terug  begin  verderprepost

Over de ‘Beurtzang’ van Th. van Os

Stormachtig, zo kan men Beurtzang, het poëziedebuut van Th. van Os, wel noemen. Heftige poëzie, die ritmisch-metrisch klinkt als een klok, die de retoriek en het sentiment niet schuwt en die voornamelijk gaat over de grote dingen des levens: familie, seks, religie en dood.

De eerste afdeling, ‘Partus’, zet onmiddellijk de toon: het is een forse, maar zeker niet liefdeloze afrekening met de familie. Over de moeder schrijft Van Os bijvoorbeeld:

 
Wanneer ze dood is vieren we een feest
 
ter afscheid met elkaar en we bepraten
 
hoe lief en leuk ze voor ons is geweest.
 
 
 
En later, als we aangeschoten raken
 
vertellen we elkaar hoe we haar haatten
 
en schelden we tot aan het ochtendbraken.

Nog heviger echter gaat het er aan toe met de vader: ‘En in de goot van de gebombardeerde stad vol puin neukte ik mijn pappa pas terwijl een laaiend vuur de stad verteerde’. Een beetje overkill misschien, maar zeker wanneer er seks bij komt kijken, trekt Van Os flink wat registers open:

 
Wat is er mooier dan geneukt:
 
de benen in een v en wijd
 
of juist geknield, gekreukt
 
de ziel - uw lakens en darmen met stront,
 
veel stront - die zich uitspreidt
 
als een zeil en om de mast zich rondt.

Passages als deze zijn in Beurtzang geen zeldzaamheid, er wordt heel wat in ziel en stront geroerd. Van Os vermengt vulgariteit graag met verhevenheid. De liefdesliederen, hoe ranzig ook, zijn steevast doortrokken met

[p. 119]



illustratie
Th. van Os (º1954) - Foto F. Huigens.

tragiek (hoewel niet met name genoemd lijkt aids in de afdeling ‘Bericht’ voortdurend aanwezig), of met religieuze kitsch: ‘Vernedering is prachtig en zo katholiek, een geloof Latijns als Lourdes, ziek en toch ontroerend: dat blinkende metaal waarop een hand verkrampt tot kerkmuziek.’

Uit de afdeling ‘Jodenkerk’ blijk Van Os' religieuze bewogenheid gestuurd door een joodse achtergrond. Alles bij elkaar moet dit voor de in 1954 geboren Van Os wel leiden tot het uiterst wrange gedicht ‘Vijf mei’, waarvan ik hier slechts twee strofen kan citeren (voor alle duidelijkheid: het onberispelijke groen zijn de gazonnen van Auschwitz en Yad Vashem is het Holocaustmonument in Jeruzalem):

 
Wat wist ik? Niets van mijn moeders eerste man.
 
Ik wist iets meer van oorlogen en helden,
 
getallen (1940, 6.000.000).
 
Ik kende vaag het boerendorp, de straat
 
waar vader onderdook en werkte op de akkers,
 
bij een bezoek daar viel ik in een koeieflats,
 
hoe hij meteen na de bevrijding blaakte
 
van ijver om ons Indië te versterken
 
tegen de Jappen. Wat deed hij daar?
 
Het blijft zich achter anekdotes verschuilen.
 
Toen ik vanmorgen in de trein de krant doornam,
 
zag ik een klein berichtje (blz. 7) dat vermeldde
 
hoe Schwulen op het onberispelijk groen
 
een driehoek spoten, en iedereen werd kwaad.
 
Ik schut mijn hoofd, laat de krant weer zakken
 
en herinner mij de ruzie in Yad Vashem
 
tussen vader en een gids, hoe boos ze raakten:
 
‘Niets is er van hun vervolging hier te merken.’
 
Vóór en na de nazi's waren zij strafbaar.
 
Geen crimineel zal hier een muur bevuilen.’

Prachtig om te zien, al werkt het niet overal, hoe Van Os over grote afstand het rijm handhaaft. Metrum en rijm worden in Beurtzang bijna ouderwets van stal getrokken. Een enkele keer ligt de retoriek er wat al te dik op, maar anderzijds past dat natuurlijk wel bij de decadente toonzetting.

Een gedicht als ‘Vijf mei’ toont dat het Van Os, ondanks alle decadentie, ernst is. Wat overigens niet wil zeggen dat Beurtzang van humor gespeend gebleven is. Neem de bede tot God in ‘Lieve H.’: ‘Ik zou u graag een jongen geven voor de nacht (angstvrij, waar vind je die vandaag de dag?) die minstens éénmaal voor het slapen gaan het wonder aan u komt voltrekken, dan hoeft de deken die u kocht voortaan niet hoger dan de I te staan.’ Gelukkig heeft Van Os zich weten te behoeden voor een te veel van dit soort reviaanse ironie. Dat maakt Beurtzang tot een eigentijds, eigenzinnig en sterk debuut.

 

Koen Vergeer

th. van os, Beurtzang, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1996, 67 p.

prepostterug  begin  verder