Voor velen is de titel van dit boek ongetwijfeld een contradictio in terminis. In vergelijking met de ons omringende landen slaat België, wat moderne architectuur betreft, immers een slecht figuur. Het lelijkste land ter wereld (Renaat Braem) raakt bovendien langzamerhand dicht verkaveld. Het fenomeen van de lintbebouwing maakt elke potsierlijke fermette of architecturaal wangedrocht minder erg dan de roofbouw op de open ruimte en het stedelijk verval. Met dit in het achterhoofd wordt het uitdenken van criteria om goede architectuur van slechte te onderscheiden dan ook een hachelijke onderneming.
Bovendien is de Belgische architectuur niet alleen op het terrein chaotisch, maar ook in haar historische ontwikkeling. Voor de architectuurhistoricus is het bijgevolg geen gemakkelijke opgave om er een classificatiesysteem op toe te passen. Niettegenstaande het feit dat Geert Bekaert erin slaagde enige orde in de chaos te scheppen, kon hij bijvoorbeeld zijn chronologische indeling in decades moeilijk volhouden. Zo zijn bijna alle besproken realisaties uit het vierde hoofdstuk, dat volgens de titel de periode 1975-'85 bestrijkt, na '85 tot stand gekomen. Maar dit is spijkers op laag water zoeken; elke poging tot taxonomie van de
Belgische architectuur wordt immers door verschillende factoren bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt. Ten eerste maakt de onverschilligheid van de diverse overheden ten aanzien van een kwaliteitsvolle architectuur het beeld er niet minder duidelijk om. Weinig openbare gebouwen in België kunnen als ‘architectuur’ bestempeld worden, en de spreekwoordelijke afwezigheid van elke burgerdeugd stimuleert niet bepaald de verantwoordelijkheid van grote instellingen of ondernemingen. Veel talentvolle architecten houden zich noodgedwongen bezig met tentoonstellingsarchitectuur, winkelinrichtingen en vooral alleenstaande privé-woningen die zijn losgekoppeld van stede-bouwkundige kwaliteiten - alhoewel de laatste jaren enkele interessante ontwerpen juist zelfbewust inspelen op de condities van de lintbebouwing en de verkaveling. Een tweede factor is het feit dat België nauwelijks ‘orthodoxe’ aanhangers van belangrijke architectuurhistorische stromingen bezat of bezit. Misschien is dit de enige typische Belgische eigenschap die geïdentificeerd kan worden en die niet noodzakelijk als een negatieve eigenschap moet worden gezien. Naast een banaal, inspiratieloos, pragmatisch en provincialistisch modernisme vallen in België bijzonder eigenzinnige invullingen van het modernisme op te merken. In een periode waarin het modernisme ter discussie staat, kan de verfrissende aanpak van enkele architecten uit het recente verleden bijzonder inspirerend zijn voor de huidige praktijk. De getemperde impact van internationale tendensen stelt de auteur bovendien in staat het verhaal van de Belgische architectuur overtuigend te vertellen met relatief weinig verwijzingen naar internationale figuren.
Voor de leek wordt misschien hierdoor een iets vertekend beeld geschetst - alles moet immers tot zijn juiste proporties worden terugge-

Het huis van architect Belderbos in Astene-Deinze (1990-1991).
bracht. Voorts bevat het boek alle voor- en nadelen van een algemeen overzichtswerk. Hedendaagse Architectuur in België is meteen een standaardwerk, omdat er voor de Nederlandstalige lezer geen alternatief is. In vergelijking met vroegere overzichtswerken, zoals Bouwen in België 1945-1970, dat Bekaert zelf vijfentwintig jaar geleden met Francis Strauven schreef, worden nieuwe accenten gelegd en krijgen eerder niet of nauwelijks behandelde figuren de aandacht die ze verdienen. Een nieuwe generatie architecten, door Bekaert naar analogie van de Vlaamse literatuur als de Mooie Jonge Goden omschreven, wordt voor het eerst systematisch samengebracht. Niettegenstaande het feit dat Bekaert zich hierbij misschien iets kritischer had mogen opstellen, maakte hij duidelijk dat figuren als onder meer Beel, Robbrecht & Daem, Neutelings en De Geyter een internationaal niveau halen en een grondiger studie verdienen. Het blijft wachten op auteurs (en vooral uitgevers) die hier een leemte moeten vullen, want ondanks al zijn verdiensten blijft dit boek soms noodgedwongen oppervlakkig.
Luxueus geïllustreerd met grote kleurenfoto's oogt het mooi als ‘coffeetable book’, maar je hoeft geen architect of ingenieur te zijn om vast te stellen dat het veel te weinig plattegronden bevat - zeker wanneer bijvoorbeeld in de tekst naar een bijzondere eigenschap daarvan wordt verwezen. Bovendien hunkert de lezer naar meer tekst; Bekaert is immers op zijn best bij grondige analyses en architectuurtheoretische beschouwingen. Hopelijk wacht de auteur deze keer geen vijfentwintig jaar om opnieuw een poging te ondernemen tot het schrijven van een algemeen overzicht van de Belgische architectuur van na de Tweede Wereldoorlog. Het volgende standaardwerk moet evenwel een ‘paperback’ zijn met kleine, onaanzienlijke zwart-wit foto's en langere teksten.
Steven Jacobs
| geert bekaert, Hedendaagse Architectuur in België, Lannoo, Tielt, 240 p. |