In 1982 verscheen een degelijke studie, De beginjaren van De Stijl, 1917-1922; hierin nam Carel Blotkamp (hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam) de spil van de beweging en het tijdschrift: Theo van Doesburg voor zijn rekening en zeven van zijn studenten de overige medewerkers van De Stijl. Een van hen, Nicolette Gast, die een hoofdstuk over Georges Vantongerloo schreef, verwees enkele malen naar de schenking Van Moorsel. Deze werd in eerste instantie door de weduwe Nellie van Doesburg-van Moorsel in 1975 gelegateerd aan de kunsthistorica Wies Leering-van Moorsel. Het rijke archief van de internationaal zeer actieve stijlredacteur droeg Wies van Moorsel vervolgens in 1981 over aan de Nederlandse Staat. Voor die schenking waren jaren van onderhandelen nodig geweest; bij de overdracht liet de kunsthistorica merken dat de Staat haar eerder had behandeld als iemand die een gunst vroeg dan als iemand die een gunst verleende. Het is dit archief met zijn vele nog niet eerder gepubliceerde stukken, dat een belangrijke documentaire basis geeft aan De vervolgjaren van De Stijl, 1922-1932(1), opnieuw onder redactie van Carel Blotkamp.
Vier van de tien auteurs werkten al mee aan De beginjaren van De Stijl. Nieuw zijn Ed Taverne en Dolf Broekhuizen, die schrijven over de ‘dissidente architecten J.J.P. Oud, Jan Wils en Robert van 't Hoff’, Manfred Bock, die aandacht geeft aan architect Cornelis van Eesteren en Evert van Straaten, auteur van Theo van Doesburg, schilder en architect, (Den Haag, 1988), die zich verdiept in Theo van Doesburg en in Cesar Domela. Marijke Kuper boog zich in beide edities over architect Gerrit Rietveld, zoals Els Hoek dat over Mondriaan deed. Sjarel Ex onderzoekt de invloed van De Stijl in oostelijke richting, terwijl Nicolette Gast dat voor het zuiden doet. Carel Blotkamp en Cees Hilhorst ten slotte wijden zich aan de ‘dissidente kunstenaars Bart van der Leek, Vilmos Huszár, Georges Vantongerloo’.
Theo van Doesburg was publicist, theoreticus, (binnenhuis-)architect, schilder, glazenier, dichter en onvermoeibaar organisator. Niet gekweld door gebrek aan zelfvertrouwen was hij bereid met ieder die hij zag als een tegenstander van zijn tijdschrift, zijn theorieën of zijn streven de degens te kruisen. En dat gebeurde doorgaans niet elegant. Door Walter Gropius, directeur van het Bauhaus in Weimar, waarin Van Doesburg van maart 1921 tot de herfst van 1922 had getracht te penetreren en waaraan hij een aanstelling ambieerde, werd hij in een brief in 1922 die ‘hochstaplerischen Proleten’ genoemd.(2) En architect Oud, die van 1917 tot 1920 als medewerker aan de beweging en het tijdschrift verbonden was, schreef aan Van Doesburg, die wel eens de neiging had om zich het geestelijk eigendom van anderen toe te eigenen, dat het er nog maar aan ontbrak dat hij de eerste transatlantische vlucht en het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog voor zich opeiste.(3) In verschillende studies, die alle berusten op gedegen onderzoek, is een lichte, relativerende
toon te bemerken, waaruit blijkt dat de schrijver een kritische, geamuseerde afstand bewaart. Dit is onder meer het geval bij Carel Blotkamp, Evert van Straaten en Sjarel Ex.
In De beginjaren van De Stijl had Els Hoek in een verhelderende bijdrage aangetoond dat het werk van Mondriaan en Van Doesburg ondanks uiterlijke overeenkomsten fundamenteel van elkaar verschilde en hoe dit verschil in opvatting samenhing met hun zo anders geaarde wereldbeeld. In de vervolgstudie analyseert ze aandachtig Mondriaans werk en laat zien hoe hij naar maximale uitdrukking zocht binnen het door hem ontwikkelde neo-plasticisme, dat gebaseerd was op harmonie. Mondriaan werkte intuïtief en beschouwde de intuïtie als een hogere vorm van kennis. Van Doesburg daarentegen verwierp de intuïtie en zocht naar een universele kunst die op wetenschappelijke gegevens zou berusten. Zijn elementarisme, gebaseerd op de diagonaal en haar maximale spanningsverhouding, streefde dynamiek na. In zijn artikelen liet hij merken dat hij het elementarisme beschouwde als een strenge correctie op het neo-plasticisme en tevens als de hoogst bereikbare trap van de evolutie. Waarmee hij aangaf dat hij het theosofische gedachtegoed nog niet volledig achter zich gelaten had.
Mondriaan voelde zich hierdoor gekwetst. Bij hun verschillend wereldbeeld en hun tegengestelde karakters kwam bovendien een grotere erkenning voor Mondriaan, terwijl het Van Doesburg was die zoveel werk had verzet voor De Stijl. De twee vroegere medewerkers raakten zo steeds meer van elkaar verwijderd. - Interessant is het om bij verschillende auteurs te lezen hoe er waarschijnlijk invloed uitging van de ene medewerker van De Stijl op de andere.(4) Tussen de kunsthistorici bestond blijkbaar een goede coördinatie; er wordt naar de andere hoofdstukken verwezen, terwijl doublures vermeden werden. Blotkamp heeft zijn taak van redacteur kennelijk uitstekend vervuld.
De rijkdom van het archief van Van Does-

Theo van Doesburg, inrichting van de grote feestzaal op de eerste etage van de ‘Aubette’ in Straatsburg (1926-1928).
burg blijkt overduidelijk uit het hoofdstuk van Nicolette Gast: zij onderzoekt de contacten van De Stijl met België en Frankrijk. Niet alleen kunnen dankzij de bewaarde documenten veel initiatieven nu achterhaald en correct gedateerd worden, maar ook dook er materiaal op van tot nu toe onbekende ontwerpen van Le Corbusier en Mallet-Stevens, van een muurschildering van Léger, een gestapeld werk in hout van Brancusi. De contacten met het Parijse tijdschrift L'Esprit Nouveau worden uitgespit, met de galerie van Léonce Rosenberg ‘L'effort Moderne’, met Léger, Brancusi, Hans Arp. En ook de kunstenaarsinitiatieven ‘L'Art Concret’, ‘Cercle et Carré’ en ‘Abstraction-Création’.
Treurig verliepen over het algemeen de contacten van Van Doesburg met Belgische kunstenaars. Bijvoorbeeld met architect-publicist Huib Hoste, die de Eerste Wereldoorlog in Nederland doorbracht. Van hem verscheen in 1918 een artikel in De Stijl. Kort daarop raakte hij met Van Doesburg in conflict en later heeft hij nooit meer een goed woord over hem willen horen. Georges Vantongerloo werd lange tijd door Van Doesburg in bescherming genomen tegen Oud, Huszár en Mondriaan; toen ‘Does’ echter in 1920 een artikel van hem wilde censureren, koos hij zelf voor een positie aan de zijlijn. In 1927 werd hij dissident als zoveel medewerkers van De Stijl vroeg of laat. Tegenover de Antwerpse schil-
der Jozef Peeters stelde De Stijlredacteur zich terughoudend op met didactisch dedain. Nicolette Gast schrijft dat Van Doesburg in België regelmatig gevraagd werd als auteur. In een goed gedocumenteerd artikel in het Gielik/NVT van 1996, nrs. 49/50, tonen Sjoerd van Faassen en August-Hans den Boef aan hoe groot de expansiedrift van Van Doesburg in België was en hoe hij zich op den duur toch terugtrok. Jammer dat er gelijktijdig werd gewerkt aan hetzelfde onderwerp. Dat is maar een kleine gemiste kans tegenover de rijkdom aan gegevens die De vervolgjaren van De Stijl, 1922-1932 biedt over een beweging en een tijdschrift in het calvinistische Holland en de uitstraling daarvan ver daarbuiten.
José Boyens
In het Kröller-Müllermuseum te Otterlo (waar Evert van Straaten directeur is) en in het Centraal Museum in Utrecht (waar Sjarel Ex dezelfde functie vervult), zal eind 1998 gelijktijdig een breed opgezette dubbeltentoonstelling gehouden worden die gewijd is aan Theo van Doesburg en De Stijl.