Het is in sommige kringen al enige tijd gebruikelijk om de poëzie van Gerrit Kouwenaar af te doen als de exponent van ‘hermetische’ poëzie. Men bestempelt daarmee de dichter als de voorganger van ‘een school’ en gaat voorbij aan wat een ieder met poëzie van Kouwenaar zou moeten doen: lezen!
Omstreeks de tijd dat Kouwenaars nieuwe bundel, de tijd staat open, verscheen, gebruikte Redbad Fokkema, niet vies van ‘een sweeping statement’ als het gaat om het typeren van een dichterlijk oeuvre, diens poëzie maar weer eens om ‘de modernistische traditie’ te karakteriseren. Dat gaat er dan zo aan toe: ‘...op taal gerichte poëzie in de lijn van Gerrit Kouwenaar [...] intellectueel, hermetisch [...] het exclusieve taalautonome karakter met voorbijzien van (sic, R.E.) de werkelijkheid van alledag’. Deze statements zijn zó ‘sweeping’ dat Fokkema het niet nodig acht er ook maar één regel van Kouwenaar bij te citeren. Hij gaat daarmee breeduit voor diens gedichten staan. Verkeersagent Fokkema regelt het verkeer: met zwaaiende armen stuurt hij ons van Kouwenaars gedichten weg, alsof ze een doodlopende straat zijn.
De gedichten van Kouwenaar, en zeker die in de tijd staat open, zien niet voorbij aan ‘de werkelijkheid van alledag’. De elementen daaruit die aanleiding voor een gedicht gaven, zijn gemakkelijk te vinden: een gesprek tussen twee vrienden in Rotterdam (‘terwijl de stad als een bom lag te dromen’), een memorabel moment met vrienden op een berg (‘hoe wij daar zaten bevroren in hitte / één blauwe seconde, ontvreemd voor een later’), een maaltijd, het huis, de verwarring na een moment van schrik, de dood van Lucebert, de dodenherdenking, de dood van een vlier, ‘moment-opnames’ van de seizoenen’.
En ‘intellectueel’? Natuurlijk is het altijd handig dat iemand enig referentiekader bezit als hij een gedicht gaat lezen, maar ik vraag me af of een lezer op gezag van Fokkema een gedicht van Kouwenaar ook per se als een ‘exclusief taalautonoom’ cryptogram moet gaan zitten lezen. Neem een gedicht als dit:

Gerrit Kouwenaar (º1923) - Foto Willy Dee.
Natuurlijk zal ik niet ontkennen dat een lezer zich in en door het gedicht bewust gemaakt wordt van het feit dat hij op het moment dat hij het gedicht leest, (‘slechts’) het gedicht leest en niet het schrikmoment zelf meemaakt. Die kant van Kouwenaars poëzie wens ik helemaal niet te ontkennen, maar ik hecht er wel aan er nog maar eens op te wijzen dat zo'n gedicht over zo'n moment in Kouwenaars geval niet alleen een beschrijving van een gebeurtenis is, maar dat het gedicht zelfs de verbeelding van dat moment te boven gaat en als het ware gedurende de tijd dat ik het lees even die ervaring wordt. Hier wordt dat bereikt doordat het gedicht een hoog stamel- en van-de-hak-op-de-tak-gehalte heeft, de lezer maakt daardoor tijdens het lezen van het gedicht de verwarring even mee, ondervindt haar. Ergens in deze bundel noemt Kouwenaar dat ‘iets om even te schrikken’. Let op! Niet: ‘iets om even van te schrikken’. ‘Alleen’ door het weglaten van het voorzetsel komt de schrik dichterbij, en dat heeft weliswaar een talige oorzaak, maar een voor de lezer zeer lijfelijk voelbaar gevolg.
Het is paradoxale poëzie: enerzijds schrijft Kouwenaar: ‘nu het gedicht zich behelst’ - een waarheid als een koe: het gedicht behelst niet de werkelijkheid; anderzijds schrijft hij: ‘hoe letters verzinnen de zomer des lezers’. Dat die letters dat kunnen komt, denk ik, doordat Kouwenaar zich bewust is van het dodelijke van het woord, dat niet alleen vereeuwigt, maar ook onttrekt aan de werkelijkheid. Realiteit die in taal gevat wordt, is geen realiteit meer. In zijn woorden: ‘waar men ook kijkt kijkt het oog / door een keel die keelt bij het leven’. Kouwenaars antwoord hierop is een enorm geconcentreerde verdichting, er gebeurt erg veel in weinig woorden. Wanneer er staat: ‘in de regel huiswaarts begint het te misten’, betekent ‘in de regel’: gewoonlijk èn op die plek in het gedicht. De synesthesie ‘hoort het donker onder de stenen’, maakt het dreigende donker (metaforisch te lezen als de dood!?) des te dreigender. Een goddelijk moment wordt niet zo genoemd, maar krijgt deze zin mee: ‘goden zouden willen bestaan’. Een volgehouden gebiedende wijs (‘men moet nog’) roept een prachtige mengeling op van wanhoop over het verglijden van de tijd met vitaliteit om die te keer te gaan.
Het paradoxale karakter van Kouwenaars poëzie is dat ze juist door haar taligheid de ervaring van het moment des te heviger laat terugkomen, niet als beschrijving ervan, maar bijna voelbaar als de ervaring zelf. Je moet als dichter veel macht over de woorden hebben om ze die kracht te kunnen geven.
Ron Elshout
| gerrit kouwenaar, de tijd staat open..., Querido, Amsterdam, 1996, 48 p. |