Judith Herzberg (º1934), die dit jaar de P.C. Hooftprijs voor poëzie krijgt, heeft een grote fascinatie voor de wonderlijke en absurdistische aspecten van de alledaagse werkelijkheid. Zij kan moeiteloos een gedicht maken over de aanschaf van een afwasmachine en zich afvragen welke consequenties dat zal hebben voor haar eierlepeltjes. Naar de stijl wordt haar

Judith Herzberg (º1934).
poëzie vaak ‘parlandistisch’ genoemd, welke aanduiding een verbinding suggereert met het vooroorlogse tijdschrift Forum, en van daaruit met Libertinage en Tirade.
Toch doet de aanpak van Judith Herzberg, ook in de onlangs verschenen dichtbundel Wat zij wilde schilderen, mij veel vaker denken aan de werkwijze van de Barbarber-auteurs uit de jaren zestig. Schrijvers als Bernlef en K. Schippers kennen eveneens een absolute prioriteit toe aan de concrete werkelijkheid, die in hun ogen geen enkele metaforische aankleding nodig heeft. Illustratief is in dit verband het gedicht ‘Opening van het visseizoen’ van K. Schippers:
Bernlef formuleerde de toenmalige poëtica als volgt: ‘De overtuiging dat alles materiaal
voor poëzie kon zijn, de tendens dat materiaal meer voor zichzelf te laten spreken, de eigen persoonlijkheid en problematiek zo weinig mogelijk of in ieder geval zo indirekt mogelijk op de voorgrond te laten treden’.
Volgens deze opvatting is de selectie van de feiten dus belangrijker dan het persoonlijk commentaar van de waarnemer. Soms is Herzberg er een meester in om de feiten puur voor zich te laten spreken. Zo schrijft zij in het bekende gedicht ‘Ziekenbezoek’:
Zo'n gedicht is eenvoudig en filosofisch diepzinnig tegelijk. Het is deze niet in het oogspringende treurigheid - waarbij de traan zich maskeert achter een aanvankelijke lach - die de grootste charme vormt van Herzbergs beste poëzie.
Toch is de totale afzijdigheid onmogelijk. Sterker dan ooit tevoren klinkt dit besef door in Wat zij wilde schilderen. Er staan in de bundel een tweetal korte, nevengeschikte gedichten, die elkaar op navrante wijze aanvullen. In het eerste gedicht schrijft Herzberg:
Kan men dit gedicht nog opvatten als een vrij onschuldig en herkenbaar pleidooi tegen geheugenverlies, het nevengeschikte gedicht maakt duidelijk dat een bepaald soort vergeetachtigheid een zonde zou zijn tegen de geschiedenis. In ‘Jeruzalem III’ schrijft Herzberg:
Zonder dat het woord ‘Auschwitz’ genoemd wordt, is het wel duidelijk welke resonanties Herzberg hier op het oog heeft. Het gevolg hiervan is dat de slotregel van het voorgaande gedicht - hoe iedereen ook weer heette - een extra betekenislaag krijgt.
Jaren geleden heeft Judith Herzberg eens een workshop gegeven over het maken van gedichten. In het verslag dat zij van deze bijeenkomsten gemaakt heeft, komt ook een gedicht ter sprake, waarin een cursist het begrip ‘Auschwitz’ wél genoemd heeft. Het gaat over een moeder die met haar zoontje aan het wandelen is. Wanneer het kind vraagt of God de zon morgen weer voor iedereen zal laten schijnen, moet de moeder aan Auschwitz denken. Herzberg geeft dan het volgende advies: ‘Ik vroeg de schrijfster te proberen hetzelfde gedicht nog eens te schrijven en dan in plaats van het woord Auschwitz een zeer exacte beschrijving te geven van wat ze met dat woord wilde samenvatten (...). Ik weet niet goed wat ik er mee aan moet - en probeer haar héél voorzichtig uit te leggen dat ik zulke woorden “makkelijk” vind, hoe moeilijk de lading ook is die zij dekken’.
Herzbergs Barbarber-achtige fascinatie voor de concrete realiteit en haar bijbehorende afkeer van metaforiek komt zo in een heel bijzonder daglicht te staan. Dit komt prachtig tot uiting in het gedicht ‘Zeesterren’, dat een sleutelgedicht van de bundel is. In een krantenbericht heeft Herzberg gelezen dat er door een bepaalde algensoort een enorme slachting is aangericht onder zeesterren. De sterren zijn bij duizenden aangespoeld, ‘vaak twee aan twee met punten in elkaar gehaakt’. Een metaforische lezing zou zich onmiddellijk van dit concrete niveau verwijderen, maar Herzberg zegt:
De morele conclusie van het gedicht luidt:
Wie zich niet betrokken weet bij de zogenaamde kleine nietigheid heeft niet het recht zich uit te spreken over ‘het grote niets’. In te-
genstelling tot schelpen en slakken immers - ‘die nergens van weten’ - beschikken mensen over het vermogen zich overal in te verplaatsen, ‘maar het maakt medeplichtig’, zegt Herzberg, ‘en of het klopt is nooit na te gaan’.
Het lijkt wel alsof Judith Herzberg de gruwelijke wereld van het grote niets alleen maar kan benaderen langs de weg van de ontkenning. Het is namelijk opvallend hoeveel gedichten in deze bundel gebouwd zijn op de bezwerende herhaling van het woordje ‘niet’. Zo schildert de hoofdfiguur in het titelgedicht ‘wat zij niet kan kweken niet kan vangen niet vergeten’. Enkele regels later echter schildert zij ‘waar zij niet van slapen kan wat ze zich niet herinnert, niet in kleur’. Gaat het te ver om deze regels in verband te brengen met de Joodse schilderes Charlotte Salomon (1917-1943), die haar leven in een soort van geschilderd toneelstuk neer wilde leggen, voordat dit voortijdig op zou lossen in het grote niets? Als medicijn, tegen het vergeten?
Het is deze thematiek van onontkoombare herinneringen die de kern vormt van Wat zij wilde schilderen. Soms creëert Herzberg daarbij voor zichzelf een vluchtroute, door uit te wijken naar pure anekdotiek of flauwe woordspelletjes. Zij klinkt echter het meest authentiek en overtuigend wanneer haar poëzie, vanuit een persoonlijke lotsverbondenheid, een ‘rijgdraad’ vormt met het verleden:
Anneke Reitsma
| judith herzberg, Wat zij wilde schilderen, De Harmonie, Amsterdam, 1996, 64 p. |