terug  begin  verderprepost

Schijnwerpers op de scène

Met piëteit neem je ze ter hand, de eerste vier bundeltjes van het Kritisch Theater Lexicon, ‘een theatergeschiedenis in afleveringen’ met portretten van Vlaamse podiumkunstenaars van deze eeuw, uitgegeven door het Vlaams Theater Instituut. Het eerste verschenen fascikel is aan Senne Rouffaer (º1925) gewijd, de volgende drie aan overleden generatie-genoten van hem: Dries Wieme (1927-1993), Jan Walravens (1920-1965) en Rudi van Vlaenderen (1930-1994). Piëteit welt voor deze levende en deze doden op, omdat deze gedreven mensen behoren tot degenen die, met vele anderen, het theaterlandschap hebben getekend waarin wij, niet of nauwelijks jonger dan zij, mochten rondwandelen.

De opzet van deze publicatie kadert in de ambitie van het Vlaams Theater Instituut om de geschiedenis van het theater in Vlaanderen in de twintigste eeuw in een drievoudig project te bundelen. Het Kritisch Theater Lexicon zou de figuur van honderd individuele kunstenaars, auteurs, acteursregisseurs, scenografen, choreografen, dansers, pedagogen (ook organisatoren?), en later misschien ook gezelschappen belichten. Voorts werd gedacht aan een

[p. 291]



illustratie
Senne Rouffaer (º1925).

Geschiedenis van de podiumkunsten in Vlaanderen en aan een uitgave van beeld- en archiefmateriaal op video en cd-rom, maar deze plannen werden onlangs voor onbepaalde tijd uitgesteld, toen bleek dat het instituut niet over de noodzakelijke financiële middelen zou beschikken.

Onder de hoofdredactie van Geert Opsomer, bijgestaan door een tienkoppige redactieraad, werkt een dertigtal jonge theaterwetenschappers van de vier Vlaamse universiteiten aan de voorbereiding van enkele tientallen afleveringen van het Kritisch Theater Lexicon. De auteurs van de eerste afleveringen zijn Peter Anthonissen (Rouffaer), Kurt Vanhoutte, Sophie van Weert en Veerle Kerckhoven (Wieme), Jos Joosten (Walravens), Jef Aerts, Katrien Seeuws en Geert Opsomer zelf (Van Vlaenderen). Dit jaar volgen portretten van Anne Teresa de Keersmaeker, Jan Fabre, Wim Vandekeybus, Marc Vanrunxt, Tone Brulin, Julien Schoenaerts, Herman Teirlinck en Walter Tillemans.

Elke aflevering is volgens een min of meer vast schema opgesteld: een foto van de betrokkene, een korte levensbeschrijving, de maatschappelijke en artistieke context waarin hij werkzaam was, zijn artistieke opvattingen, een beschrijving van zijn artistieke activiteiten, de receptie van zijn werk, een ‘theatrografie’, d.i. een chronologisch overzicht van zijn artistieke loopbaan, en ten slotte een ‘selectieve bibliografie’. Vormgeefster Inge Ketelers koos voor de handige fascikels (15 × 24 cm) een groene kaft met witte en rode opdruk. De cahiers, die in een bewaarband kunnen worden vastgehecht, tellen tussen 28 (Walravens) en 48 bladzijden (Van Vlaenderen).

Bij de vooropgestelde, wetenschappelijk ogende maar niettemin kunstmatige opdeling is het voor de meeste auteurs moeilijk om biografie, oeuvre en maatschappelijke en artistieke context uit elkaar te houden. Het leven laat zich in zo'n keurslijf niet vangen. Het kapitteltje over bv. de historische context waarin Rudi van Vlaenderen werkzaam was, vertelt meer over zijn activiteiten en opvattingen dan over de maatschappelijke context waarin hij zich met zijn kunst engageerde. De lezer krijgt dan niet noodzakelijk een beeld van de betekenis van die activiteiten in die bepaalde tijd.

Dit neemt niet weg dat voor deze boekjes verdienstelijk werk is verricht. ‘Definitieve’ biografieën zijn het evenwel niet. Uit het ene verhaal komt het portret van de beschreven kunstenaar en mens al beter uit de verf dan uit het andere. Dat van Jan Walravens lijkt het meest coherente.

Blijft evenvel de vraag wat er aan dit Kritisch Theater Lexicon zo bijzonder kritisch is. Het lijkt eerder een compilatie van informatie die her en der in archieven en vooral in persknipsels en vroegere publicaties verspreid lag. Daarbij steunen de auteurs blijkens de ‘Selectieve bibliografie’ veel op artikelen uit de jaren tachtig en vooral negentig. Voor Walravens werd wel ongepubliceerd archiefmateriaal rond Het Kamertoneel opgenomen. Zijn er voor de anderen geen bronnen uit de jaren veertig tot zeventig te vinden, al was het maar in de kranten uit die decennia?

Tezamen met La Maison du Spectacle - La Bellone bezorgde het Vlaams Theater Instituut ook de uitgave van Balkon/Balcon, het eerste gezamenlijke jaarboek over podiumkunsten in Vlaanderen, Wallonië en Brussel.

De initiatiefnemers beogen enerzijds een balans van de recente ontwikkelingen van de podiumkunsten in Vlaanderen en in Franstalig België, gezien in hun binnenlandse en internationale context, en anderzijds een onderzoek naar de diverse overeenkomsten tussen de evoluties in de beide cultuurgemeenschappen. In deze eerste aflevering blijft dit laatste meer bij

[p. 292]



illustratie
Jan Walraevens (1920-1965).

aanzetten en wordt ook de context niet breed uitgeschilderd.

Competente Vlaamse en Franstalige redacteuren beschrijven, ieder in hun eigen taal, de theateractiviteiten van de jongste vijftien jaar in hun gemeenschap. Hun teksten werden vertaald en staan in drie kolommen per bladzijde naast elkaar: Nederlands, Frans en Engels. Voetnoten met bronvermelding zijn er niet. Een dertigtal foto's van nu eens gedenkwaardige, dan weer in de tekst niet eens vermelde voorstellingen illustreert het boek.

Het theater van de jaren tachtig-negentig wordt door Mark Deputter en Benoit Vreux onder verschillende invalshoeken en met eigen accenten belicht. Pieter T'Jonck, die informatie met reflectie verrijkt, en Jean-Marie Wynants, die met een encyclopedische stijl genoegen neemt, doen hetzelfde voor de dans. De lezer krijgt van het theaterlandschap in België een beeld dat, zowel in het Noorden als in het Zuiden, vooral door de vernieuwingsbeweging wordt ingekleurd.

In een inventaris van de toneelschrijfkunst typeren Erwin Jans en Luc Delisse de schrijvers en hun stukken; de eerste doet dat in rustige notities, de tweede, een zelfbewuste ‘Ego Scriptor’, met een zwierige scheut sarcasme waar de buitenstaander niet veel wijzer van wordt.

De zakelijkste uiteenzettingen worden geboden door Els Baeten en Michel Jaumain. Hun onderwerp, het podiumkunstenbeleid, leent zich daartoe. In Vlaanderen is de leidraad het podiumkunstendecreet, in de Franse Gemeenschap bieden de zg. ‘contrats-programme’ een houvast.

Geert Opsomer en Anne Wibo overschouwen het terrein van de opleiding. De afdelingen Theaterwetenschap aan de Vlaamse universiteiten vormen toekomstige dramaturgen en critici, terwijl het Centre d'études théâtrales in Louvain-la-Neuve zich erop toelegt de theorie tot een werktuig voor de theaterpractici te maken. In beide gemeenschappen kunnen de theaterkunstenaars voor hun professionele opleiding aan conservatoria en theaterscholen terecht.

Acteren Vlamingen anders dan Franstaligen? Jacques de Decker stelt deze vraag en lijkt er zelf niet helemaal uit te komen. Hij schijnt niet te geloven dat de taal en de eigen cultuur hier van determinerend belang zijn. Hij beweert echter dat de Vlaamse acteur zich de jongste decennia, meer dan zijn Franstalige collega, t.o.v. de regisseurs affirmeerde, meer kansen krijgt in film en televisie, meer aanzien heeft bij het publiek en meer werkzekerheid geniet, kortom er beter aan toe is.

Het jaarboek wordt besloten met de ‘State of the Union’ die Marianne van Kerkhoven bij de opening van het Nederlands-Vlaams Theaterfestival 1994 uitsprak, een zeer persoonlijke tekst, geladen met acute vragen over de wereld waarin wij leven, met redenen tot wanhoop en tekenen van hoop.

In tegenstelling tot het Vlaams Theaterjaarboek en de Annuaire du Spectacle de la Communauté française de Belgique, die nauwelijks meer zijn dan geïllustreerde overigens nuttige repertoria, biedt deze nieuwe publicatie, naast beredeneerde informatie en kritische inzichten, even zovele schijnwerpers die vanaf dit Balkon/Balcon de Belgische scène in het volle licht zetten.

 

Jef de Roeck

Kritisch Theater Lexicon, Vlaams Theater Instituut, Brussel, 1996.
Balkon/Balcon, Podiumkunsten in België/Les arts de la scène en Belgique, eerste jaargang, nr. 1, Vlaams Theater Instituut/ La Maison du Spectacle-La Bellone, Brussel, 1996, 224 p.

prepostterug  begin  verder