rappen in de eigen taal is, net als rocken in de eigen taal, een ware beweging geworden.
Het gebruik van de eigen taal in de Nederlandse popmuziek van na de rock-'n-roll-revolte had voor het eerst op grote schaal succes toen het frisogende zangkwartet de Fouryo's in 1958 de ‘vertaling’ van Bye Bye Love van The Everly Brothers aan de man bracht. Onder de titel Vaarwel Tederheid zetten

Marco Borsato.
zij de toon voor de aanpak van het nieuwe Amerikaanse cultuurgoed: ze verwijderden de angel uit de eventueel te zware, agressieve of erotisch-geladen teksten. ‘I feel I'm gonna die’ werd ‘Ik voel me moe en lo-oom’. Ook hun langdurige nummer-één hit Dans Nog Eenmaal Met Mij (1961) stond inhoudelijk los van het erotische origineel, Save The Last Dance For Me van The Drifters. De Fouryo's herleven in het theaterseizoen 1996-1997 in een reïncarnatie van Annie & De Formica's.(3) Deze ‘muziek uit de tijd van suikerspin-kapsels, vetkuiven, buikschuivers en slobbertruien’ (uit het persbericht) lijkt goed aan te sluiten bij de al weer ‘uit’-verklaarde easy tune rage, de herontdekking van ‘foute’ muziek van de jaren zestig en zeventig.
De migrantenjongeren uit het teloor gegane Indië die in de jaren vijftig de rock-'n-roll in Nederland hadden geïntroduceerd, prefereerden het Engels om zo dicht mogelijk bij het origineel van hun Amerikaanse voorbeelden te blijven. Ze voelden geen affiniteit met de Nederlandse populaire liedcultuur van die dagen.(4) Zwerver Op Zee (1961) van Oscar Rameus (op de wijs van Travelin' Man van Ricky Nelson) doorbrak het gebruik van het Engels in Indische kringen. De Blue Diamonds (Ramona, 1960) zongen principieel niet in het Nederlands, evenals de rockgroepen, die explosief in aantal toenamen toen de merseybeat een nieuwe injectie gaf aan de tanende rock-'n-roll. Het schlager- en chansonachtige hitrepertoire ging gewoon door in de eigen taal, zoals dat al sinds jaar en dag gewoonte was. Af en toe zat er een juweeltje bij, of zelfs een oeuvre van constante kwaliteit, zoals dat van Boudewijn de Groot. De internationale en de daarop steeds uitdrukkelijker geënte nationale popmuziekwereld creëerde vanaf de tweede helft van de jaren zestig een eredivisie en daarin circuleerde lange tijd geen Nederlandstalige pop.

Het gebruik van de Nederlandse taal in de context van de popmuziek is een manier van actief omgaan met buitenlands cultuurgoed. Onderzoekers naar deze vorm van acculturatie hebben echter tot nu toe weinig aandacht besteed aan de soundaspecten van het totaalproduct-popmuziek, waarin de inhoudelijke betekenis van de woorden ondergeschikt is aan de manier waarop ze gezongen worden. Toch schreeuwt dit onderwerp al vanaf de eerste ‘eigen’ rock-'n-roll superhit Kom Van Dat Dak Af (1960) van Peter & zijn Rockets om een dergelijke benadering. Het nummer was grotendeels onverstaanbaar, had een perfect meezingrefrein en spatte van de groeven af. Koelewijn vond intuïtief de aansluiting bij de rock-'n-rollmanier van zingen zonder de directe lijn naar zijn in dat opzicht nog onopgevoede publiek te missen. Het hoorbaar maken van het rock-'n-rollgevoel in zijn historische ontwikkeling (rockgevoel, punkgevoel, hip hop gevoel etcetera) in de eigen taal, is een kunst op zich. Het publiek schat dit intuïtief op zijn waarde. Daarvoor hoeft de muziek zelfs niet eens rock-'n-roll te zijn. Van de Nederlandstalige liedjes in de merseybeattijd kan men zich misschien nog wel Ben Ik Te Min van Armand en Ik Heb Geen Zin Om Op Te Staan van Het herinneren. De volstrekte eigenheid van het geluid van de zangers van die liedjes was een wezenlijk bestanddeel van de kracht ervan. Het rockpubliek vond het prachtig. Deze benadering is niet aan te leren: je hebt het of je hebt het niet.
Deden muzikanten en tekstschrijvers in de jaren zestig geïsoleerde pogingen om op een eigen manier en in de eigen taal greep te krijgen op de nieuwe

Robert Long als presentator van het TV-programma ‘Tien voor taal’ Foto BRTN.
muziek, in de jaren zeventig kwam er lijn en structuur in. Het jaar 1974 was een sleuteljaar in dat proces. Ivan Heylen, afkomstig uit het Antwerpse folk- en klein-kunstcircuit, had in 1974 een nummer-één hit in Nederland met De Wilde Boerendochter, binnen een maand gevolgd door De Tamme Boerenzoon van André van Duin die het tot nummer-twee schopte. Er ontstond wat de Engelsen ‘momentum’ noemen, een intense sfeer van nieuwsgierigheid naar wat er zou volgen. Heylen maakte in datzelfde jaar De Werkmens, dat door de Antwerpse havenstakers gebruikt werd als strijdlied. Van Heylen zelf is de rake karakterisering van De Werkmens als ‘een soort hoorbare vlag’. Hij erkende de kracht van de rock-manier van zingen en zei in 1982 in een interview: ‘Ik hoorde groepen als The Stones en Creedence en dacht, dat schreeuwen kan ik ook. Dus ik begon grr wrouw, en nu schreeuwt iedereen zijn darmen uit zijn keel.’(5)
De Eindhovense rockgroep Bots begon in 1974 als muzikale exponent van de indertijd in opkomst zijnde ‘strijdcultuur’ en koos vanzelfsprekend voor het Nederlands. Zij schopten vol overtuiging tegen kerk en kapitaal, waren ‘krities’ (toenmalige spelling) en hadden de begrippen socialisme en solidariteit hoog in het vaandel. In een vraaggesprek in 1976 zei Botslid Sjors van de Molengraft: ‘Ik probeer er in elk geval iets aan te doen. Mijn middel is saxofoon. 't Is niet veel, maar ik doe tenminste iets.’(6)

De rol van Freek de Jonge en Bram Vermeulen als Neerlands Hoop was eveneens een belangrijke factor: zij maakten in 1974 de stevige popplaat Neerlands Hoop Express. En de populaire ex-popzanger Robert Long (Unit Gloria; Engelstalig repertoire) maakte een sterk nieuw begin in de eigen taal met de LP Vroeger Of Later. In datzelfde jaar werd de Nederlandstalige rockgroep Stampei, voorloper van De Dijk (1981-heden) opgericht. De folkrockgroep Fungus scoorde een hit met de traditional Kaapren Varen, gevolgd door een geheel Nederlandstalige LP Lief Ende Leid (1975). Een jaar later was de tijd rijp voor de verzamelplaat van Nederlandse artiesten Zing In Je Moerstaal (1976), hoewel dit pretentieuze poëzieproject voornamelijk kan worden beschouwd als ‘tegenaanval’ op de rock. Terug Naar De Kust (1976) van Maggie MacNeal werd een klassieker, maar bleef de Nederlandstalige uitzondering in haar hitrepertoire. Momenteel is ‘Terug Naar De Kust’ de titel van een Veronica-televisieprogramma over en met muziek dat wordt uitgezonden vanuit het Utrechtse rockcafé Stairway To Heaven van een van de kampioenen van de Nederlandstalige popsong, Henk Westbroek van Het Goede Doel. Wij hadden in Utrecht namelijk al een café België en een café De Vriendschap!(7)
Toen Bots in 1978 met de ‘Bots Rood Show’ een muzikaal indrukwekkend slotakkoord van het tot prekerigheid vervallen Botsianisme neerzette, stond de nieuwe generatie bands al in de startblokken. Geheel los van de trends had de Achterhoekse groep Normaal het startschot gegeven met Oerend Hard (1977), hetgeen Raymond van het Groenewoud (die geen intro-
ductie behoeft) aan het denken zette: ‘Ik was gepakt door Oerend Hard. En ik had er de pest-in-dat-die sound er al helemaal was. Ik zat toen nog in het stadium dat ik het niet voor elkaar kreeg om zo'n klank aan mijn liedjes te geven, dat ik er zelf van kon genieten. Wij zaten in een omgeving waarin je dat er niet door kreeg bij de technicus. Die zei: je hoeft mij niet te vertellen hoe ik op moet nemen, want ik ben er al veertig jaar mee bezig. Terwijl dát juist de reden is dat hij het niet kan. Hahaha.’(8)
In het zalencircuit had het Amsterdamse Paradiso op 22 december 1978 het voortouw genomen met een Nederlandstalig Rockfestival met Raymond van het Groenewoud als hoofdact. Deze brak in 1980 in Nederland door met Je Veux De L'Amour en stond dat jaar op het Pinkpopfestival, het hoogst bereikbare voor iedere popmuzikant, ongeacht taal of genre.
Eind jaren zeventig hadden punk- en new-wavemuzikanten de compacte popsong teruggebracht en ingevuld met kritische, cynische of anderszins pakkende teksten. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa werd het gebruik van de eigen taal een ‘beweging’ van de muzikale voorhoede. In Duitsland bijvoorbeeld leverde het de Neue Deutsche Welle op. In België kwamen uit de eerste Rock Rally (1978) De Kreuners (vertaling van crooners) voort als winnaars in een veld van honderd, meest beginnende bands. Deze groep verkocht van de eerste langspeler geheel onverwacht 25.000 exemplaren (het hoogste verkoopcijfer tot dan ooit gehaald door een Belgische groep) en werd in de Lage Landen het visitekaartje van de nieuwe beweging van ‘rock in de eigen taal’ onder het motto ‘Rechtdoor de pure emotie in!’. Walter Grootaers, zanger en tekstschrijver van de groep, zei in 1982: ‘Wij willen rocken, geen chansons of kleinkunst maken, zeker geen Boudewijn de Groot.’(9) Die boodschap was inmiddels al luid en duidelijk overgekomen. In 1979 maakten de Kreuners samen met de eveneens in de eigen taal zingende Antwerpse groep De Kommeniste de spraakmakende tournee ‘Expo '79’, tijdens welke ze samen iedere keer zes uur volspeelden. Dat was iets waarover tot ver over de grens gesproken werd.
Er werd volop geëxperimenteerd, getuige de verzamelplaat Uitholling Overdwars die in 1979 op noncommerciële basis door de piepjonge en toen nog voornamelijk idealistische Stichting Popmuziek Nederland was uitgebracht om een indruk te geven van wat er groeide en broeide. Op die plaat staat het prototype van Doe Maar, zonder Henny Vrienten. Het Utrechtse Braak dwong met hun Suite Voor Een Hypochonder (1980) veel respect af, evenals de groep De Div met de EP Stap Voor Stap (1981). De mainstreamfase van de eigentaalbeweging begon met een onvervalste smartlap op nummer één van de hitparade: Je Loog Tegen Mij (1981) van Drukwerk. Doe Maar

Henny Vrienten van Doe Maar.
bereikte de absolute top in een sterk bezet veld, met Toontje Lager, Frank Boeijen en Het Goede Doel als voornaamste secondanten. Tot op heden onovertroffen is de uitdrukkingskracht van de tekstschrijvers van Doe Maar, waarbij eenvoud, integriteit en directheid de toverwoorden waren.
Het bijzondere van de huidige eigen-taalbeweging zit in het feit dat niet alleen de mainstream op deze lijn zit, maar ook de underground in een veelheid van genres de Nederlandse taal heeft omarmd. Het getuigt niet langer meer van tegendraadsheid (want Engelstalig blijft de norm), maar vooral van volwassenheid als men het Nederlands, of, nog een stapje verder, de streektaal kiest.
In deze tijd waarin ‘easy tune’ en ‘lullo’ (naar de Jiskefet-creatie van drie corpsstudenten die aan de ergste vooroordelen beantwoorden) de toon aangeven, scoren studentikoze types als Peter de Koning en Guus Meeuwis met nationale meezingliederen als Het Is Altijd Lente In De Ogen Van De Tand-artsassistente en Het Is Een Nacht. Dwars door alle trends en ups en downs heen blijven al tamelijk belegen, maar nog altijd enthousiast hardwerkende rockgroepen als De Dijk, The Scene en Tröckener Kecks volle zalen trekken. In Godsnaam De Romantiek (1996) van The Scene (opgericht in 1979) moet de definitieve doorbraak worden van deze bijzondere groep rond zanger Thé Lau, die ooit als gitarist aan Neerlands Hoop Express verbonden was.
Ileen Montijn stelde onlangs in haar artikel ‘Volkskunde wetenschappelijk gerehabiliteerd’ dat een sterk nationaal bewustzijn niet langer taboe is, mede gezien de enorme respons op de gezongen STERreclame-tekst ‘Vijftien miljoen mensen’, waarna de tune werd uitgebouwd tot een heel liedje en een hit werd. In dat licht bezien, kan ook de opkomst van de streektalen in de popmuziek een reactie lijken op de Euro-nivellering. Bennie Jolink van Normaal zei daarover: ‘Niet elke actie hoeft ergens tegen gericht te zijn. Ik ben in het Achterhoeks gaan schrijven omdat het de taal was waarin ik dacht.’(10)
‘Hoe belangrijk is het dat je meent wat je zingt of rapt?’, vroeg het muziekblad Oor aan Marco Roelofs, zanger van De Heideroosjes, die met Klapvee (1996) een opvallende bijdrage leveren aan de NL-hits. Roelofs: ‘Essentieel. Op een moment dat je een statement maakt, moet dat ook gemeend zijn. Maar wij willen niet drammerig zijn. Punk is zo gauw drammerig. Het moet subtieler. Ik heb vaak een beetje moeite als ik het in het Engels probeer. Dan lukt het toch niet helemaal. Een bepaald deel van de boodschap of gevoel gaat verloren, doordat het je eigen taal niet is.’(11)
Def P. van de Osdorp Posse doet in deze discussie een onverwachte duit in het zakje, hoewel, onverwacht, men verwacht van deze rap-goeroe en taalvernieuwer (‘Wat de neuk!’, ‘Godvoordomme’) een verrassende kijk op de dingen. Gevraagd naar het effect van zijn marihuanagebruik op zijn woordenvloed op het podium, zegt hij: ‘[...] als ik daardoor mijn teksten kwijt ben, dan vind ik dat juist prachtig. Dan ga ik helemaal freestylen. Als ik stoned ben, dan bestaan vaste teksten niet meer voor mij. Dan kan iedereen roepen waarover het gaan moet en dan gaat het daar ook over. Maakt me geen fuck uit. Dan heb ik schijt aan mijn eigen teksten. Ik vergeet ze gewoon ter plekke.’(12)
Raymond van het Groenewoud, wiens breekbare Brussels By Night een van de hoogtepunten van de Nederlandstalige muziek ‘tout court’ genoemd mag worden, heeft het laatste woord: ‘Meestal heb je iets meer nodig dan woorden om iets geloofwaardig te brengen. De beroemde test met Ik Hou Van Jou. Zet er honderd mensen aan, dan zie je direct wel wie er een wending aan kan geven dat je zegt: goh, die is echt verliefd.’(13)
| aerts, ans, en janssen, ingrid (1996) Boven Mijn Bed, Fancultuur in Nederland (Amsterdam: Jan Mets); hoofdstuk 4: ‘Aangesproken in de eigen taal’, pp. 79-91. |
| berg, erik van den, & roy mantel, pieter van adrichem (1994) Klare Taal, vijftien jaar Nederlandstalige rock (Groningen: Passage). |
| brands, j. (1995) Een splinter van de ziel - Rowwen Hèze en het grote dorpsverlangen (Nijmegen: SUN) |
| engelshoven, tom & van luijn, john (1995) ‘Osdorp Posse Rules’ in: Oor 19, 23 september 1995, pp. 26-33. |
| engelshoven, tom & van luijn, john (1996) ‘Heideroosjes en Osdorp Posse’ in: Oor 3, 10 februari 1996, pp. 18-23. |
| grijp, louis peter (1995) ‘Is zingen in dialect Normaal? Muziek, taal en regionale identiteit’ in: Grijp, L.P. (red) Zingen in een kleine taal, de positie van het Nederlands in de muziek (Volkskundig Bulletin 21, 2, oktober 1995), pp. 308-321. |
| heuvel, hans van den (1996) ‘Blues Brothers Raymond van her Groenewoud en Bennie Jolink’ in: Oor 7, 6 april, pp. 26-31. |
| kamer, gijsbert (1996) ‘Van Dick Hout en de boom vol liederen’, in de Volkskrant, 6 januari. |
| kamp, bert van de (1996) ‘Paul de Leeuw’ in: Oor 9, 4 mei, pp. 60-64. |
| libbenga, jan (1996) ‘Studentenhaver’ in: Oor 2, 27 januari 1996, pp 36-38. |
| lubbe, huub van der (1996) Melkboer met de blues, songteksten van De Dijk (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar). |
| maas, cornald (1996) ‘Ik kaats de bal niet terug’ in: de Volkskrant, 21 juni 1996, p. 20. (over Marco Borsato). |
| mahieu, gert (1982) ‘Doe de Kreun’ in: Oor 24, 1 december, p. 13. |
| meijers, constant (1976) ‘We Botsen door naar school en kantoor’ in: Oor 13, 30 juni, p. 3. |
| moerbeek, toine (1991) ‘Poëzie of niet’ in: Tirade, 35, 336 (sept/okt), pp. 443-460. |
| montijn, ileen (1996) ‘Volkskunde wetenschappelijk gerehabiliteerd’ in: NRC Handelsblad, 1 juni, p. 3. |
| oostendorp, marc van (1996) Tongval. Hoe klinken Nederlanders? (Amsterdam: Prometheus) - daarin wordt verwezen naar de Tilburgse tongval van Doe Maar-lid Henny Vrienten, die door zijn toedoen tot het nationale taalbewustzijn doordrong. |
| oxsener, patrick (1996) ‘Thé Lau: “Nederlandstalige bands denken vaak: zo, de tekst is klaar, dus het liedje ook.”’ in: Oor 8, 20 april, pp 54-57. |
| palombit, roberto (1982) ‘Ivan Heylen: omhoog die kont!’ in: Oor 13, 30 juni. |
| rutten, p., & oud, g.j. (1991) Nederlandse Popmuziek op de binnen- en buitenlandse markt (Rapport i.o.v. ministerie van WVC, Rijswijk). |
| rutten, paul (1995) ‘Nederlandstalige popmuziek, een synthese van eigen en mondiale cultuur’ in: grijp, l.p. (red) Zingen in een kleine taal, de positie van het Nederlands in de muziek (Volkskundig Bulletin 21, 2, oktober 1995), pp. 277-298. |
| ven, jos van de, & zegstroo, pita (1983) Doe Maar Boek voor de Fens (Van Holkema & Warendorf). |
| vollaard, jan (1996) ‘Rapper Extince: levende bewijs dat de jeugd deugt’ in NRC Handelsblad, 6 januari. |
| walraven, hans & mooren, annette van der (1994) Een lied van verlangen [biografie Frank Boeijen] (Amsterdam: De Boekerij). |