terug  begin  verderprepost

De moeizame genese van een trilogie.
Aanzet tot een ‘compositiepoëtica’ van K. van de Woestijne

In de prestigieuze reeks ‘Monumenta Literaria Neerlandica’ met historisch-kritische edities van gecanoniseerd Nederlandstalig werk (onder meer poëzie van Bloem, Leopold, Nijhoff, proza van Nescio en Multatuli), die door de afdeling Neerlandica van het Constantijn Huygens Instituut der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Den Haag wordt uitgegeven, verscheen deel VIII met de tekstgenetische studie van Karel van de Woestijnes Wiekslag om de kim (bestaande uit De modderen man, God aan zee en Het berg-meer). Voor het eerst wordt in het editiewetenschappelijk onderzoek in ons taalgebied aandacht besteed aan de Vlaamse literatuur. In tegenstelling tot de wegbereidende edities van Bloem, Leopold en Nijhoff is dit bovendien een deeluitgave waarin uitsluitend de tekstgeschiedenis van een, weliswaar drieledig, dichtwerk wordt beschreven. Overigens gebeurt dit nogal expliciet, aangezien tekstbezorger Leo Jansen er herhaaldelijk op wijst dat verstechnische verschuivingen en componenten in Van de Woestijnes ‘compositiepoëtica’, die hij in de periode 1911-1928 bestudeerde, niet in een breder verband worden geplaatst. Jansen benadrukt, mijns inziens terecht, dat het eigenlijke poëtica-onderzoek ‘in een ander en breder verband’ moet worden gevoerd.

[p. 116]

De historisch-kritische deeleditie omvat twee luiken: een tekstendeel, waarin een ‘Appendix’ met gedichten die uiteindelijk niet in Wiekslag om de kim zijn opgenomen maar dus wel deel uitmaken van de ontwikkelingsgang van de bundel, en een commentaargedeelte met variantenapparaat.

In de Inleiding licht de onderzoeker toe waarom het dichterlijk oeuvre van Van de Woestijne in aanmerking komt voor een dergelijk uitvoerig tekstkritisch onderzoek. Naast de literair-historische betekenis van het poëtische werk en het belang van de trilogie in de artistieke ontwikkeling van Van de Woestijne refereert hij aan de onbeschikbaarheid van een kritische leestekst - niet enkel van Wiekslag om de kim trouwens - en vooral aan de omvang van het tekstgenetisch materiaal. Doelstelling van zijn wetenschappelijk onderzoek is Van de Woestijnes werkwijze (of ‘componeertechniek’) en poëzie te bestuderen met behulp van kennis van het ontstaansproces van de afzonderlijke gedichten en van de wijze waarop ze geordend zijn tot een ‘betekenisdragende compositie’.

Wiekslag om de kim is nooit als eenheid verschenen tijdens het leven van de schrijver. Pas in 1942 bezorgde Manteau, met Van de Woestijnes zwager Maurice Roelants als exécuteur testamentaire, de integrale uitgave zoals die door Van de Woestijne was bedacht. Het jaar daarop gaf Stols het boek in één band uit. De drie delen, mét de inleiding tot De modderen man (‘Het menschelijk brood’), zijn wel als afzonderlijke uitgaven geautoriseerd, d.w.z. ze zijn met inspraak van de auteur tijdens zijn leven gepubliceerd (Maria Mathijsen, Naar de letter. Handboek editiewetenschap). Voor de beschrijving van de tekstgenese kon Jansen gebruikmaken van de zogenaamde ‘carnets’ (in totaal 23 notitieboekjes en agenda's), waarin Van de Woestijne naast boodschappenlijstjes en journalistieke notities ook schema's en versregels neerpende. Naast het handschriftelijk materiaal integreerde hij in de variorumeditie voorpublicaties van gedichten (in onder andere Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, De Gids, Groot Nederland en Dietsche Warande & Belfort). Die geautoriseerde tekstversies worden niet enkel verwerkt in het variantenapparaat, ze zijn ook in het kader van de beschrijving van een ‘compositiepoëtica’ van belang. Van de Woestijne experimenteerde namelijk met de samenstelling van verschillende groepen gedichten (‘clusters’) en de afdelings- en onderafdelingstitels. Voor een studie van het ontstaan van de architecturale constructie van een dichtwerk zijn dergelijke gegevens belangrijke bouwstenen.

Revelerend zijn Jansens conclusies betreffende de werkwijze van Karel van de Woestijne. Zo stelt hij dat de auteur eerst een of twee versregels schreef en daarna schetsmatig enkele woordgroepen en rijmwoorden. Vervolgens vulde hij dan open plaatsen in en wijzigde of werkte ‘lineair’ verder met nieuwe regels en rijmwoorden. De stelling dat Van de Woestijne ‘dacht [...] in teksteenheden met een structuur: versregels, strofen of meerdere strofen’, en dus niet op fonologisch of morfologisch niveau, geldt ook voor andere dichters. Merkwaardig is wel dat de schrijver eerst een gedetailleerd macrostructureel plan ontwierp en pas daarna de gedichten schreef. Meestal worden afzonderlijke gedichten na de schrijfact gebundeld in cycli of reeksen. Met name de geschiedenis van die minutieuze planning heeft Jansen uitgebreid geanalyseerd. Ze is niet enkel kenschetsend voor Van de Woestijnes schrijftechniek en het componeerproces van Wiekslag, ze werpt ook een ander licht op de kentering in zijn dichterlijke ontwikkeling.

Karel van de Woestijne maakte al in 1911 de eerste plannen voor een breed opgezette compositie ruim zeventien jaar vóór de realisatie van het magnum opus. In een vlot geschreven betoog speurt Jansen naar een samenhang tussen bibliografische gereconstrueerde ‘feiten’ (op basis van materiële, grafische en chronologische gegevens), waarbij hij op een discutabele manier probeert te achterhalen waarom bepaalde gedichtenclusters in de Wiekslag-bundel gegroepeerd zijn. Als tekstediteur begeeft hij zich enerzijds, toch wel willens nillens, op glad ijs door op een interpretatieve manier verbanden tussen gedichten(groepen) te leggen. Hiervoor parafraseert en beperkt hij het samenspel van verschillende motieven en betekenisinhouden, waardoor uiteraard geen recht wordt gedaan aan de meerduidigheid (of beter: het semantische spectrum) van Van de Woestijnes lyriek. Anderzijds beschouwt hij die ‘feiten’ (zoals variante lezingen) als ‘koerswijzigingen’, ‘vingerwijzingen naar een poëtische grammatica’. Jansen is er zich van bewust dat

[p. 117]



illustratie
Karel van de Woestijne (1878-1929). Tekening door Gustave van de Woestijne.

‘de “werkelijke” historische situatie’ onmogelijk kan worden weergegeven. Alleen meen ik dat hij in zijn betekenistoekenning aan gedichten, het onuitwisbare interpretatieve gedeelte van editietechnische analyse, toch teveel globaliseert en hieruit dan verreikende conclusies destilleert voor zijn argumentatie op structureel gebied. De stelling dat die parafraseringen ‘niet meer [zijn] dan een noodzakelijk hulpmiddel in mijn betoog’ is dan ook een understatement.

Op 9 juli 1911 noteerde Van de Woestijne op een klein velletje papier de titel Het licht der kimmen, en daaronder vier deeltitels: ‘Het Leven van den Dichter’, ‘Het Boek Franciscus’, ‘De Heilige Mis’ en ‘De Acht Zaligheden’. De volgende maand stuurde de auteur veertien gedichten naar De Gids onder de titel Het gelaat des dichters. Uit een brief aan uitgever C.A.J. van Dishoeck (d.d. 24 februari 1913) vernemen we dat Van de Woestijne die reekstitel als eerste afdeling wilde overnemen in een nieuwe bundel, getiteld Het licht der kimmen. Stap voor stap beschrijft Jansen de evolutie van een tetra- naar een trilogie. Opmerkelijk is niet alleen dat Van de Woestijne steeds werkte naar ‘een tevoren bedachte macrostructuur’, maar dat hij alle delen en titels een symbolische betekenis meegaf teneinde de afzonderlijke gedichten hiërarchisch te rangschikken (op semantisch niveau: de mystieke opgang naar het Absolute). Voor die bespiegelingen baseerde Jansen zich op secundair bronnenmateriaal, in het bijzonder op de correspondentie met Van Dishoeck, die hij voor de reeks ‘Achter het boek’ heeft voorbereid. Voorjaar 1913 bestonden concrete plannen voor een aparte uitgave van Het gelaat des dichters, waar echter geen spoor van terug is gevonden. De bladen die datzelfde jaar door Van Dishoeck in Bussum werden gezet, zijn later overgenomen in De modderen man (1920).

Die hele voorgeschiedenis van ‘Het leven van den dichter’ (ontwerp in 1911), ‘Het wezen van den dichter’, ‘Het gelaat des dichters’ tot de ‘definitieve’ editie De modderen man (in 1920) werpt volgens Jansen een ander licht op de wending in Van de Woestijnes dichterschap. De gedichten in het eerste deel, De modderen man dus, zijn gedateerd tussen 1909 en 1915. Het dichtwerk van ná 1920 is echter helemaal anders van toonzetting en inhoud. Vóór God aan zee (1926) heeft zich m.a.w. een kentering voorgedaan in Van de Woestijnes ‘poëtische grammatica’. Studie van het tekstmateriaal verleent een beter inzicht en produceert zinnige oplossingen voor de problematiek inzake de periodisering van Van de Woestijnes dichterschap. In vergelijking met de periode vóór 1916 - tot 1920 heeft Van de Woestijne weinig poëzie geschreven - manifesteert zich meer inhoudelijke diepgang in zijn lyriek. In de Van de Woestijne-studie heeft men steeds gewezen op de rol van de Eerste Wereldoorlog op die ontwikkeling. M. Rutten beklemtoonde dat breukmoment om de overgang van sensualistisch jeugdwerk naar spiritualistisch rijpere poëzie aan te duiden; hij deelde het dichterschap daarnaast ook in naar geografische locaties: de Gentse periode (met Het vader-huis en De boom-gaard der vogelen en der vruchten), de Brusselse-Pamelse periode (met De gulden schaduw en De modderen man) en de Oostendse-Zwijnaardse jaren (met God aan zee en Het berg-meer). P. Minderaa daarentegen benadrukte de verschuiving van esthetische naar mystisch-religieuze lyriek en situeerde dat moment op grond van vers-externe uitspraken omstreeks 1911. Jansen concludeert in zijn commentaar dat de innerlijke omwenteling plaatshad in de periode 1911-1913, omdat Het gelaat des dichters al gedeeltelijk gezet was en Van de Woestijne de uitgave bleef uitstellen. Uit onvrede met vroeger werk dus. ‘Veel wijst erop dat het uitblijven van Het gelaat des dich-

[p. 118]

ters minder door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd veroorzaakt - zoals algemeen wordt aangenomen - dan door Van de Woestijnes zeer fundamentele heroriëntering op zijn existentiële en metafysische doelen en daarmee op de inhoud van zijn poëzie’ (p. 129), aldus Leo Jansen. In het verlengde van die spirituele richting, Van de Woestijnes introspectief religieus-existentieel zoeken, heeft de auteur inhoudelijk en verstechnisch een belangwekkende evolutie ondergaan die zijn oorspronkelijk plan in de war stuurde. In de jaren 1916-1921 heeft de ‘definitieve’ trilogie zich duidelijker afgetekend.

Tot slot van deze algemene beschouwing wil ik nog kort ingaan op enkele boeiende aspecten in hoofdstuk 8, ‘Uitspraken over de trilogie’. Er zijn maar drie gesprekken overgeleverd waarin de schrijver expliciete poëticale uitspraken doet over de trilogie. Hij vond dat ‘alles wat ie te zeggen had’ in Wiekslag zelf verweven zat. Van de Woestijne wees op de verbanden tussen de respectieve onderdelen en dus, indirect, op de drieledige vorm van het chef d'oeuvre. Jansen plaatst die vormpreoccupatie in een brede artistieke traditie. In een symbolische architectuur, zowel in schilderwerk als in poëzie van symbolistische kunstenaars (de triptiek van Derkinderen en Toorop, de trilogieën van Rilke en Verhaeren), worden verbanden gesuggereerd tussen verschillende motieven; in lyrisch werk onder andere tussen titels en afdelingstitels. Van de Woestijne kan ‘compositiepoëticaal’ gesitueerd worden in een rijke kunsthistorische traditie. Wiekslag om de kim, luidt Jansens implicatie, kan architecturaal geplaatst worden naast Baudelaires Les fleurs du mal, Rilkes Stundenbuch en de ‘grote trilogieën’ van Verhaeren.

In dit korte bestek kon ik vanzelfsprekend niet ingaan op het variantenapparaat noch op de drukgeschiedenis van de afzonderlijke uitgaven. Terecht beweert Jansen dat met de presentatie van een dergelijke databank met primaire en secundaire gegevens het poëticaal Van de Woestijne-onderzoek nu echt van start kan gaan. Ik ben ervan overtuigd dat het een betrouwbaar en oordeelkundig werkinstrument aanreikt. Storende zetfouten in het ‘Commentaar’, die overigens geen afbreuk doen aan de acribie van de studie, nuanceren meteen de illusie van een onfeilbaar tekstkritisch apparaat.

 

Yves T'Sjoen

karel van de woestijne, Wiekslag om de kim (tekstbezorger Leo Jansen), Van Gorcum, Assen, 1996. Reeks: ‘Monumenta Literaria Neerlandica’, deel VIII, 2 delen, respectievelijk ‘Teksten’ (228 p.) en ‘Commentaar en apparaat’ (736 p.).

prepostterug  begin  verder