Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren vele ogen in het buitenland op België gericht. Vooral de Britse pers toonde ongewoon veel belangstelling voor ‘the little country that saved Europe’, zoals Clive Holland het toentertijd liefkozend noemde in zijn vuistdikke boek Belgium the Glorious. De troepen van de Kaiser waren in hun opmars gestuit en nu moest de propagandamachine op volle toeren draaien. Het was de bedoeling het patriottisme en de vechtlust bij de Britse bevolking aan te wakkeren. Dat lukte aardig: duizenden jongemannen vertrokken naar ‘the little country’ om daar aan de strijd deel te nemen. In 1914 schreef Julian Grenfell, kapitein bij het eerste Royal Dragoons, in een enthousiaste brief naar huis: ‘Ik hou van de oorlog, het is als een grote picknick, maar dan zonder de doelloosheid van een picknick.’
Bovenstaande zin wordt geciteerd in De Troost van Schoonheid: De literaire Salient (Ieper 1914-1918). In dit brievenboek brengen Piet en Wim Chielens het front rond Ieper literair in kaart. Eigenlijk groeide het idee voor De Troost van Schoonheid uit ergernis. In november 1995 zond Piet Chielens een brief naar zijn broer. Daarin beschrijft hij de Menenpoort, het monument ter nagedachtenis van meer dan vijfenvijftigduizend Britse gesneuvelden, als ‘lelijk en ideologisch verfoeilijk, een triomfboog die alleen de Glorie van het Imperium dient’. In zijn antwoord op deze brief heeft Wim Chielens het over de bedenkelijke faam van John McCrae's gedicht ‘In Flanders Fields’. De eerste strofe is nagenoeg perfect opgebouwd, de tweede rammelt al wat en klinkt zelfs sentimenteel, en de slotstrofe is regelrechte oorlogspropaganda. ‘Het is niet het enige oorlogsgedicht, het is zeker niet het mooiste en het is zelfs een klein beetje verfoeilijk’, schrijft Chielens, en iets verder wijst hij op de behoefte aan een boek over ‘al die collega's van McCrae die nu ten onrechte in zijn veel te brede schaduw vertoeven’. Via de correspondentie tussen beide broers maakt de lezer kennis met dichters als Siegfried Sassoon - voor wie de Menenpoort een ‘misdadig schrijn’ was -, Edmund Blunden en vele anderen wier poëzie een ander geluid liet horen dan het bekende ‘dulce et decorum est pro patria mori’.
piet en wim chielens, De Troost van Schoonheid: De literaire Salient (Ieper 1914-1918), Globe, Groot-Bijgaarden, 1996. ISBN 90-5312-069-6.
•
Piet Chielens is ook provinciaal coördinator van het vredesmuseum dat in 1998 zijn deuren zal openen. Dit ‘hedendaags museum over de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen’ wordt ondergebracht in de Ieperse Lakenhallen en zal, ironisch genoeg, ‘In Flanders Fields’ heten. Het gedicht zelf zal trouwens te horen zijn tijdens een van de etappes van wat omschreven kan worden als een interactieve wandeling door de oorlogsjaren heen. Maar ook minder elegische en meer realistische poëzie zal in het viertalige museumparcours worden opgenomen. Het museum zal uit achttien afdelingen bestaan, die ontworpen zullen worden door het Britse Event Communications en waarin gebruik zal worden gemaakt van moderne technieken met een sterk audiovisueel en interactief karakter. Met een dergelijke dynamische tentoonstelling wordt nadrukkelijk op de emoties van de bezoekers gemikt. Het is immers niet alleen de bedoeling ‘om het geheel van verhalen te bewaren en te vertellen’: men wil de toeschouwer ook inzicht verschaffen in het spanningsveld tussen waarheid en mythe.
Alle inlichtingen via Stadhuis, Grote Markt 34, B-8900 Ieper (tel. + 32 (0)57 20 07 24, fax + 32 (0)57 21 85 89)
•
‘In Flanders Fields’ is natuurlijk ook als toeristische trekpleister opgevat, maar dat doet niets af aan het idealistische streefdoel om via reflectie op specifieke historische gebeurtenissen een pleidooi voor universele vrede te zijn. Met name dát contemplatieve aspect miste Stefan Zweig - zelf een overtuigd pacifist en humanist - in het oorlogstoerisme tijdens het interbellum. Ieper beschouwt hij als een ‘Kirmes über den Toten’, ‘die great show Belgiens’ en
‘eine schon gefährliche Konkurrenz für Waterloo’. Hij ontkent zijn appreciatie voor de materiële herinneringen aan de oorlog niet, maar hekelt wel de toeristen die de kracht van deze symbolen niet zien. Met weerzin constateert hij: ‘in allen Buden wird mit den Toten kräftig Geschäft gemacht’. Als het nieuwe museum slaagt in het geplande emotionele bombardement van de bezoeker, zal deze niet langer kunnen toekijken als betrof het een loutere ‘Kinovorstellung’ - om het woord te gebruiken waarmee Zweig het kijkgedrag van zijn tijdgenoten typeert.
Zweigs opmerkingen over Ieper staan in Flandern: ein literarisches Landschaftsbild. Deze bloemlezing kwam tot stand onder de redactie van Werner Jost en Joost de Geest. Aan de hand van gedichten, romanfragmenten, dagboekaantekeningen en andere teksten van onder meer Victor Hugo, Rainer Maria Rilke, Mark Twain en Paul van Ostaijen wordt een reis dwars door Vlaanderen geconstrueerd, van Valenciennes tot Tongeren. Andere auteurs die het hier over de Eerste Wereldoorlog hebben, zijn o.a. Jean Cocteau (Der Frontabschnitt 131) en Erich Maria Remarque (Im Westen nichts Neues).
Flandern: ein literarisches Landschaftsbild (red. Werner Jost en Joost de Geest). Insel Verlag, Frankfurt am Main/Leipzig, 1996. ISBN 3-458-32954-4.
•
Het blijft de Nederlandstalige literatuur in vertaling voor de wind gaan. In een vorig nummer werd hier al gesignaleerd dat er in Japan een groeiende belangstelling is voor Nederlandse auteurs. In 1996 werden lezers uit het Land van de Rijzende Zon verblijd met een tiental nieuw-vertaalde titels. Intussen is ook in Zuid-Korea de jacht op de vertaalrechten van Nederlandstalige boeken geopend. Nog voor de Frankfurter Buchmesse van vorig jaar hadden al 20.000 exemplaren van Leon de Winters Hoffmans Honger hun weg naar het Koreaanse lezerspubliek gevonden. En tijdens de Buchmesse zelf verzekerde de vertaalster en literair agente Hea-za Yu zich van de vertaalrechten op werk van o.a. Arnon Grunberg, Cees Nooteboom en Connie Palmen.
•
In 1996 zag ook Harry Mulisch zijn afzetmarkt groeien. Bij de openingsmanifestatie van het Peter de Grotejaar in Sint-Petersburg werd naast de vertaling van Margriet de Moors Eerst grijs dan wit dan blauw de Russische versie van De aanslag voorgesteld. Maar nauwelijks anderhalve maand later, begin november, scoorde Mulisch nog beter. Hij was naar de VS afgereisd om Paul Vincents vertaling van De ontdekking van de hemel te promoten in Washington en New York. Nog voor Mulisch een voet op Amerikaanse bodem had gezet, hadden de Amerikaanse recensenten zich reeds lovend over The Discovey of Heaven uitgelaten. ‘One of the most entertaining and profound philosophical novels ever written’, besloot Dennis Drabelle zijn uitgebreide recensie in The Washington Post, en een maand eerder had men het in Publishers Weekly over ‘novel-writing on a gloriously grand, hubristic scale’. Mulisch reageerde tevreden: ‘Bescheidenheid bestaat hier niet, en dat hoeft van mij ook niet.’ En alsof hij dat gehoord had, noemde de beroemde romancier John Updike Mulisch' magnum opus een maand later in de New Yorker een ‘blithely big novel’.
•
In oktober 1996 ondertekenden de Nederlandse en Zuid-Afrikaanse autoriteiten een akkoord over culturele samenwerking. In een officieel persbericht werd meegedeeld dat het de bedoeling is om ‘samenwerking en uitwisseling van kennis en ervaring inzake onderwijs en wetenschap, kunst en cultuur, sport en sociaal welzijn te bevorderen’.
Eerder werd er al een ander akkoord over taal en literatuur gesloten. In het kader van deze Nederlandse politiek van toenadering na de jarenlange boycot stelde de Taalunie een driejarig project op om de neerlandistiek in Zuid-Afrika te stimuleren. Een onderdeel van dit project was een veertiendaagse rondreis met lezingen door acht Nederlandse en Vlaamse schrijvers langs een aantal Zuid-Afrikaanse steden. Bij die gelegenheid bleek hoeveel interesse er daar leeft voor de hedendaagse Nederlandstalige literatuur, waarmee men nu voor het eerst in contact komt na een jarenlang isolement.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat eind 1996 Tom Lanoyes Kartondose en Herman de Conincks Liefde, miskien (beide vertaald door dichter-journalist Daniel Hugo) genoteerd stonden in de top-tien van Afrikaanse fiksie. La-
noye en De Coninck gingen op tournee om ter plaatse voor te lezen uit eigen werk. De Vlaamse minister-president Luc van den Brande, die eind oktober 1996 een officieel bezoek bracht aan Zuid-Afrika om de samenwerking met de nieuwe regering te consolideren en te versterken, ontving overigens in Pretoria uit handen van de muzikant Johannes Kerkorrel een exemplaar van beide vertalingen.
•
Naar aanleiding van het vijfentwintigjarig bestaan van het tijdschrift Septentrion. Arts et culture de Flandre et des Pays-Bas organiseerde de Stichting Ons Erfdeel vier avonden (achtereenvolgens in Luik, Brussel, Rijsel en Parijs) met in het Frans vertaalde Vlaamse en Nederlandse literatuur onder het motto Une main tendue.... Dit initiatief werd gesteund door

Josse de Pauw draagt de ‘Rede tot de hoofden van Lebak’ van Multatuli voor, in de aula van de universiteit van Luik (‘Une main tendue...’, 23 oktober 1996).
de Vlaamse Regering, de Nederlandse ambassades te Brussel en Parijs, de Belgische ambassade in Parijs en het Belgische Consulaat Generaal in Rijsel. Daarnaast verleenden ook het Institut Néerlandais te Parijs en de afdelingen Nederlands van een aantal universiteiten hun medewerking.
Al vanaf het eerste nummer werden in Septentrion Franse vertalingen van gedichten en prozafragmenten afgedrukt. De hoofdmoot van het jubileumprogramma bestond uit een optreden van de Vlaamse acteur Josse de Pauw, die teksten en gedichten bracht van Multatuli, Jeroen Brouwers, Hugo Claus, Lucebert en Guido Gezelle. Vervolgens lazen Charlotte Mutsaers en Leonard Nolens voor uit eigen werk.
In een artikel over de recente avonturen van de Nederlandstalige literatuur in het buitenland (Intermediair, 11 oktober 1996) meent Philippe Noble, directeur van het Maison Descartes in Amsterdam, redacteur van Septentrion en zelf vertaler met een indrukwekkende staat van dienst, dat er in Frankrijk tegenwoordig ‘aantoonbaar meer belangstelling voor de Nederlandse literatuur’ is. Deze uitspraak bleek niet overdreven toen op 21 november 1996 de laatste voorstelling van Une main tendue... plaatsvond voor een afgeladen zaal in de Parijse Salons d'Iéna. Met de vier voorstellingen van deze Une main tendue... werden ruim 1500 mensen bereikt.
•
Tot 19 januari jl. liep in de National Gallery te Londen de tentoonstelling Rubens's Landscapes. Hoofdconservator Christopher Brown bood een overzicht van een minder bekend maar toegankelijk segment van het oeuvre van Rubens, wiens reputatie vooral berust op zijn monumentale altaarstukken en religieuze en mythologische schilderijen. Tegenwoordig, en dan voornamelijk in Engeland, wordt het werk van Rubens door een breed publiek genegeerd vanwege het te hermetisch-allegorische en te nadrukkelijk contra-reformatorische karakter. Brown hoopt met zijn tentoonstelling en de bijbehorende catalogus dat publiek weer warm te maken voor de Antwerpse meester.
Rubens's Landscapes situeerde de landschappen zowel in de context van de Vlaamse landschapsschilderkunst als binnen het geheel van Rubens' productie. De schilderijen zijn, zoals Brown benadrukte tijdens de persvoorstelling, de ‘private works of a very public artist’. Rubens schilderde ze hoofdzakelijk voor zijn eigen plezier. De werken waren bestemd voor zijn woningen of als geschenk voor goede vrienden en kennissen.
Deze voortreffelijke tentoonstelling liet ook zien dat een aanzienlijk deel van de landschappen in het bezit is van de National Gallery. Het museum aan Trafalgar Square bezit immers een belangrijke verzameling Vlaamse schilderijen, van de Vlaamse Primitieven tot Rubens en Van Dyck. Dat zal nog duidelijker blijken wanneer in de vernieuwde North Galleries van de National Gallery, met steun van de Vlaamse overheid en een aantal Vlaamse bedrijven, een zgn. ‘Flanders Room’ geopend zal worden. Verder zal Christopher Brown ook de tentoonstelling naar aanleiding van de vierhonderdste geboortedag van Anton van Dyck samenstellen. Deze expositie zal in 1999 achtereenvolgens in het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten en in de Londense Royal Academy te bezichtigen zijn.
christopher brown, Rubens's Landscapes, National Gallery Publications, London, 1996. ISBN 1-85709-155-8.
•
Er blijken dus in Vlaanderen en Nederland voldoende auteurs te zijn die op belangstelling in het buitenland mogen rekenen. Het is zelfs al zo ver gekomen dat voor bepaalde talen het gebrek aan goede vertalers voelbaar wordt. Zo is er momenteel slechts één vertaler Nederlands-Japans en één vertaler Nederlands-Koreaans. Maar ook voor minder ‘exotische’ talen heeft men behoefte aan nieuw talent. De vertaalproductie voor de Engelstalige markt bv. kreeg in het verleden een gevoelige klap door het overlijden van James S. Holmes en Adrienne Dixon. Gelukkig ziet men nu naast doorgewinterde vertalers als James Brockway en Arnold Pomerans ook steeds meer de namen van bv. Paul Vincent en Stacey Knecht opduiken. Laatstgenoemde mocht trouwens in oktober 1996 te Londen de Vondel Translation Prize ontvangen voor haar uitmuntende vertaling van Marcel Mörings Het grote verlangen.
In haar lezing op het zevende Nederlands Taalcongres van de Vereniging Algemeen Nederlands (16 november 1996, Gent) gaf Greetje

P.P. Rubens, ‘Boerderij in Laeken’, ca. 1618, olie op paneel, 86,4 × 128,2 cm, The Royal Collection, London.
van den Bergh, algemeen-secretaris van de Nederlandse Taalunie, tekst en uitleg bij de activiteiten van die Taalunie op het gebied van het literaire vertalen. Daarin staat eveneens het tekort aan degelijke vertalers centraal. Voor Van den Bergh is de opleiding van jonge vakbekwame literaire vertalers een prioriteit. Daartoe onderneemt de Taalunie initiatieven op twee niveaus. Ten eerste wordt er steun verleend voor de uitbouw van de opleidingen literair vertalen die worden georganiseerd door de afdelingen Neerlandistiek in o.a. Londen, Parijs en Berlijn. Een tweede initiatief van de Taalunie richt zich tot personen die hun aanleg als vertaler al bewezen hebben. Zij kunnen zich vervolmaken tijdens de Zomercursus Literair Vertalen, die de Taalunie in 1996 voor het eerst organiseerde. In samenwerking met de Vakgroep Vertaalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam en het Departement Vertalers en Tolken van de Katholieke Vlaamse Hogeschool in Antwerpen bood men een twintigtal vertalers de gelegenheid om gedurende drie weken in Nederland en Vlaanderen te verblijven en daar nader kennis te maken met de cultuur en literatuur. Per doeltaal (Duits, Engels of Frans) werd de literaire vertaalvaardigheid van de cursisten zowel theoretisch als praktisch uitgediept. Dit laatste gebeurde in zgn. ‘ateliers’, onder leiding van ervaren vertalers. Een paar auteurs, van wie fragmenten werden vertaald, verleenden eveneens hun medewerking aan het praktische gedeelte. De cursus wordt dit jaar
voor de tweede maal georganiseerd en zal hopelijk ook in 1998 kunnen worden gecontinueerd.
Voor algemene informatie over de Zomercursus Literair Vertalen kan men zich wenden tot De Nederlandse Taalunie, PB 10595, NL-2510 HN Den Haag (tel. + 31 70 3469548, fax + 31 70 3659818).
Filip Matthijs