terug  begin  verderprepost

[Gedichten]

Jacques Hamelink

85 Neher tamid
 
Op een schitterende spindradige
 
Augustus-ochtend, een vrijdag
 
van het eeuwig licht op de plek
 
Diemen in de heilsgeschiedenis, waar de chassied
 
Rembrandt zich het geheim leerde, oerdaadkracht
 
van díe passie, hebben je moeder
 
en ik je gemis aan gewicht tussen ons in
 
gedragen, in de tuin gelegd.
 
 
 
En om je heen in een kring
 
kwamen, jou eersteling tot grafbeeld, stille
 
mensen staan, je eerste geliefden, onder wie
 
drie jonge gracieuze vrouwen, zeven lichte deze zomer
 
levenden die elkaar hun handen gaven, te kort
 
voor het gebed van je grootmoeder (zwart, niet
 
meer maar lieflijk, uit Scheba) aan de Erbarmer,
 
die de inschrijving niet vergeet
 
in het boek.
 
 
 
De meegenomen rozeblaadjes
 
hebben we toen verstrooid samen
 
over je grafstilheid bij de populieren,
 
je harpenaars, en zijn weggegaan, ik,
 
met haar geruisstil naast me, verbaasd
 
vader van maar zo'n kleine woordloze
 
dode, van een Asael te zijn geworden

Uit: Sacrale komedie.

[p. 359]

Jacques Hamelink

Hoorn van overvloed
 
Het begint zoals het begon, hier,
 
met de reine weersgesteldheden,
 
het niet te kerstenen weer. We
 
hadden een heel zacht voorjaar.
 
Het bloesembestand glorificeerde
 
maar en daaruit kwam voort. A
 
poor poet in besmeurde kleren ook
 
rottenführer in allerijl breek ik
 
achter in de hof voorbije week
 
dan de Doyennés de Comice van hun
 
nog net ongebroken treurtakken, vul
 
de meegebrachte wasmand en zie mij
 
overvallen, aartslelijk, door rauwe
 
aarde-oude furor tot inlijven.
 
Redenerend tussen twee beten door
 
voor de grap tegen de doodgeboren
 
eersteling van mijn zaadsoort, mijn
 
in de groendiepe Octoberwereld zijn
 
pijl en boog wegleggende zoon, hem
 
de kampioenspeer aanreikend, ‘cadeau
 
van haar: aanbiddelijke. Nu, Asael,
 
gaan we ons doodvreten.’

Uit: Folklore Imaginaire de Flandre.

[p. 360]

Jacques Hamelink

Asael in de Leeuw
 
Hartsterkte zowel als hertesnelheid
 
gingen in de wapenloop grof verloren.
 
Een lichte gemankeerde held bleef je,
 
een dood van de baarmoeder uitgeperste
 
om zo te zeggen, teruggebracht tot wat
 
doorzonken woordbladgoud, de weinige
 
aan je gewijde versregels, pijnlelies,
 
in het tweede boek Samuel. Zo'n inderhaast
 
zoals voor Absalon opgeworpen steenhoop
 
daar niet vernoemd.
 
Jongens als jij
 
altijd toch ook omringende zielsliefde,
 
tedere scherpte, die van Jonathan en zijn
 
broeder, heeft je overgered in de Lingua Coeli.
 
Een in de slinger je afsplitsende vuursteen
 
versnel je voor de Grote Beer uit aan de spits
 
van het sterrenbeeld Leeuw onder
 
de eerste dertig, mijn welp
 
jouw naam hebbend.

Uk: Folklore Imaginaire de Flandre.

[p. 361]
Charade
 
Het liefdespaar dat
 
door de scherpe wind
 
naar een gestorvene gaat
 
 
 
worde altoos van drie
 
wijze vrouwen zijn weg
 
verklaard en aan het eind
 
 
 
volbrengen we, mijn
 
te klein ergenszijnde
 
catcher, het geschenk
 
 
 
ik werper van nog deels
 
violette rozeblaadjes
 
de heilige van naam
 
 
 
om je lichtkaars
 
aarde ophopend
 
met lichte hand.

Uit: Boheems glas.

prepostterug  begin  verder