terug  begin  verderprepost

Jaarboek De Franse Nederlanden 1996

Naast actuele onderwerpen bevat het eenentwintigste jaarboek De Franse Nederlanden een stevig cultureel gedeelte met een tweetal blikvangers over miniatuurkunst en poëzie over Frans-Vlaanderen.

Het openingsartikel is van de hand van de Leuvense prof. M. Smeyers. Smeyers leidt het Studiecentrum Vlaamse Miniaturisten, dat onlangs het label van ‘cultureel ambassadeur van Vlaanderen’ voor de vierde keer ontving en veel lof oogstte met een unieke tentoonstelling in Sint-Petersburg.

De miniatuurkunst kon zich in Frans-Vlaanderen ongeveer zeven eeuwen handhaven. Smeyers bespreekt de meest waardevolle stukken van de Karolingische periode tot de late Middeleeuwen. Hieruit blijkt hoe de miniaturisten, in wisselwerking met andere Vlaamse, Franse en ook Engelse ateliers, gedurende een lange periode een eigen stijl ontwikkelden. Van bepaalde kunstenaars, ook uit de Romaanse periode, is de naam bekend.

De stijl van de verluchte handschriften evolueerde van een geabstraheerde, Romaanse beeldtaal naar een gotische verfijning en een ‘realistische’ kunst ten tijde van de Bourgondische hertog Filips de Goede. Een hoogtepunt vormt het werk van de bekende Simon Marmion uit Amiens (ca. 1425-1489). Toonaangevende ateliers waren in de Romaanse periode de abdijen in Sint-Omaars, Atrecht en Valenciennes. Nadien verschoof het zwaartepunt naar lekenwerkplaatsen in Atrecht en Rijsel.

[p. 150]

Het artikel maakt de lezer nieuwsgierig naar de zogenaamde drolerieën (fantastische figuren), die een typisch kenmerk vormen van de Noord-Franse boekkunst uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Hopelijk leidt nieuw onderzoek binnen enkele jaren tot een tentoonstelling die deze kleurenpracht laat zien.

Een tweede blikvanger van het jaarboek vormt de lijvige bijdrage van R. van de Perre over Frans-Vlaanderen in de Nederlandstalige poëzie van de negentiende en twintigste eeuw. De studie (én bloemlezing) behandelt het onderwerp vanuit een dubbele invalshoek. Eerst komen de Frans-Vlamingen zelf aan bod, vervolgens de Vlamingen aan de andere kant van de grens. De belangrijkste constatering na lectuur is dat de dichters zelden door een directe esthetische of literaire zorg werden gedreven. Men treft er nauwelijks ‘grote poëzie’ aan, wel veel pathetische en strijdbare verzen over eigen volk en taal. Gelukkig is er dat ene, monumentale gedicht van Gezelle over ‘die bende Casselkoeien’ bij zonsondergang.

Voor liefhebbers van Anton van Wilderode is dit overzicht zeker de moeite waard. Van de Perre laat immers duidelijk zien hoe wezenlijk de dichter door Frans-Vlaanderen werd geïnspireerd. Gedurende de Tweede Wereldoorlog (!) hebben die gedichten een nogal expliciet flamingantisch karakter. Later tilt hij zijn lyrische beschrijvingen op een hoger literair niveau.

Naast de artikelen van Smeyers en Van de Perre bevat het jaarboek heel wat actuele onderwerpen. Zo geeft dr. P. Ginet een interessante visie op de stedelijke ontwikkeling van Rijsel. Hij gaat daarbij uit van de gewijzigde relatie tussen de grote havens Antwerpen en Rotterdam en hun achterland. Volgens Ginet speelt de Rijselse metropool als ‘voorhaven’ een steeds grotere rol in het containervervoer tussen Frankrijk, Zwitserland en de Zuid-Europese landen enerzijds en de ‘main port’ Rotterdam anderzijds. Dit kan pijnlijke gevolgen hebben voor andere steden in de regio. Zo ziet de toekomst van de haven Duinkerke er niet rooskleurig uit: Duinkerke haalt op dit ogenblik slechts 1,1% van het containervervoer van Antwerpen en Rotterdam. Meer en meer lijkt de tendens om Duinkerke te verlaten zich te confirmeren. Politieke beslissingen om de band tussen Rijsel en Duinkerke te versterken, noemt Ginet in die optiek ‘une menace pour Lille et un combat perdu pour Dunkerque’. Dit moet hard aankomen bij S. Blanckaert, die zich in het jaarboek van 1994 optimistisch uitliet over de troeven van Duinkerke.

Een ander gevoelig thema is de delocatie in de Frans-Belgische grensstreek. N. Vanhove, directeur van de GOM West-Vlaanderen, ziet in zijn artikel niet enkel Europa als de schuldige. Ook het tekort aan bedrijfsterreinen en vooral de tergende traagheid van de Vlaamse administratie spelen in het nadeel van West-Vlaanderen. Met name op die twee punten zoekt de GOM naar oplossingen. We willen hierbij nog wijzen op een bijkomend probleem: ook de verschillen inzake milieureglementering zorgen voor een ongelijke concurrentiestrijd tussen de regio's.

Over de HST bevat het jaarboek twee bijdragen: een vrij academische uiteenzetting over de lokale politieke consensus betreffende het dossier en een meer ‘bevlogen’ relaas over ‘HST en archeologie’. Laatstgenoemde bijdrage is geschreven door J. Callens, gewezen directeur van de Furet du Nord in Rijsel. Hij geeft een positieve evaluatie van het samenwerkingsakkoord dat bij de aanleg van de lijn Parijs-Rijsel-Calais tot stand kwam tussen twee partijen met heel uiteenlopende belangen, nl. ingenieurs en archeologen. Er werd toen een bedrag van ca. 390 miljoen BEF (±21,6 miljoen gulden) voor onderzoek uitgetrokken. Gedurende de ‘wedloop tussen de mechanische werktuigen en de schrappertjes’ was prospectie toegestaan op 165 sites, d.w.z. een site per ongeveer 2,7 km! Ondertussen kreeg het Franse voorbeeld navolging bij de aanleg van de Belgische tracés. Hopelijk met even gunstige resultaten...

Tenslotte vermelden we nog enkele andere topics van het jaarboek: een status quaestionis van het archeologisch onderzoek in Boulogne, een historische synthese over Boulogne, Calais en Duinkerke tijdens de Middeleeuwen en een politicologische deelstudie over de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Rijsel. Om hoopvol te eindigen berichten enkele auteurs ook over culturele samenwerking tussen beide grensregio's.

 

Steven Debaere

Jaarboek De Franse Nederlanden/Les Pays-Bas Français, 20 (1996), Stichting Ons Erfdeel vzw, Rekkem, 1996, 256 p.

prepostterug  begin  verder