terug  begin  verderprepost

Muziek

I Fiamminghi in Antwerpen

Drie jaar geleden werd het Festival van Vlaanderen-Antwerpen nieuw leven ingeblazen met een reeks concerten, lezingen en manifestaties onder de titel Laus Polyphoniae. In 1994 stond Orlandus Lassus centraal, in 1995 de Antwerpse muziekdrukkunst. Voor de derde editie (1996) was het overlijden van Giaches de Wert in 1596 in Mantua de aanleiding om het volle licht te werpen op ‘I Fiamminghi in Italia’. Een uitgelezen thema, dat royaal stof bood om gedurende een hele week in middagen avondconcerten hoogstaande en verrassende muziek ten gehore te brengen.

Hoewel de Renaissance in Italië tot ongekende bloei kwam, was het niet uitsluitend een Italiaanse aangelegenheid. Op muzikaal gebied leverden ook talrijke componisten, zangers en musici uit de Lage landen een substantiële bijdrage. In niet geringe mate bepaalden juist zij het muzikale landschap in de vijftiende en eerste helft van de zestiende eeuw. Vooral in Italië waren vele ‘Fiamminghi’ werkzaam aan kerken en hoven: J. Ciconia, G. Dufay, J. Desprez, A. Brumel, H. Isaac, O. Lassus, Ph. de Monte, A. Willaert, C. de Rore, G. de Wert... om slechts enkele zeer bekende namen te noemen.

De muziek van Giaches de Wert (1535-1596), de centrale figuur in deze derde editie van Laus Polyphoniae, was ongetwijfeld de grote ontdekking van dit festival. Al vroeg belandde deze Vlaamse polyfonist, geboren in of in de buurt van Antwerpen, als zangknaap in Italië. Na omzwervingen o.a. in Ferrera, Novellara en Parma werd hij in 1565 benoemd tot kapelmeester van de familie Gonzaga in Mantua. Tot aan zijn dood bleef hij er werkzaam. Eigenaardig dat deze componist totnogtoe minder belangstelling genoot dan andere ‘Fiamminghi’ als O. Lassus, Ph. de Monte of J. Desprez. Dat is des te merkwaardiger, omdat hij destijds door de muziektheoreticus L. Zacconi geroemd werd als de belangrijkste contrapuntist van zijn tijd. Na de uitgebreide aandacht die hij kreeg in het kader van Laus Polyphoniae zal daarin wellicht verandering komen. Terecht, want de muziek van De Wert is, zowel voor de uitvoerder als voor de luisteraar, zeker zo solide en aantrekkelijk als die van andere Vlaamse polyfonisten. Zijn oeuvre is bijzonder gevarieerd; naast missen, motetten, magnificats en een Marcuspassie bevat het tal van conzonetta's en niet te vergeten tientallen boeiende madrigalen. Vooral in zijn profane muziek is zijn stijl in menig opzicht revolutionair. Op het gebied van tekstinterpretatie en dramatische expressie hoeft hij voor niemand onder te doen. Monteverdi roemde hem als een van zijn grote voorbeelden.

Deze derde editie van Laus Polyphoniae bracht een uitgelezen en zeer gevarieerd programma. Tal van internationaal vermaarde ensembles zorgden voor een twintigtal kwaliteitsuitvoeringen: The Consort of Musicke (A. Rooley), Currende (E. van Nevel), Concerto Secreto (K. Junghänel), The Gabrieli Consort & Players (P. McCreesh), Ensemble Daedalus (R. Festa), Cantus Cölln (K. Junghänel), Weser-Renaissances (M. Cordes), Theatre of Voices (P. Hillier), Nederlands Kamerkoor (P. van Nevel), e.a. Uitermate boeiend en verrassend waren de concerten waarop verschillende componisten op het programma stonden. Die boden de gelegenheid diverse aspecten in compositietechniek en tekstverklanking te vergelijken en de revolutionaire kwaliteiten van G. de Wert te profileren. The Consort of Musicke presenteerde als ‘ensemble in residence’ enkele voortreffelijke concerten. Ze werden gekenmerkt door een volmaakt uitgebalanceerde samenklank en een uitgepuurde expressieve interpretatie. Een van de hoogtepunten uit het gehele programma was het optreden van The Gabrieli Consort & Players o.l.v. Paul McCreesh. Naar het voorbeeld van hun cd-opname A Venetian Croronation hadden ze voor deze gelegenheid een paasmis voor San Marco samengesteld. Die bevatte naast het gregoriaanse proprium, de Missa Christus resurgens van A. Willaert, motetten en canzones van A. en G. Gabrieli. Een fees-

[p. 137]

telijke aangelegenheid, afwisselend polyfone rijkdom en subtiele gregoriaanse eenvoud, en dat alles gepresenteerd in een superieure uitvoering.

In het kader van Laus Polyphoniae stonden eveneens een symposium en een tentoonstelling op het programma. Tijdens het symposium, waaraan musicologen uit de hele wereld deelnamen, stond de migratie van musici van en naar de Lage Landen centraal. Het Museum Plantin-Moretus stelde enkele muziekdrukken van de 16de tot de 18de eeuw tentoon. Als toonaangevend handelscentrum van West-Europa ontplooide Antwerpen zich ‘vanaf 1481 tot het belangrijkste typografisch centrum, eerst van de Nederlanden, vervolgens, samen met Venetië en Parijs, van geheel Europa. De polyfonisten konden daardoor hier terecht voor goed uitgeruste handschriften- en drukkersateliers evenals een internationaal distributienetwerk voor de verspreiding van hun composities’ (F. de Nave). Het was een kleine maar boeiende tentoonstelling, waarin alle vermaarde Antwerpse drukkers een plaats kregen: T. Susato, J. de Laet, H. Waelrant, Chr. Plantin, P. Phalesius en J. Bellerus.

Ook de herfstconcerten van het Festival waren bijzonder kwaliteitsvol. De Roemeense bariton G.E. Crasnaru creëerde, samen met het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen, Les heures claires, een liedcyclus van Jan van Landeghem op teksten van E. Verhaeren. Het werk geeft vooral op instrumentaal gebied blijk van grote inspiratie. Jammer genoeg bracht de expressieve, veelal schilderende en vooral gedegen orkestratie herhaaldelijk de minder boeiende vocale lijn in de verdrukking. DeSingel presenteerde een niet-alledaags programma in een uitmuntende vertolking: het Budapest Festival Orchestra, het Sacrum Kamerkoor en het Ests Filharmonisch Kamerkoor vertolkten o.l.v. Ivan Fischer het Te Deum van Arvo Pärt en Die Nullte van Anton Bruckner. Niets dan superlatieven voor koor, orkest

illustratie
‘De lof der zotheid’, titelblad van het platenalbum ‘Encomium musices’, Filips Galle naar Johannes Stradamus, verzen van Johannes Bochius, ca. 1590 (burijngravure), Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet, R 111.

en dirigent. De Symfonie nr. 0 van A. Bruckner, die zelden of nooit op het programma staat, werd in al haar schakeringen en met een fascinerend klankspectrum uitgevoerd. Het serene en mystieke Te Deum van A. Pärt kreeg een gewijde en verinnerlijkte interpretatie.

Voor een ander hoogtepunt in het festivalprogramma zorgde de Vlaamse Opera. De Puccini-cyclus, die al enkele jaren ten gehore wordt gebracht, werd nu glansrijk afgesloten met een weergaloze voorstelling van Il Trittico. Regisseur Robert Carsen zorgde voor een in alle opzichten opzienbarende presentatie van deze triptiek. Hij bewees dat je eigenlijk met weinig middelen en met een persoonlijke visie origineel en boeiend muziektheater op de planken kan zetten. Elk van de drie delen uit het drieluik kreeg de gepaste sfeer: hartstochtelijke dramatiek in Il Tabarro, koele kloosterdiscipline tegenover warme moederliefde in Suor Angelica, komische speelsheid in Gianni Schicchi. O.l.v. Silvio Varviso leverden solisten, koor en orkest van de Vlaamse Opera schitterend werk. Terecht kreeg de voltallige ploeg een denderende ovatie.

Dit jaar zal Laus Poylphoniae grotendeels gewijd zijn aan de figuur van Johannes Ockeghem. Aanleiding daarvoor is de vijfhonderdste verjaardag van zijn overlijden.

 

Hugo Heughebaert

prepostterug  begin  verder