terug  begin  verderprepost

De tuin van Akademos

Toen de Vrije Universiteit Brussel in 1969 haar feitelijke autonomie verwierf, geloofden weinigen in de slaagkansen van deze onderneming. Vandaag is de VUB de volwaardige instelling die de stichters voor ogen stond, zij is kwantitatief gezien de derde universitaire instelling in Vlaanderen, na Leuven en Gent, een middelgrote universiteit in volle expansie, zoals de studentenaantallen van de laatste jaren bewijzen, en niet te vergeten de grootste Vlaamse werkgever in Brussel. Het ontstaan van de VUB en diverse facetten van haar werkwijze sedertdien worden uitvoerig beschreven en geanalyseerd in een boek dat verscheen naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de toekenning van de rechtspersoonlijkheid in 1970. Het is een zeer geslaagde publicatie, die veel meer biedt dan het klassieke gedenkboek.

De VUB verwierf de rechtspersoonlijkheid krachtens de wet van 28 mei 1970, die tegelijk de splitsing van de Leuvense en de Brusselse universiteit regelde. Deze maatregel werd gevolgd door de wet van 16 juli 1970 betreffende de financiering van de universitaire investeringen. Die tweede wet bekrachtigde het CVP-BSP-compromis inzake de miljardenkredieten voor de installatie van de UCL, resp. VUB. In de wet van 27 juli 1971 op de financiering van de universiteiten, tenslotte, verkreeg de VUB een gewaarborgde financiering als ‘basisuniversiteit’, d.w.z. voor een fictief aantal van 5.000 studenten. Deze regelingen waren voor de jonge VUB zonder twijfel voordelig. Zij waren o.a. te danken aan de toenmalige minister van Nationale Opvoeding, Piet Vermeylen, zelf een alumnus van de Vrije Universiteit en in 1955 een van de medestichters van de Vereniging voor Nederlands Vrijzinnig Hoger Onderwijs, wat ere-regeringscommissaris Anita Van der Speeten de opmerking deed maken: ‘Nooit zal een minister zoveel en zulke belangrijke maatregelen ten gunste van de VUB hebben getroffen’ (p. 368).

[p. 308]

In de gangbare opvatting wordt de VUB in het licht van de hoger vermelde regelingen wel eens voorgesteld als ‘weinig meer dan een gevolg van de splitsing van de Leuvense Alma Mater: de dure oprichting van een nieuwe katholieke universiteit in Wallonië zou aldus zijn gecompenseerd door de Vlaamse vrijzinnigen ook een eigen universiteit te geven’ (p. 23). Rector Witte stelt het kortaat anders in haar voorwoord: De VUB kreeg haar zelfstandigheid niet in de schoot geworpen, maar moest, zoals de mythische Tuin van Akademos, haar bestaansrecht afdwingen van een vijandige omgeving, waartoe niet alleen een verouderd academisch establishment, de katholieke wereld, behoorde, maar ook de Franstaligen in Brussel en in het bijzonder in de ULB zelf.

In het knappe stuk dat onderwijshistoricus Tyssens aan de ontstaansgeschiedenis van de VUB wijdt - en dat ongeveer een vierde van het boek beslaat - wordt overtuigend aangetoond dat de gangbare opvatting inderdaad een simpele voorstelling van zaken is. De essentiële vraag, aldus de auteur, heeft betrekking op de ‘wisselwerking tussen, enerzijds, de nieuwe maatschappelijke dynamiek die zich rond de universiteiten kristalliseerde - een dynamiek die einde jaren zestig op zovele plaatsen, Brussel inclusief, tot ware en in dit geval zelfs decisieve explosies zou leiden - en anderzijds de klassieke spanningsvelden van het Belgische politieke systeem, dit is in eerste instantie natuurlijk de taalproblematiek, maar daarnaast zeker ook de levensbeschouwelijke breuklijn - die geacht werd na 1958 “gepacificeerd” te zijn’ (p. 24).

De oprichting van de VUB was het resultaat van een beweging die omstreeks 1955 van start ging en gesitueerd moet worden tegen de achtergrond van de krachtige expansie van het onderwijs, zowel middelbaar als universitair; daarin was ook een inhaalbeweging van voorheen achtergestelde groepen - zoals de Vlamingen - merkbaar.

Uiteraard speelden de concurrentie met het katholieke onderwijs in het algemeen, en de universiteit van Leuven in het bijzonder, een stimulerende rol. De behoefte aan meer Nederlandstalige leerkrachten voor het middelbaar rijksonderwijs in de late jaren vijftig en het dossier van de universitaire spreiding in de vroege jaren zestig dwongen de vrijzinnigen in Vlaanderen eerst tot de versnelde creatie van Vlaamse leergangen aan de ULB en vervolgens tot de profilering ervan tot een volwaardige universitaire instelling. De motor en de spil van deze beweging was de Vereniging voor Nederlands Vrijzinnig Hoger Onderwijs (VNVHO), opgericht in 1955.

Bij deze Vlaamse vrijzinnigen won de overtuiging veld dat de Nederlandstalige leergangen aan de ULB pas toekomstkansen hadden indien zij over een eigen gezicht en voldoende autonomie, ook inzake onderzoek, zouden beschikken. Met name deze eisen stonden centraal toen de Brusselse afdeling van de Vlaamse Vereniging van Professoren (VVP) met Aloïs Gerlo, toekomstig eerste rector van de VUB, zich vanaf 1964 ging profileren. Deze eisen botsten met de visie van de Academische Overheid, die de ULB beschouwde als een Franstalige universiteit met Vlaamse leergangen. Van een echte en volledige tweetaligheid, laat staan tweeledigheid, kon dus geen sprake zijn. Vandaar de improvisatie, het geringe enthousiasme en zelfs de tegenwerking waarmee de verdubbeling aan de ULB tussen 1955 en 1967 tot stand kwam.

De houding van de Academische Overheid is bijzonder vreemd, want in de financieringswet van 1960, en nog uitdrukkelijker in die van 1965, werd de forse verhoging van de overheidssubsidies aan de vrije universiteiten van Leuven en Brussel verantwoord met verwijzing naar de taalkundige verdubbeling van de leergangen. Vandaag staat men versteld over het feit dat de ULB-overheid erin slaagde haar aandeel in de staatstoelagen op te drijven op basis van een taalkundige tweeledigheid, die in de realiteit niet bestond en trouwens door haar stelselmatig werd afgewezen. Boerenbedrog zou men dit kunnen noemen, maar dat was in een decennium waarin de overheid zich weinig of geen budgettaire restricties hoefde op te leggen, kennelijk geen punt. Overigens deed juist de wet van 1965 de ULB de das om. ‘De relatief gunstige financiële bepalingen droegen uiteindelijk bij tot de vergiftiging van de atmosfeer, tot het steeds moeilijker worden van de onderlinge verhoudingen aan de vooravond van de mei-revolte, die de eerste stap naar een echt ingrijpende herstructurering zou betekenen’ (p. 25). De Vlamingen aan de ULB eisten hun rechtmatig aandeel van de staatstoelagen en bijgevolg financiële transparantie, maar botsten voortdurend op een hautain afwijzen

[p. 309]

van de rector en de Academische Overheid. In Brussel speelde de ontoegankelijke en elitaire raad van bestuur blijkbaar dezelfde rol als de bisschoppen in Leuven. Op dit punt kruiste de problematiek van de vernederlandsing de spanningen die de relatieve democratisering van het afgelopen decennium in het verouderde academische bestel had opgeroepen. De ‘vermolmde raad van bestuur van de ULB’ bleek niet bestand tegen de golf van contestatie; door de verhevigde communautaire tegenstelling als gevolg van het Leuvense dossier bleek ook in Brussel de optie voor een autonome Vlaamse universiteit in 1968-1969 de enige realistische oplossing.

‘Product van de vrijzinnigheid en van de democratisering; geboren uit de contestatie; een jong academisch korps dat bij de “nieuwe sociale bewegingen” nauw aansloot: er zijn meerdere redenen die kunnen doen begrijpen waarom de nieuwe Brusselse universiteit creatief was bij het in praktijk brengen van originele, moderne ideeën bij de uitbouw van haar onderwijs, haar onderzoek, haar geneeskunde en haar bestuur’, aldus rector Witte in haar voorwoord (p. 16). Dat de VUB sedert 1969 een eigen plaats heeft verworven in het universitaire landschap en daarin eigen accenten heeft weten te leggen, wordt duidelijk gemaakt in de dertien bijdragen van het boek. Zij handelen over de studenten, het academisch personeel, het onderwijs en het onderzoek, de campussen, het academisch ziekenhuis en de bibliotheek, de juridische omgeving, de sociale en culturele werkzaamheden. In deze artikelen brengen wetenschappers de resultaten van hun onderzoek, of leest men het getuigenis van enkele hoofdrolspelers. De meeste stukken zijn van hoge kwaliteit; zij vormen samen een uitermate rijk boek, dat in de toekomst als referentiewerk zal blijven dienen. Sommige bijdragen kunnen zonder meer als verplichte lectuur voor universitaire beleidsmakers beschouwd worden.

 

E. Gerard

e. witte en j. tyssen, De tuin van Akademos. Studies naar aanleiding van de 25ste verjaardag van de Vrije Universiteit Brussel, VUB Press, Brussel, 462 p.

prepostterug  begin  verder