Ons Erfdeel. Jaargang 40


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 40. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonkveer 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 777]

Taal- en cultuurpolitiek

Dertiende Colloquium Neerlandicum: Tweehonderd jaar Neerlandistiek (1797-1997)

De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) belegt om de drie jaar een congres van neerlandici die doceren aan buitenlandse universiteiten, tegenwoordig niet minder dan 220 in ruim 40 landen. Deze colloquia bieden een uniek forum voor de uitwisseling van kennis en informatie, voor wetenschappelijke discussie, voor het leggen van contacten en het ontwikkelen van initiatieven, plannen en praktische afspraken tussen binnen- en buitenlandse neerlandici. Dit jaar was er weer zo'n colloquium en daarvoor kwamen in de laatste week van augustus een kleine 300 neerlandici uit de hele wereld bijeen in Leiden (24-30 augustus 1997).

Bij de opening gaf mr. A.J. te Veldhuis, voorzitter van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie, een heldere toelichting op het Taaluniebeleid, terwijl zijn commissie daarover tijdens het congres ook daadwerkelijk in gesprek ging met de docenten uit het veld. Frits van Oostrom schetste vervolgens in zijn openingslezing aan de hand van de Lanceloet-studie de ontwikkeling van de medioneerlandistiek tot het springlevende en dynamische vakgebied dat het tegenwoordig is.

Op de eerste twee dagen van het program stonden de kerndisciplines van de neerlandistiek centraal: maandag de Letterkunde, dinsdag de Taalkunde. In beide gevallen werden 's ochtends plenaire lezingen gehouden door intramurale neerlandici, 's middags gevolgd door werkgroepen met een meer extramuraal karakter. Zo werd op dinsdagochtend de problematiek van de Woordvolgorde in het Nederlands behandeld door Theo Janssen en Walter Haeseryn, redacteur van de ANS; in de middagsectie voor het Engelse taalgebied gevolgd door inleidingen van Bob Kirsner (Los Angeles), Roel Vismans (Hull) en Tom Shannon (Berkeley). Dit leidde tot zeer levendige discussies over de verschillen tussen enerzijds het leren van de Nederlandse taal en anderzijds de wetenschappelijk-taalkundige analyse ervan. Duidelijk werden hierbij de behoeften gesignaleerd van buitenlandse docenten op het gebied van didactiek, leerpsychologie en effectieve werkvormen voor de taalverwerving. Ook bij de Letterkunde-discussies op maandag was deze typisch extramurale taalverwervingsproblematiek al sterk naar voren gekomen.

Op woensdag 27 augustus waren de deelnemers te gast bij de herdenking van het tweehonderdjarig bestaan van de neerlandistiek in Leiden. Zelden zullen er zoveel binnen- en buitenlandse neerlandici tegelijk in een ruimte bij elkaar zijn geweest als tijdens deze academische zitting in de Hooglandse Kerk, in aanwezigheid van Prins Willem Alexander. De benoeming in 1797 van Matthijs Siegenbeek tot eerste hoogleraar in de Vaderlandse Welsprekendheid bleek direct te maken te hebben gehad met de opvattingen over taal en democratie van het Staatsbestuur van de Bataafse Republiek. Dit leidde vanzelf tot de vraag: Waarom en waartoe dient de neerlandistiek? Dat deze vraag voor ons nu, op de drempel van de eenentwintigste eeuw, niet minder belangrijk is dan toen, maakte Wim Gerritsen duidelijk in een stimulerende inleiding over de maatschappelijke functie van de neerlandicus in de multiculturele, hooggëinformatiseerde en voortdurend internationaler wordende Nederlandse samenleving van tegenwoordig. Deze inleiding werd gevolgd door drie informatieve lezingen over de geschiedenis van de centrale onderdelen van de Leidse neerlandistiek, taalkunde, letterkunde en taalbeheersing. De lezingen verschijnen in de bundel Eene bedenkelijke nieuwigheid. Twee eeuwen neerlandistiek onder redactie van Jan de Vries bij uitgeverij Verloren.

De toekomst van de neerlandistiek kwam aan de orde in het afsluitende forum. A.M. Musschoot wees hier op het belang van de bestudering van de Nederlandse taal, literatuur en cultuur in context, en schetste in dit verband zeer helder een toekomstperspectief van interdisciplinaire samenwerking. Daar-

[p. 778]

naast werd door diverse extramurale sprekers een aspect benadrukt dat in de drie lezingen nogal ontbroken had, namelijk het belang van samenwerking met Vlaamse en extramurale collega's. Dit punt lijkt ook het overwegen waard voor de initiatiefnemers van de nieuwe Raad voor de Neerlandistiek, die althans in eerste aanzet een wel erg exclusief-Nederlands karakter heeft.

Op donderdag, de meest extramurale dag van het congres, was de ochtendzitting gewijd aan het Nederlands als bronnentaal. Een belangrijk probleem, dat niet toevallig werd ingeleid door sprekers uit Jakarta, waar in het Nationaal Archief nog zo'n dertien kilometer aan Nederlandse documenten op ontsluiting en bestudering wacht. In de inleidingen van Bert Paasman, Hans Groot en Herman Poelman werden verschillende aspecten belicht van het specifieke leesonderwijs dat nodig is voor de studie van Nederlandse documenten en archieven. Daarna gaf Sugeng Riyanto een demonstratie van de nieuwe leescursus Nederlands die Indonesische neerlandici ontwikkeld hebben voor de rechtenstudenten aan wie zij les geven. In de geanimeerde forumdiscussie bleek duidelijk hoe deze bronnentaalproblematiek ook in andere landen dan Indonesië speelt, bij disciplines die vallen buiten de neerlandistiek in engere zin, zoals koloniale geschiedenis, Oosterse studiën en (kunst)geschiedenis. Ik vond dit een van de beste sessies van het congres.

Op donderdagmiddag vond de Vrije Markt plaats, met niet minder dan acht parallel verlopende thematische secties over o.a. lexicografie, literatuur, taalverwerving, taalkunde en cultuurstudie. Hier deden de extramurale neerlandici verslag van hun lopend onderzoek, in een vijftigtal lezingen, variërend van Gerrit Kouwenaar en de gerontologie en De positie van het Nederlands in Suriname tot en met Intertekstualiteit bij Multatuli en Cultuurgebonden leerstijl en leerplanontwikkeling.

Het IVN-congres fungeert daarnaast ook altijd als een belangrijke markt voor nieuwe informatie. Er lag een aankondiging van de geheel herziene tweede druk van de ANS die dit najaar verschijnt. Er waren demonstraties van Nedercom Eduware, educatieve software voor Nederlands als tweede taal. Er was informatie over een negendelige radioserie op cassette over de geschiedenis van het Nederlands; over Literatuur in klank en beeld, de nieuwe bibliografie van audiovisuele en digitale ondersteuningsmiddelen voor het literatuuronderwijs Nederlands, die mede op initiatief van de IVN tot stand kwam; en over de mogelijkheid - die naar ik hoop spoedig werkelijkheid zal worden - om buitenlandse neerlandici via het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten (NIWI) toegang te bieden tot de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Letterkunde (BNTL) op het internet. Uit de buitenwereld was er informatie over het mobiliteitsprogramma van de universiteit van Hull, Small is Beautiful, dat moet leiden tot de ontwikkeling van een multimediapakket voor extramurale neerlandici; verder de nieuwsbrief van Comenius, de vereniging voor neerlandici in Midden- en Oost-Europa; bericht over nieuwe verenigingen voor neerlandistiek in Groot-Brittannië en in Azië; en aankondigingen van congressen: over ‘History in Dutch Studies’ in Madison, Wisconsin in mei 1998 en over ‘Fin de Millennium’ in Kaapstad in juli 1998. Heel belangrijk tenslotte was de informatieve presentatie van het nieuwe Steunpunt Nederlands als Vreemde Taal aan de Universiteit van Amsterdam, dat voor de ondersteuning, opbouw en samenwerking op het gebied van de internationale neerlandistiek van grote betekenis kan worden.

Op vrijdag bracht de ledenvergadering het afscheid van Theo Janssen, die na zes jaar voortreffelijke dienst als IVN-voorzitter werd opgevolgd door Hugo Brems uit Leuven. Daarna volgde een onderhoudende lezing (met film) van Anton Korteweg over het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. 's Middags vormde een Stadswandeling langs onder andere de muurgedichten in Leiden een mooie afsluiting van het culturele programma, dat op maandagavond was begonnen met een lezing over poëzie en vertalen door de dichter Rutger Kopland, gevolgd door een voordracht van de Beatrijs door Tine Ruysschaert op dinsdag en een avond met Oudere en Moderne Literatuur in de Pieterskerk op woensdag. Alles vlekkeloos georganiseerd door het efficiënte congresbureau onder leiding van Marja Kristel, directeur van de IVN.

Het congres als geheel had aldus een boeiend en zeer gevarieerd programma. Anders

[p. 779]

dan in Antwerpen in 1994 was er deze keer echter geen centraal, overkoepelend en samenbindend thema zoals ‘Nederlands in Culturele Context’. De binnen- en buitenlandse neerlandistiek bleven daardoor nogal eens los naast elkaar staan. Dit moet en kan beter. Voor het volgende congres, in Leuven in 2000, lijkt het me daarom goed een centraal thema te kiezen dat direct relevant is voor de extramurale neerlandistiek, zoals bijvoorbeeld de problematiek van de taalverwerving, het vertalen of het cultureel contact. Daarbij zouden dan ook, meer dan nu het geval was, plenaire sprekers van buiten het Nederlandse taalgebied gezocht moeten worden. Want daar zit kwaliteit genoeg. Deze koers, die reeds met succes is ingeslagen in het IVN-tijdschrift Neerlandica Extra Muros, lijkt mij essentieel als we de wetenschappelijke dialoog en inhoudelijke samenwerking tussen de binnen- en buitenlandse neerlandistiek willen bevorderen.

 

Reinier Salverda

 

Een aantal personen - onder wie Ben Groen, Gerdie Quist, Jan de Vries en Johan Snapper - hebben mij zeer geholpen met nuttige informatie over onderdelen van het congres, waarvoor ik hen graag dank zeg.