In zijn derde dagboek De vrek van Missenburg (1995) richt Leonard Nolens zich niet zonder passie tot zijn gedroomde lezer en taalgenoot. Zijn boodschap is heftig: ‘Of ik dat wil of niet, ik moet altijd aanwezig zijn, altijd hier, altijd bij u, omdat mijn binnenste gemaakt is van uw buitenkant; omdat uw vraag vandaag er altijd is, altijd. Ik moet van u zijn. Ik kan mij nooit en nergens voor u verbergen’. De verhouding tussen dichter en lezer heeft hier een welhaast mystiek karakter. Daarbij is Nolens niet zozeer de minnaar van zijn lezer, zoals Vroman zich kan voordoen in zijn poëzie; hij is eerder een onzachte heelmeester en goeroe, getuige zinnen als ‘Maar hoe zit het dan met die gezonde dosis anarchie waarzonder kunst, waarzonder het gedicht niet kan bestaan? Verwacht u niet dat ik van mij een naald maak? Dat ik mijn woorden scherp genoeg slijp om iets aan en open te steken in u? Dat wil ik doen. Dat zal ik doen. Maar het moet een goede wonde zijn, die daar ontstaat waar ik u prik...’
Is wie Nolens' dagboeken leest, ontvankelijker voor zijn poëzie dan wie dat niet doet? Dat is op zijn minst waarschijnlijk. Er is bij mijn weten niemand in onze moderne dichtkunst die zo openlijk en indringend rekenschap aflegt over zijn dichterschap, over zijn positie als levensgezel en vader, over zijn twijfel aan eigen integriteit in de publieke sfeer, over zijn moeizame betrekkingen met het geluk, alle voorspoed ten spijt. Dat alles schept een band. ‘Le bonheur se raconte mal’, citeert hij in zijn dagboek en ‘Les gens heureux n'ont pas d'histoire’. Zodat het zeker de dagboeklezers niet zal verbazen dat Nolens' jongste bundel En verdwijn met mate aan het geluk maar af en toe stem weet te geven.
Het gaat om een merkwaardige bundel in Nolens' imposante oeuvre, al was het alleen maar omdat de vier afdelingen ‘Kinderen’, ‘Zelfportretten en dagboekgedichten’, ‘Bres’ en ‘Alice’ onderling zo radicaal verschillen qua intentie, strekking en toon. In ‘Zelfportretten en dagboekgedichten’ is vermakelijke poëzie te vinden. ‘De muze schrijft haar vriendin’ moet een dankbaar voorleesgedicht zijn. Hilarisch klinkt de klacht van een vrouw die is verkleumd, omdat haar dronkelap-dichter zijn bloedeigen huissleutel niet kon vinden. Even aanstekelijk is de acute aanval van begeerte, beschreven in

Aan deze vitale verzen gaat een grimmige reeks van tien gedichten vooraf: ‘Zelfportret van Hugo Claus 65’. Het is een verjaarscadeau dat er niet om liegt. In een venijnige pastiche wordt Claus sprekend ingevoerd en hij zegt dan bepaald griezelige dingen over zijn eigen werk:
of
Misschien heeft Nolens in Nederland nooit de emotionerende uitvoeringen gezien van het meesterlijk vertaalde Onder het Melkwoud - een legendarische voorstelling -, Een bruid in de morgen, Het leven en de werken van Leopold II, destijds een verboden stuk in België. Wie dat geluk wèl had, ondergaat dan ook bevreemd de behoefte Claus te portretteren als de meester van onechtheid, schijn en vrijblijvendheid.
Al even opvallend is de reeks ‘Bres’. De zes gedichten horen niet tot de meest geconcentreerde poëzie van Nolens. Het zijn breed uitgesponnen, filmisch aandoende taferelen van een raadselachtige tocht. Mensen, doden of zielen zijn op de vlucht, bewegen zich in een onherbergzaam rivierlandschap om te belanden in een spookachtige stad die aan een verloederd Babel doet denken. Een apocalyptische stemming beheerst deze danteske visioenen, die een metafoor kunnen zijn voor eeuwige en actuele chaos, voor universele doem. Het is of televisie-journalen, middeleeuwse schilderkunst en hellevaarten in deze beangstigende poëzie zijn versmolten.
Daartegenover licht een Vuillard-achtige zachtzinnigheid op in het laatste deel van de bundel, met gedichten als ‘Nieuwjaarsbrief’ en ‘Alice’.
In de afdeling ‘Kinderen’, veertien verzen waarmee En verdwijn met mate opent, sluit Nolens aan bij de familiale poëzie waarmee ook zijn vorige bundel Honing en as inzette. Hij blijft daarin uiteraard dichter bij huis dan in zijn surreële panorama's en is dan wèl zo trefzeker.
En verdwijn met mate is het veelstemmige boek van een tedere gramstorige en visionaire
dichter, die in zijn dagboek noteert: ‘De jongste tijd stel ik mij zo kwetsbaar op tegenover mijn eigen versregels en gedachten, dat ik soms bang ben totaal overrompeld te worden door de droomachtige realiteit die op mij afkomt. Dat is een gevaarlijke wijze van werken, en dus van leven.’ De overrompelde lezer wil dat zonder meer aannemen.
Ed Leeflang
| leonard nolens, En verdwijn met mate, Querido, Amsterdam, 1996, 63 p. |