terug  begin  verderprepost

Alles is nog maar woord
Over de poëzie van Huub Oosterhuis

In Vlaanderen is Huub Oosterhuis vooral in katholieke kringen bekend als de dichter van prachtige liedteksten voor de liturgie zoals ‘Omdat hij niet ver wou zijn / is de Heer gekomen’, ‘De Heer heeft mij gezien’, ‘Zo vriendelijk en veilig als het licht’, ‘Heer onze Heer, hoe zijt gij aanwezig’, ‘Zolang er mensen zijn op aarde’ enz. Onlangs is van Huub Oosterhuis een dichtboek verschenen waarin een selectie van zijn persoonlijke poëzie is gebundeld. Zijn gebruikslyriek had hij al eerder in 1993 gebundeld.

De bundel is tegelijk in Nederland en Vlaanderen uitgegeven; terecht, want Oosterhuis is zowel in Noord als Zuid een bekende naam. In Vlaanderen zijn ook zijn gebedsteksten jarenlang erg populair geweest. Wie herinnert zich niet de nog steeds actuele bundels Bid om vrede, In het voorbijgaan, allebei uit de jaren zestig, of later, uit de jaren zeventig Zien soms even en Mensen voor dag en dauw. Ook als studentenpastor in Amsterdam en daarna, als zovele collega's elders, uitgetreden en dan in 1990 stichter van het centrum voor cultuur De Rode Hoed, heeft hij een re-

[p. 277]



illustratie
Huub Oosterhuis (º1935).

putatie opgebouwd van een kritisch en geëngageerd christen.

Wie zou verwachten dat zijn verzamelde poëzie de kerkelijke sfeer van de priester ademt, vergist zich. Hoewel hij zijn poëzie in een verantwoording bij de bundel in het perspectief van de (vooroorlogse) katholieke poëzie plaatst, zijn zijn gedichten veeleer commentaren, verbeeldingen en meditaties bij de eigen levensgang. De verwevenheid tussen poëzie en leven blijkt ook hieruit: de dichter heeft zijn gedichten niet thematisch maar min of meer chronologisch geordend, in zeven groepen.

Overigens hoeft het kerkelijke engagement van Oosterhuis ook formeel geenszins te betekenen dat het om stichtelijke of vrome poëzie zou gaan. Integendeel, zijn versificatie heeft duidelijk de invloeden van experimentele dichters als Lucebert en Andreus ondergaan. Zo vinden we invloed van de Vijftigers in de lichamelijke metaforiek en de soms nadrukkelijk gewilde en gezochte beeldspraak die zijn poëzie ook een zekere geslotenheid geeft. Anderzijds vinden we een bijna van elke emotie ontdane en voortdurend bijgevijlde poëzie, die in verhalende verzen vorm geeft aan een symbolische interpretatie van de werkelijkheid. Daarmee sluit Oosterhuis veeleer aan bij dichters als Nijhoff en Guillaume van der Graft.

De eerste reeks gedichten heet heel kenmerkend ‘Uitgekomen’. Daarmee wordt tegelijk gerefereerd aan de in de bundel overal aanwezige jeugdherinneringen, maar ook aan de bijbels roeping om daaruit weg te trekken.

 
Wij moeten landinwaarts varen,
 
ik weet niet waarom, ik weet nog
 
niet eens wat ik zeg, maar ik adem
 
de vrijheid als toekomst in.

Zo dicht Oosterhuis in het lange, verhalende, in vrije verzen opgebouwde gedicht ‘Uittocht’. Een dergelijke thematiek, het exodusmotief gekoppeld aan geboorte en vrijheid, vinden we ook terug bij Guillaume van der Graft. Het gaat in beider poëzie om menswording en dat is weg van het mythische water, landinwaarts naar steden (‘Groningen’ bijvoorbeeld) waar mensen samenwonen. Het thema van de stad houdt verschillende andere bijbelschristelijke thema's in: dat van vreemdeling zijn, maar ook liefde en het hemelse Jeruzalem.

Soms lukt het de dichter de taal op te laden en in een bezwerende litanieachtige formulering het bijbelse visioen van een geheelde mensheid op te roepen. Zo luidt bijvoorbeeld een parafrase van het ‘Onze Vader’ bij Oosterhuis:

 
Genoemd, gekend, bemind, volbracht, geheiligd
 
worde uw naam. Door ons, al doende recht,
 
stichtend gerechtigheid. De grond der aarde,
 
de sterrenstelsels zullen toebehoren
 
aan de nu nog verworpenen. Het licht
 
zal worden teruggegeven aan de blinden.
 
Kome uw koninkrijk: het oude nieuw,
 
vrede en recht als zonnen aan de hemel;
 
mensen, geknecht, verstomd, gescheurd in stukken
 
zullen geheeld zijn, nieuwe mensen. Wij.

De tweede reeks gedichten bestaat uit het lange gedicht ‘Groningen’ en het korte ‘Land van oorsprong’, waarmee Israël als het bijbelse land van belofte is bedoeld. De gedichten van de derde reeks, ‘halve aarde’ maken duidelijk dat er geen sprake is van thuiskomst, veeleer van vervreemding en verlangen naar een jij. Als een ‘Parcival’ probeert de dichter zijn weg te vinden; de gedichtencyclus speelt tegen de achtergrond van Oosterhuis' conflict met zijn officiële priesterfunctie, maar is in feite, zoals bij Parcival, een zoektocht naar de juiste verhouding tot God.

De titel van de vijfde reeks, ‘Het huisge-

[p. 278]

zin’, roept een vredevoller werkelijkheid op, die in de gedichten echter meteen wordt ontmaskerd als mislukt. In ‘Zondvloed’ wordt daarvan op een subliem-ironiserende manier verslag gedaan.

Uiteindelijk is het dan ‘Tijd voor afscheid’, de titel van de voorlaatste reeks. Daarin probeert de dichter opnieuw alles te overzien en zijn eigen positie te verduidelijken:

 
Tussen woorden vonken
 
seconden van inzicht
 
klom ik omhoog uit een afgrond van jeugd,
 
haalde de aarde, meldde me, kreeg
 
een adres mee, een sleutel-
 
vond in een richel
 
zeven paar centen, kocht
 
pen en papier.
 
 
 
Zo is het gebeurd
 
en geschreven.

De laatste reeks, ‘Eeuwig weerzien’, bevat een paar sterke gedichten omdat ze de omweg die het leven is herkennen als de weg. (De titel van de verzamelbundel luidt Weg en omweg.) In plaats van pessimisme en verzet zijn er verinnerlijking en vergeestelijking, zoals ook uit de treffende lichtsymboliek in vele gedichten blijkt. Het behoort tot de paradox van alle geestelijke Godsmystiek dat die met niets minder vrede neemt dan met de fysieke eenwording, zoals in het ‘Laatste lied’ treffend wordt verwoord:

 
Alles is nog maar woord.
 
Lied hooguit. Niet Gij.
 
 
 
Kom nog dichterbij.

Paul Gillaerts

huub oosterhuis, Weg en omweg. Gedichten 1950-1995, Lannoo/Tielt, de Prom/Baarn, 1996, 143 p.

prepostterug  begin  verder