Kunnen wij gerechtvaardigd spreken van Brabantse kunst of gaat het in werkelijkheid om niets anders dan kunst in Brabant? Deze vraag, die al jaren wordt gesteld, klinkt sinds kort met veel meer kracht. Brabant, dat is in dit geval Noord-Brabant, de Nederlandse provincie die 200 jaar geleden evenwaardig werd verklaard aan de rest van het land. Tot dan was het een vanuit Den Haag bestuurd en geminacht gebied, dat niet serieus werd genomen - en heel lang daarna evenmin.
Dank zij dit eeuwfeest is een oud plan gerealiseerd: een tentoonstelling van kunst die het gewest in de twee eeuwen voortbracht. De megatentoonstelling van vier musea in de belangrijkste steden - Noordbrabants Museum, Den Bosch; De Beyerd, Breda; Van Abbe, Eindhoven; De Pont, Tilburg - ging vergezeld van de uitgave van twee grote en luxueus uitgevoerde boeken, die samen een uitstekende indruk geven van waartoe Noord-Brabant in staat is geweest: De Muze als Motor. Daarom klinkt nu alom de vraag wat Brabantse kunst precies is. Met er aan gekoppeld opeens een tweede vraag: is de muze werkelijk wel een motor geweest of heeft ze eerder geprofiteerd van motorische ontwikkelingen?
Het antwoord is gecompliceerd. In de negentiende eeuw was Brabant een achtergebleven, vergeten landstreek, waar kleine ‘keuterboeren’ een moeizaam bestaan opbouwden, waar de industrie geleidelijk opkwam, maar waar vooral armoede, bijgeloof en achterstand regel waren, zoals dr. Jan van Oudheusden uiteenzet in zijn uitvoerige bijdrage in deel I over de langdurige zoektocht naar gewestelijke identiteit. Nu zouden wij spreken van een ontwikkelingsgebied. Omdat de overgrote meerderheid der Brabanders katholiek was en het protestantse nationale gezag hen jarenlang uitsloot van alle hogere bestuursfuncties, ging het heel moeizaam.
De kunstenaars van die tijd, de negentiende eeuw dus en het begin van de twintigste, geven veel weer van de situatie toen en als zodanig kan inderdaad worden gesproken van Brabant-
se kunst. Al kort na de Nederlandse onafhankelijkheid van 1813 kwam het tekenonderwijs op. Het ging hierbij vooral om het vormen van technisch vaardige ambachtslieden, in de bouwkunst bijvoorbeeld. Toch is juist dit onderwijs de basis geweest voor een sterke ontwikkeling. Veel belangrijke schilders leidden volgelingen op, zoals in Breda Jacobus Huysmans en in Den Bosch de Gentenaar Pieter Dielman.
Het is opvallend hoe kort de lijnen waren met Vlaanderen. Dat komt, lezen we, omdat per traditie de blik zuidwaarts was gericht en omdat de grote rivieren, die Nederland nu eenmaal doorsnijden, voor Brabanders een enorme barrière vormden, niet zozeer het water als wel het verschil in mentaliteit. Een zeker minderwaardigheidscomplex paste daarbij. In Holland werden Brabanders zelfs eens getypeerd als ‘reserve-Vlamingen’.
Jongere kandidaatkunstenaars, die verdere vorming wensten na de opleiding in de buurt, trokken naar Antwerpen, waar immers dezelfde taal werd gesproken. Later gingen ze ook richting Frankrijk. In het eerste deel van deze eeuw liet een aantal schilders zich inspireren door de school van Sint-Martens-Latem. Dit is des te opmerkelijker omdat de leden van de Haagse School die zich tijdelijk in Brabant nestelden, nauwelijks navolging kregen. De Peeldokter Hendrik Wiegersma uit Deurne (1891-1969), voor wie Sint-Martens-Latem een beslissend voorbeeld was, is een van de weinige kunstenaars in de provincie aan wie een museum is gewijd. Wiegersma's tijdgenoot Hendrik Chabot (1894-1949) kreeg weliswaar ook een museum, maar dat staat in Rotterdam, zoals we in Amsterdam een Van Goghmuseum vinden.
Zonder enige twijfel is Vincent van Gogh, overigens van protestantse origine - net als Hendrik Chabot, de belangrijkste Brabander

Antoon Kruysen, ‘Lentebloesem in Oirschoot’, 1939, olie op doek, 51 × 60 cm, collectie Museum Kempenland, Eindhoven.
uit de vorige eeuw geweest. Daarnaast waren er anderen, zoals Jan Sluijters (1884-1957) en verder de van elders afkomstige Huib Luns, die van 1917-1923 directeur was van de tekenacademie in Den Bosch en toen en later voor Noord-Brabant belangrijk werk maakte. Zij staken in hun thema's boven het maaiveld uit. Anderen toonden een voorkeur voor traditionele onderwerpen als het Brabantse boerenleven, de Brabantse idylle. Ook Van Gogh kon en wilde daar niet langs, al lijkt hij allereerst zijn inspiratie te zoeken bij Franse schilders als Millet en Lhermitte. Zeker is dat Vincent, wiens belang pas ver na zijn dood is ingezien, als voorbeeld voor Brabantse navolgers nauwelijks van betekenis is geweest.
Vrijwel alle kunstenaars, Van Gogh voorop, laten in hun werk sporen zien van hun Brabantse herkomst dan wel verblijf, of het nu gaat om een voorbeeld van boerenleven (Van Gogh), van landschap (Antoon Kruysen, zelfs met werk dat in Frankrijk ontstond), van katholiek geloof (Derkinderen).
In augustus 1996 zette het oudste opinieweekblad van Nederland, De Groene Amsterdammer (anno 1877), een aanval in op ‘kunst-
historische rookgordijnen’. De vuistdikke catalogi, glossy kunsttijdschriften en brievenbus blokkerende culturele supplementen, waardoor koffietafels dreigen te bezwijken, moesten het ontgelden. Volgens de schrijver, een medewerker van het Stedelijk Museum in Amsterdam, wordt er mystificatietaal gebruikt.(1) Ook de twee boeken over de Brabantse kunst zijn dik en zwaar, maar zij vallen in geen geval onder de 95% kunstgeschrijf die Gerrit Komrij eens betitelde als onzin. Integendeel, deze overzichtelijke uitgaven maken duidelijk wat in 200 jaar aan beeldende kunst in Noord-Brabant is gepresteerd. Beide delen kunnen los van de inmiddels afgesloten tentoonstellingen hun eigen weg gaan. Jammer is wel dat het formaat lichtelijk afwijkt en dat deel II niet wordt afgesloten met een goed register. Veel meer dan bij het eerste deel is hier toch sprake van een catalogus, die zonder bezoek aan de tentoonstellingen aan waarde verliest.
De boeken omvatten een concrete periode. Deel I gaat over ‘beeldende kunst en de ontwikkeling van het moderne Brabant 1796-1940’, waarna deel II de Brabantse kunst behandelt in de periode 1945 tot heden. (Ook in dit opzicht blijven de oorlogsjaren 1940-'45 een zwart gat.) Dit deel toont de manier waarop Brabantse kunstenaars gelijke tred kregen met collega's elders. Van onderscheid is nauwelijks nog sprake, al wordt van de uit Breda afkomstige Pieter Laurens Mol gezegd dat zijn Brabantse wortels nog altijd te zien zijn. Mol kreeg in september 1996 een expositie in het Museum of Modern Art in New York. De catalogus daar kenschetst zijn kunst aldus: ‘Een dialoog met de geschiedenis van Brabant, de noordelijke provincie van Nederland’.(2) Ach ja. Voor een niet-randstedeling zeker zo erg is dat Kruysens ‘Brabantse hut’ ooit werd vertaald met ‘Maison hollandaise’.

Kruysen (1898-1977) is een man van deze eeuw, die eveneens belangrijk werk voortbracht, net als bijvoorbeeld het trio Jan van Eyk-Kees Bol-Nol Gregoor, de penningmeester Niel Steenbergen, een architect als dom Hans van der Laan o.s.b. Jammer is dat de beeldhouwkunst in deze boeken weinig en de architectuur helemaal geen plaats krijgt. Toch zijn daarin nadrukkelijk Brabants-katholieke trekken te herkennen, maar ook hier geldt dat zeker in de jaren na 1950 kunst van specifiek Brabants, eerder Europees is geworden. De blik is verruimd, maar toch telt niet Amsterdam en omgeving maar Noord-Brabant vandaag het grootste aantal beeldende kunstenaars en ook hun voornaamste afnemers wonen hier.
Dat deze mondialisering zich in dit gewest al vrij gauw deed kennen was te danken aan de Eindhovense museumdirecteur Edy de Wilde,
die kort na de Tweede Wereldoorlog aantrad en bevorderde dat het provincialisme werd afgeschud en de aansluiting met de rest van de wereld werd versneld. Hij, en in zijn spoor zijn Bredase collega Theo van Velzen, haalden met richtinggevende exposities de Brabantse kunstenaars uit het isolement, door hen bijvoorbeeld te confronteren met religieuze kunst (een belangrijke bron van inkomsten) van mensen als Braque, Léger en Rouault. Het bracht een schok teweeg.
Op hun beurt zetten kunstenaars van de voorbije decennia de deuren open naar de tegenwoordige kunst. Ook die heeft absoluut profetische elementen, maar slechts de tijd die hierna komt, zal ze aanwijzen en waarderen. Misschien wordt muze alsnog een motor; tot heden fungeerden eerder kerk en industrie als zodanig.
Frans Oudejans
De Muze als Motor I, Noordbrabants Museum, 's-Hertogenbosch, 1996, 224 p. (ISBN 90.71349.12.8) en De Muze als Motor II, Stedelijk Van Abbe Museum, Eindhoven, (in samenwerking met De Beyerd, Breda en De Pont, Tilburg), 1996, 196 p. (ISBN 90.70149.57.5). Ze zijn verkrijgbaar in de vier genoemde Brabantse musea en in de betere boekhandel.