terug  begin  verderprepost

Film

Hommage aan Bert Haanstra

Kleine filmlanden als Nederland en België slagen er niet zo vaak in met hun speelfilmproductie internationaal niveau te halen. Op het gebied van de documentaire film lukte dit wel. Zowel de Belgische als de Nederlandse documentaire school zijn in de filmgeschiedenis een begrip geworden. Daarvoor zorgden filmpioniers als enerzijds Charles Dekeukeleire en Henri Storck, anderzijds Joris Ivens en Bert Haanstra.

Over deze laatste verscheen naar aanleiding van 100 jaar Cinema en Haanstra's tachtigste verjaardag een studie van Jo Daems, momenteel voorzitter van de selectiecommissie van

[p. 296]



illustratie
Bert Haanstra (º1916).

het Vlaamse filmfonds. De uitgave, Teder testament, de films van Bert Haanstra. Een biografie kwam tot stand dankzij subsidie van de Vlaamse Gemeenschap en het Nederlandse Fonds voor de Film.

Daems' lijvige werk is in de eerste plaats een hommage aan zijn vriend Bert Haanstra, rond wie het inmiddels wel heel stil is geworden. Wel werd door het Nederlands Fonds van de Film n.a.v. Haanstra's verjaardag een nieuwe prijs in het leven geroepen, die voortaan om de twee jaar zal worden uitgereikt. Haanstra mocht als eerste de honderdduizend gulden (± 1.800.000 BEF) in ontvangst nemen die bij deze oeuvre-prijs hoort. De teruggelopen belangstelling voor deze filmmaker heeft veel te maken met het tijdgebonden karakter van zijn werk. Immers, terwijl Joris Ivens (1898-1989) om ideologische redenen, met name vanwege zijn marxistische ideologie veel meer internationaal was gericht, ontwikkelde Bert Haanstra (Hengelo, 1916) zich in de eerste plaats als de seismograaf van de Nederlandse samenleving van zijn tijd. Als selfmade cineast debuteerde hij met de kunstfilm De Muiderkring herleeft (1950). Voor zijn tweede film, Spiegel van Holland (1950) behaalde Haanstra al een Gouden Palm op het prestigieuze Festival van Cannes. De originele, gedurfde fotografie en vooral de verrassende, vaak ludieke montage vormden de basis waarop de cineast een succesrijke carrière zou opbouwen. Haanstra, die aanvankelijk uitsluitend in de artistieke korte film (het filmgedicht Panta Rhei van 1951) geïnteresseerd leek te zijn, kreeg in 1952 van de Koninklijke Shell-groep de opdracht om een aantal industriefilms te realiseren: The changing Earth, Search for Oil, The Oilfield en The Rival World. Meteen was hij van alle financiële problemen, die nu eenmaal de kopzorgen uitmaken van al wie met het filmmedium omgaat, verlost. Hij realiseerde voor Shell industriefilms van een bijzonder artistiek niveau en de multinational verspreidde ze in talloze kopieën over de hele wereld. Helemaal rimpelloos zou die samenwerking echter niet blijven. Toen Shell The Rival World (1955), een film over insecten bestrijding, in 1974 wilde actualiseren en hermonteren, weigerde Haanstra om ecologische redenen elke medewerking.

Hoe dan ook, in dienst van Shell had Haanstra inmiddels heel wat ervaring opgedaan en zich verder als cineast ontwikkeld. De absolute erkenning volgde in 1959, toen hij voor Glas te Los Angeles een Academy Award - de zo fel begeerde Oscar -, in ontvangst mocht nemen. Ondertussen koesterde de Nederlandse cineast ook ambities op het gebied van de lange documentaire. Met Alleman (1963) en Bij de beesten af (1972) ontving hij niet alleen talrijke internationale onderscheidingen - waaronder voor

illustratie
Bert Haanstra, ‘Bij de beesten af’ (1972).

[p. 297]

beide films een Oscarnominatie -, maar slaagde hij erin zowel de Nederlandse als de Vlaamse bioscoopzalen wekenlang te veroveren. Minder succesrijk was zijn speelfilmproductie. Slechts met Fanfare (1958) en Dokter Pulder zaait papavers (1975) wist hij het bioscooppubliek nog te boeien. De zaak M.P. (1960) en Een pak slaag (1979) bewezen echter dat de fictiefilm de bij uitstek documentaire filmer niet zo lag. In 1983 voltooide Haanstra nog het docudrama Vroeger kon je lachen, gebaseerd op verhalen en teksten van Simon Carmiggelt. Met Carmiggelt en vooral ook met Anton Koolhaas (o.m. De stem van het water, 1966) werkte de cineast trouwens vaak samen. Op het einde van zijn carrière keerde hij niet zonder succes terug tot de korte documentaire, zoals met de apenfilms Chimps onder elkaar (1984) en Monument voor een gorilla (1987).

Daems studie is samengesteld uit zes delen, telkens onderverdeeld in vier of vijf hoofdstukken, die op hun beurt nog in kleinere gedeelten opgesplitst zijn. Slechts deel I (1916-1949) is strikt biografisch, de andere delen geven de ontstaangeschiedenis, de inhoud en de receptie van elk van Haanstra's films weer. De auteur verrichtte uiteraard heel wat researchwerk en kreeg vooral veel informatie van de cineast zelf. Het resultaat is mede daardoor eerder een hommage aan ‘vriend Bert’ dan een echte wetenschappelijke studie. Dat blijkt ook uit het feit dat het overvloedige illustratiemateriaal zo goed als uitsluitend bestaat uit foto's van de cineast. In het werk komt niet één still of filmfoto voor. Het boek mist zowel een bibliografie als een register. Wel stelde Daems een degelijke filmografie samen. Wat echter vooral stoort, is de oubollige mooischrijverij. Zo overlaadt Daems zijn tekst onnodig met ontelbare citaten uit de hele wereldliteratuur. Bovendien acht hij het nodig begrippen als ‘mijlpaal’ en ‘topvoetbal’ aan de hand van Van Dale te definiëren. Vreemd is ook dat de auteur in verband met de documentaire En de zee was niet meer (1955) zelfs uitweidt over een opstelwedstrijd op Vlaamse scholen, maar in verband met Haanstra's hierboven aangehaalde conflict met zijn vroegere opdrachtgever Shell vindt dat ‘bijzonderheden hier het best achterwege kunnen blijven’ (p. 73). Kortom, voor de Vlaamse Gemeenschap en het Nederlandse Fonds voor de Film was een meer wetenschappelijke studie beter op zijn plaats geweest.

 

Wim de Poorter

jo daems, Teder testament: de films van Bert Haanstra. Een biografie, Acco Leuven/Amersfoort, 1996, 350 p.

prepostterug  begin  verder