Met het formaat van het boek zit het goed. Het is hoog en smal zoals de architect bOb van Reeth, die in de lay-out van de kaft als protagonist wordt voorgesteld. Maar die voorstelling wordt in de titelpagina al direct genuanceerd. Het is de filosoof Willem Koerse die in gesprek is met bOb van Reeth, en niet omgekeerd. De bevestiging hiervan krijgen we in het ‘Voorwoord (en tevens waarschuwing)’. Daarin zet Koerse de toon voor het hele gesprek.
Zich inspirerend op Martin Bubers ‘dialogische Prinzip’ wijst hij op het belang van de dialoog. Niemand zal dat betwisten. Er zijn echter vele vormen van dialoog, die op vele wijzen gebruikt en misbruikt kunnen worden. De losse dialoogvorm die hier wordt aangewend, is aantrekkelijk en biedt vele mogelijkheden. Ongedwongen heen en weer dialogerend kan er over alles en nog wat genoeglijk gekeuveld worden. Deze vorm is uitermate geschikt om de deelnemers aan het gesprek te leren kennen, maar het gevaar is reëel dat het onderwerp van de dialoog - als er al een onderwerp is - ontsnapt. De dialoog van Koerse met Van Reeth is dan ook niet te vergelijken met de geconstrueerde dialogen van Plato of Valéry, waarin de dialoogvorm wordt aangewend om op een levendige en genuanceerde wijze een onderwerp aan de orde te stellen en uit te diepen.
Willem Koerse gaat uit van een vrij negatieve benadering van ‘onze technologische tijd’ en stelt dit uitgangspunt verder niet ter discussie. Ooit heeft hij onze samenleving ‘samenloos’ genoemd. Daartegen moet bOb van Reeth dan voortdurend ingaan om zijn eigen, onbevangener benadering van onze tijd te verdedigen. Zo ontstaat er een vertekening en komt de dialoog over zin en inhoud van het werk van de architect, waarom het begonnen was, in het gedrang. Heel wat aanzetten in de replieken van Van Reeth blijven liggen. Waar de filosoof voortdurend op een dubieus begrip als begrijpelijkheid hamert, moet de architect een uitweg zoeken in paradoxale uitspraken en ironische opmerkingen. Hij verzet zich tegen architecten die ‘tekenen’, maar vindt architectuurtekeningen prachtig. Hij wijst elke vorm van gevelarchitectuur af, maar wordt enthousiast als hij het Martelaarsplein in Brussel met zijn gevelarchitectuur beschrijft. Hij verwijt zijn opponent een pessimistische kijk op de actuele situatie, maar maakt zich toch zorgen over vandaag.
De grootste paradox, die de hele dialoog beheerst en al in de titel ‘architectuur is niet interessant’ wordt gesuggereerd, is evenwel die tussen het ‘domme’ bouwen - zoals Van Reeth het noemt - het directe bezig zijn met materiaal en constructie en het zich tegelijkertijd bezighouden met de eisen van de opdrachtgever en de omstandigheden van tijd en plaats, én de betekenis die hij aan dit bezig zijn toekent, de architectuur als uitdrukkingsmiddel die haar limiet bereikt in de poëzie. Ergens zegt Van Reeth: ‘Misschien is poëzie wel de belangrijkste beweegreden voor architectuur (...) als je het hebt over betekenisvol, dan denk ik dat die betekenis inderdaad met poëzie te maken heeft. Je kan op allerlei manieren over de techniek en over alles wat bespreekbaar is,
over aanleidingen tot architectuur of wat ook gaan praten, maar uiteindelijk is de reden waarom je het doet dat het poëtisch zal zijn.’ In deze korte passage, die onverwacht in het verloop van de dialoog opduikt, komt een opvatting aan de oppervlakte die verder in het boek systematisch, een enkele keer zelfs agressief, verdrongen wordt, al blijft ze overal op een heimelijke wijze aanwezig in begrippen als ‘visie’ of ‘architecturale energieën’.
Niet omdat in deze dialoog vele dialogen verzwegen zitten, is hij minder de moeite waard. bOb van Reeth blijft met zijn uitspraken verrassen, vooral dan als het over zijn eigen werk of zijn projecten gaat, die aan het einde van het boek aan de orde worden gesteld.

bOb van Reeth, Zuiderterras in Antwerpen (1987-1991).
Naar aanleiding van zijn bekendste werk, het huis Van Roosmalen aan de Scheldekade in Antwerpen - dat aan een ‘herziening’ toe is - stelt hij: ‘Je moet jezelf niet laten vangen door je eigen dingen, je moet blijven herformuleren (...) We gaan het (huis Van Roosmalen) vervlakken, we gaan proberen het zo te bestuderen dat het er zeer zorgeloos zal uitzien.’ En aan deze uitspraak op het einde van het boek kan, als een echo, een zin uit een andere context uit het begin toegevoegd worden: ‘het is een kwestie van zich te gedragen en dat is wat architectuur meestal niet kan - architectuur is bijna altijd onbeleefd - bijna altijd pretentieus.’
Geert Bekaert
| Willem Koerse in gesprek met bOb van Reeth. Architectuur is niet interessant, Hadewijch, Antwerpen-Baarn, 220 p. |