terug  begin  verderprepost
[p. 302]

Publicaties

De talige mens

Denken en spreken. De talige mens (1996) bevat ruim twintig essays van de emeritus hoogleraar in de Algemene Taalwetenschap aan de Katholieke Universiteit van Leuven Flip G. Droste, essays die voorzover ze al eerder gepubliceerd waren, bewerkt werden voor een breed publiek. Het boek is door Davidsfonds / Clauwaert te Leuven prachtig uitgegeven.

Toen ik rond 1960 aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde studeerde, dat eerbiedwaardige M.O.-instituut dat ten offer viel aan concentratie en taakverdeling, bracht Droste me de beginselen van de moderne Nederlandse grammatica bij. Hij toonde zich een jong en enthousiast docent, die ons ondermeer vertelde dat hij het definitieve artikel over ‘Het stiefkind onder de woordsoorten: de interjectie’ (Levende talen 1961, 495-511) had geschreven, met een mengeling van zelfspot en gevoel van eigenwaarde die me wel beviel. Zo'n docent was ik bereid te lezen, maar aan zijn dissertatie Moeten. Een structureel-semantische studie uit 1956, beleefde ik weinig genoegen: lastig van inhoud en moeizaam van stijl. De jonge doctor van 28 jaar moest nog veel leren. Gelukkig werd ik hierdoor niet afgeschrikt. Ik bleef zijn studies lezen: over vertalen met de computer; over structurele en generatieve semantiek; over de relatie tussen taal en denken, culminerend in Voor de spiegel van het denken. Een taalkundige visie (Droste houdt van tweeledige titels) uit 1987. Zijn stijl werd beter en beter, vooral na zijn verhuizing naar België, eerst naar Mol, later als hoogleraar naar Leuven. De Belgische Nederlander richtte zich ook steeds vaker tot een groter publiek dan alleen van taalkundigen, in kortere en omvangrijkere publicaties, want het schrijven van monografieën schuwde hij niet. Velen hebben ongetwijfeld plezier beleefd aan Nederland en Vlaanderen. Een pamflet over grenzen uit 1993.

Wat biedt dit boek? Drie hoofdstukken, over Taal en werkelijkheid, Taal en cultuur en Taal en de kunsten, en een uitleidende verantwoording, een Terugblik, waarin de kern van wat voorafging wordt samengevat. Het accent legt Droste niet op de mens als ‘de naakte aap in al zijn erotische samengesteldheid’, zoals Morris, maar op een andere lijn, ‘de rationele lijn, waardoor het menselijk leven op een dubbelspoor gezet is. Een dubbelspoor, doordat er niet alleen geleefd wordt om de soort in stand te houden, maar ook om te ontsnappen aan de enge begrenzing van het hier en nu. De mens leeft dus in een dubbelbestaan: met de voeten op de aarde, met het hoofd in een wolk van illusie’ (pp. 337-338).

In het eerste hoofdstuk over de relatie tussen taal en werkelijkheid staan acht essays. Eerst voert de schrijver ons terug naar het verre verleden waarin de evolutie van dier naar mens plaats vond, maar een evolutie die uitliep op een fundamentele breuk: door de talige symbolisering die ons in staat stelt waarden te combineren tot nieuwe tekens, werd het dier pas echt mens. Vervolgens wordt het Nederlands geplaatst binnen de Indo-Europese taalfamilie; tevens wordt duidelijk gemaakt dat de Nederlandse taal een onvervreemdbaar deel van de Nederlandse identiteit is. Daarna verzoent Droste twee ogenschijnlijk tegengestelde standpunten over taal: taal als communicatie en taal als systeem voor uitdrukken van gedachten. ‘Het gespeelde weerbericht of kijken naar de meteroloog’ geeft een fraaie illustratie van het complexe proces van tekengeving: een teken bestaat pas als het als teken geïnterpreteerd is. Na een wat te korte verhandeling over de ontwikkeling van het schrift wordt uiteengezet dat, en hier spreekt de professor Algemene Taalwetenschap, taalwetenschap een autonome wetenschap is, met een eigen studieobject, te onderscheiden van taalkennis. De semanticus Droste legt op heldere wijze uit wat een metafoor is in ‘De beeldspraak van “beeldspraak”’. Een afsluitend essay gaat in op de houding die Vlamingen tegenover de taal van het Noorden en Nederlanders (of Hollanders?) tegenover die van het Zuiden hebben, over emoties en taal dus.

Het tweede deel, over de relatie tussen taal en cultuur, bevat ook acht essays. ‘Voor de

[p. 303]

theoloog is de mens eindpunt van Gods scheppend woord, voor de taalkundige is God eindpunt van het denken in woorden’ is de slotzin van ‘Taal en theologie’, waarin ingegaan wordt op de religieuze taal en het religieus taalgebruik. Na ‘Over wreedheid, oorlog en taalgebruik’ volgt in ‘Aber glücklich bin ich nicht’ in het voetspoor van Pierce en Quine een verhandeling over Wahlverwandtschaft: voor echt verstaan van een teken is meer nodig dan kennis van de betekenis en de context, namelijk een referentiekader, en bovenal affiniteit. In ‘De vele R's van Redelijkheid’ wordt aan de hand van het woordveld Rede, Rationaliteit, Rekenschap, Relativering en Redeneren nagegaan of naast de filosoof de taalkundige over Redelijkheid nog iets zinnigs kan zeggen. Wie de norm van een taal bepaalt, komt in ‘De spraakmakende gemeente’ aan de orde. In ‘De Big Bang, het antropisch principe en wat we zijn, wie we zijn en waarom’ wordt duidelijk gemaakt dat de evolutie niet noodzakelijk moest uitlopen op het verfijnde semiotische systeem waarover de mens beschikt, maar wel dat het vermogen tekens te kunnen combineren, moest resulteren in een uit een communicatiestelsel gegroeid denkvermogen; ‘wij zijn denkende wezens geworden die door ons denkvermogen het heelal hebben ontdekt’ (p. 223), aldus het afgezwakte antropische principe. Uit ‘Tussen Prawda en Veritatis Splendor, of: wat is dat nu toch, Waarheid?’ wordt duidelijk dat het logische waarheidsgehalte van een uitspraak geen onmiddellijk verband heeft met het alledaagse gebruik van het woord waarheid. Het hoofdstuk besluit met ‘De geheimtaal der verkeersborden’.

Het derde hoofdstuk over de relatie van taal en de kunsten bevat vijf essays. Misverstanden die ontstaan door verschuivingen in tekens, begrippen dan wel objecten (de drie aspecten van ‘betekenis’) worden behandeld in ‘De valkuil van het lexicon’. ‘De onderhuidse intimiteit van kunst en wetenschap’ volgt uit de natuurlijke logica binnen de taal. ‘Het werkelijkheidsgehalte van literatuur’ en ‘De naar binnen gekeerde blik van het lezend oog’ scheppen een wereld in woorden. Na het begrip ‘Dilettantisme in kunst en wetenschap’ geanalyseerd te hebben, verzucht de auteur: ‘Waar liefhebberij uit kunsten en wetenschap gebannen zijn, wordt de wetenschap tot betweterij en de kunst tot vaardigheid’. ‘Constanten en variabelen in de retoriek’ behandelt een van de noodzakelijke poten in de driehoek retorica, grammatica en logica.

Prikkelend geschreven, getuigend van een grote eruditie van de auteur, getuigend ook van diens eclecticisme, is dit boek over de zingeving van het menselijk bestaan door het vermogen tekens te combineren tot nieuwe, dus het taalvermogen, het waard in gedachten te worden gehouden als geschenken gekocht moeten worden.

 

Jan W. de Vries

flip droste, Denken en Spreken. De Talige Mens, Davidsfonds/Clauwaert, Leuven, 1996, 344 p.

prepostterug  begin  verder