Hoewel Anna Enquist (º1945) nog niet zolang publiceert, zijn met haar vier bundels al enkele stadia van haar levensweg te volgen. In haar debuut Soldatenliederen (1991) was de weerslag aan te treffen van haar overstap op latere leeftijd van de muziek naar de psychoanalyse. Die overstap was ook poëticaal van belang. Met het opgeven van de muziek ontstond de leemte van waaruit haar poëzie ontsprong. Hiermee werd de bijzonderheid van Enquists toenmalige levenstadium aangeduid.
De belangrijkste indicaties van de algemene menselijke levensweg, zijn echter te vinden in de verdichtingen van het leven van ouders met kinderen. In Soldatenliederen worden onder andere scènes beschreven van een ouder met kinderen aan tafel. Daarbij voegen zich de herinneringen aan de eigen jeugd, zoals die kunnen opkomen bij wie zijn eigen kinderen bezig ziet. In het gedicht ‘Drei Abhandlungen’ ontstaat het typerende beeld van iemand die tussen twee generaties in staat. Aan de ene kant is er de vader die zijn kind, de lyrische ik in dit gedicht, iets wil laten zien. Aan de andere kant komt de zoon die zijn moeder, dezelfde lyrische ik, aan de hand neemt. Met de knappe beschrijving van de emotionele verschuivingen die in de tijd hebben plaats gevonden, stelt Enquist de natuurlijke opeenvolging van de generaties in een raadselachtig licht.
In haar jongste bundel Klaarlichte dag is Anna Enquist een stadium verder. De kinderen zijn het huis uit. Als ze zich nog tussen twee polen bevindt, dan is dat die van tussen het vroegere leven met de kinderen en haar eigen dood. Lucide formuleert ze dat inzicht in het gedicht ‘Ineens’:
De thematiek van verandering en vergankelijkheid komt in deze bundel tot uitdrukking in het veelvuldig hanteren van de motieven van tijd en reizen. Schrijven lijkt voor Enquist het maken van een reisverslag van haar levensreis.
In ‘Klaarlichte dag’ levert dat reisverslag niet altijd overtuigde gedichten op. Wel zijn de gedichten die zij schrijft over haar dochter die niet langer bij haar in huis woont, invoelbaar. Enquist treft de lezer met het besef dat de betekenis van het woord huis is veranderd. Na een avondje samen uit heet het:
Zij treft mij op die momenten echter niet
met de kracht van haar poëtische verbeelding. Deze gedichten blijven bleek.
In zekere zin stelt die bleekheid ons voor een raadsel. Enquists taalgebruik kenmerkt zich vanaf het begin door extremen. Zij schuwt heftige omschrijvingen niet. In een gedicht ‘ranselt’ koorts de gewrichten. In een ander ‘hijgt een brandstapel in haar broekspijpen’. Als ik dat raadsel probeer op te lossen, kom ik uit op twee blikrichtingen die in haar poëzie aanwezig zijn. Die lijken bepalender dan haar taalgebruik.
Die blikrichtingen zijn al bepalend voor haar debuut. In Soldatenliederen staat ‘De spreekkamer’. Daarin beschrijft Enquist wat er achter de gesloten deuren gebeurt. Via heftige emoties leert de analysant zich te verzoenen met het leven:
Bijvoorbeeld in de dochtergedichten van Klaarlichte dag gebeurt precies dat. De inzet is verzoening met het leven, met het voorbijgaan van de tijd en met de wetmatigheid van de vergankelijkheid. De blik van de lezer wordt gericht op troost. Misschien stelt hem dat in staat zichzelf te troosten.
Ik heb de laatste strofe uit ‘De spreekkamer’ nog niet ten einde geciteerd. De twee afsluitende regels richten de blik naar wat aan het leven onverzoenlijk is:
Afgezien van de punt na de tweede deur is er een open einde, dat zicht geeft op het geheim van het leven. De ogen van de lezer worden geopend voor de ontroostbaarheid van het bestaan. Daarin ligt voor mij een kracht van goede poëzie. Op die wijze is goede poëzie troostend.
In de beste gedichten van Klaarlichte dag slaagt Anna Enquist erin de spanning tussen de beide blikrichtingen bij elkaar te brengen. Daarbij gebruikt zij beelden die zij ook al in Soldatenliederen gebruikte: dijken, bevroren water en een vrijstaand huis. De dijken van het polderlandschap waar zij thuis is, krijgen een metaforische lading. Zij vormen barrières die het dagelijks leven beschermen tegen chaos en dood. Zij structureren het leven met het oog op de geordende waterhuishouding, die staat voor de huishouding van emoties.
Op eenzelfde wijze vormt ijs een beeld van het beheerste leven. Als de verslindende emoties voldoende zijn bevroren, valt erop te schaatsen. Is bij de vorige metafoor een dijkdoorbraak mogelijk, hier is het besef aanwezig dat een schaatser door het ijs kan zakken. De kunst van het leven is schaatsen op smeltend, onbetrouwbaar ijs.
Het gedicht ‘Op het land’ laat zien hoezeer de toestand van verzoening met het leven een constructie is waarin de mens zich veilig waant. Het ‘denken wij’ in de tweede regel ondergraaft onmiddellijk de idyllische behaaglijkheid van de eerste en verleent alle gedempte tonen een dreigende ondertoon.
Beide blikrichtingen van Enquists poëzie vinden we terug in de regel over de duisternis. In sommige gedichten valt zij buiten haar blikveld. Hier valt de duisternis erbinnen. Prompt krijgt, wetend van de volle rivier, de knipoog van het water naar de maan een onheilspellend karakter. Nog tussen de oevers, maar of de dijken het zullen houden? Die dreiging infecteert het volle leven tussen de muren. Hoewel met een punt afgesloten suggereert de herhaling van het ‘ik betaal’ zowel de eindeloosheid als de vergeefsheid van de betaling.
In gedichten als dit opent Enquist het zicht op een geheim.
Hans Groenewegen
| anna enquist, Klaarlichte dag, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1996, 61 p. |