Toekomstige generaties historici zullen zich ongetwijfeld afvragen hoe hun laat-twintigste eeuwse collegae het verleden hebben beschreven, zeker ook het Nederlandse succes in de zeventiende eeuw. Gestalten van de Gouden Eeuw zal hierbij een dankbare bron zijn, want de redactie van deze bundel geeft hen al in één woord een antwoord: ‘Nuchter’. Het is uiteraard afwachten in hoeverre zij dit oordeel zullen overnemen. Buitendien valt te verwachten dat men later zal ingaan op de bundel als veelvuldig gehanteerde publicatievorm in onze tijd. Het rijk geschakeerde verleden proberen wij immers steeds vaker te presenteren via een collectief van deskundigen, die in hun specialisme proberen de kennisgrenzen te verleggen. Een goede redactie zorgt voor samenhang en weet onvermijdelijke omissies weg te poetsen. In de zeventiende eeuw lag dat nog anders, aldus K. van Berkel, die in onderhavige bundel schrijft over ‘de geleerde’ van toen. Die was veeleer individueel bezig met het ‘bewaren, verfijnen en zuiveren van de bestaande kennis’. Wat biedt deze bundel en welk aspect overheerst?
In elf collectieve portretten proberen evenveel schrijvers het zeventiende eeuwse Holland - vaak als pars pro toto voor de gehele Republiek - tot leven te brengen. Zij doen dit door de materiële bestaanswijze van een beroepsgroep of sociaal type te beschrijven. Zo komen macht en zwakte, rijkdom en armoede, geluk en pech, begaafdheid of handigheid et cetera aan de orde. Naarmate men verder leest wordt het beeld van de Gouden Eeuw inzichtelijker, mede doordat elk artikel een ruim kader verstrekt. Zo weet de inleider van het boek, A. Th. van Deursen, te rechtvaardigen dat een hoofdstuk over een nijverheidstak ontbreekt. Dan nog zal iedere recensent met gemak een aantal reële hiaten kunnen aanwijzen. H. van Nierop wees bijvoorbeeld in NRC Handelsblad (16 maart 1996) op het ontbreken van minderheden. Hierdoor maakt de bundel als geheel, ofschoon het gepresenteerde in eigentijdse jas is gestoken, inderdaad een traditionele indruk. Maar hij is bestemd voor een breed publiek - geen noten, alleen een bibliografie per artikel - en dat wordt wat betreft de geselecteerde onderwerpen in ieder geval goed bediend.
De Brit J.L. Price opent met een stuk over de regentenstand. Hierin worstelt hij nogal met de groepsafbakening, want wat te doen met topambtenaren die uit regentenfamilies
werden gerecruteerd? Zo rekent Price raadpensionaris Johan de Witt op basis van diens Dordtse milieu wel tot de regenten, maar opvolger Gaspar Fagel - wiens naam storend genoeg niet wordt genoemd - minder. Fagels verwanten zouden uit een familie van ambtsdragers afkomstig zijn. Geheel juist is dit niet. Ook komt hij in de knoei door bij voorkeur de groep te beperken tot de autoriteiten in Hollands stemhebbende steden. Het problematiseren levert niettemin nuttige conclusies op, ook over gedrag en waardering van de regentenfamilies.
Het belang van de familie in de vroegmoderne tijd blijkt uit meer artikelen, vooral uit de tekst van L. Kooijmans over de naar zekerheid strevende kooplieden. Dit opstel leert ons aan de hand van succesverhalen en mislukkingen veel over ondernemersfuncties en risico's van het vak, dat altijd nog ingewisseld kon worden voor een politieke loopbaan en vice versa. Het betrof immers dezelfde sociale laag.
Van de handel is het een kleine stap naar het voor de Republiek even belangrijke zeewezen, waarover C.A. Davids schrijft. Na een originele introductie over de zeevaart in de cultuur en een noodzakelijk stukje expansiegeschiedenis komt de auteur bij het immer tot de verbeelding sprekende leven van de zeeman. Deze mocht in veel situaties slechts steun verwachten van God, maar kende zelfs al enige sociale voorzieningen, een thema dat logischerwijze ook in L. Noordegraafs bijdrage over ‘de arme’ naar voren komt. Davids verstrekt regelmatig interessante cijfers, bijvoorbeeld over de werkgelegenheid, maar hij relateert deze te weinig aan algemene demografische gegevens. Het geschatte inwonertal van Holland staat bijvoorbeeld pas in het achtste artikel van E.M. Kloek. Zij behandelt de Hollandse vrouw, die in de ogen van vreemdelingen een zelfstandige indruk maakte. Kloek nuanceert dit ene clichébeeld treffend door het leven van diverse vrouwen op verschillende plaatsen in de samenleving te beschouwen. Evenzo weet de Amerikaan Jan de Vries de diversiteit in het Nederlandse boerenbestaan te expliciteren. Specialisatie, landwinning, scholing en verfijning van de materiële cultuur zijn slechts enkele steekwoorden die het leven van de agrarische ondernemers typeren. Het door Van Deursen in de introductie aangeroerde verband tussen landbouw en handel komt helaas iets te weinig uit de verf.
Maakte het opstel over de koopman de invloed van de Zuid-Nederlandse immigranten al duidelijk, Van Deursen, Van Berkel en Van de Wetering doen dit opnieuw in hun stukken over ‘de dominee’, ‘de geleerde’ en ‘de schilder’. Eerstgenoemde behandelt de spanningen tussen kerk en staat uitermate boeiend en brengt de lezer na de hoogleraren Arminius en Gomarus opnieuw via de predikantenopleiding bij de universiteit. Van Berkel betoogt dat deze instelling, waarbinnen het humanistische geleerdenideaal nog werd nagestreefd, niet het patent had op wetenschappelijke prestaties. Vooral de vernieuwende ‘vernuftelingen’, zoals de ingenieurs door P.C. Hooft werden genoemd, opereerden ernaast. Sommigen verkeerden voor militaire vernieuwing in de kringen van de stadhouders - en neven! - Maurits en Willem Lodewijk. Deze internationaal nagevolgde hervormingen worden elders in de bundel belicht door H.L. Zwitzer in diens artikel over ‘de soldaat’. In zijn samenvatting veegt deze de vloer aan met hoogdravende noties van Johan Huizinga over het volkskarakter, een fraai voorbeeld van nuchterheid.
De schilders en schrijvers representeren de kunsten. E. van de Wetering schrijft over de ‘explosief’ groeiende bedrijfstak van de Hollandse schilderkunst, die zoals bekend uitzonderlijk was voor Europa. Veel aandacht schenkt hij aan de opleiding van jonge schilders en de rol van het gilde. E.K. Grootes' slotartikel, ‘de literator’, fungeert tevens als afsluiting. Na een algemene introductie komen de tien voorgaande gestalten nog eens voorbij, maar nu met de vraag welke schrijvers in hun midden aanwezig waren. De auteur beseft de beperktheid van deze benadering en relativeert hiermee nog eens de gemaakte selectie. Desondanks is deze bundel een waardevol doorgeefluik naar de volgende generaties, gezien de mix van zowel bestaande kennis als hedendaagse vragen en hypotheses.
Joop W. Koopmans
| h.m. beliën, a. th. van deursen en g.j. van setten (red.), Gestalten van de Gouden Eeuw. Een Hollands groepsportret, Bert Bakker, Amsterdam, 421 p. |