Peter Wesly
werd geboren in 1936 in Maastricht. Studeerde wis- en natuurkunde en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en piano aan het Sweelinckconservatorium. Publiceerde naast diverse artikelen ook ‘Elementaire wetenschapsleer’ (1982).
Adres: Frans van Mierisstraat 137bis,
NL-1071 RR Amsterdam
Schrijvers zo lezenswaardig als Karel van het Reve moet je in het Nederlandse taalgebied met een lantaarntje zoeken. Zijn geheim, gemakkelijker verklapt dan nagevolgd, is dat elke bladzijde zijn nogal markante persoonlijkheid toont. Of hij nu schrijft over de evolutieleer of over zwemmen bij eb, over de slechtheid van God of over Elsschot, in iedere alinea is hij persoonlijk aanwezig. Eigenlijk is Van het Reve dus een heel geëngageerd schrijver. Hij is dat niet in de zin dat wat hij schrijft ooit ondergeschikt is aan een maatschappelijk of ander geloofspunt - integendeel, de vaak zo gedecideerde opinies van deze ‘freischwebende Intelligenz’ zijn altijd die van hemzelf. Overgenomen opinies, ook wel ‘idées reçues’ genaamd, zijn hem slechts een bron van vermaak. Wat echter Van het Reve tot een memorabel schrijver maakt is niet zijn keuze van onderwerpen maar zijn onverwisselbare stijl, uiterst aantrekkelijk door de alomtegenwoordige (een enkele maal misschien wat melige) ironie en de volstrekte helderheid. Op saaiheid is Van het Reve nooit betrapt.
De zaken die de pen van Karel van het Reve in beweging zetten - ook dat maakt zijn schrijfsels zo persoonlijk - hebben veel met zijn eigen leven te maken. Als telg uit een fervent-communistisch gezin heeft hij talloze boeken en stukken over het communisme geschreven. Als literatuurliefhebber en professioneel slavist is hij meer dan hem lief was in aanraking gekomen met de academische beoefening van de literatuurwetenschap. De reactie daarop vormt een tweede hoofdmoot in zijn geschriften.
Naast Van het Reve's grote stilistische vermogens en zijn geestigheid is er nog iets dat alles wat hij heeft geschreven zo leesbaar maakt: zijn vermogen tot het stellen van prikkelende vragen. Vragen die, eenmaal opgeworpen, heel voor de hand lijken te liggen, maar die je jezelf toch nog nooit had gesteld. Bladerend in zijn vele boeken komt men daar talloze voorbeelden van tegen.
In Uren met Henk Broekhuis, een bundeling van in 1977/78 gepubliceerde columns, vraagt hij zich af hoe her toch komt dat we in de schouwburg tevreden zijn wanneer de plotselinge rijkdom van de held wordt gemotiveerd door de dood van een suikeroom, ook al wordt die dood zelf niet gemotiveerd. Als dit laatste niet stoort, waarom zouden we dan ook niet tevreden kunnen zijn met een onverklaarde plotselinge rijkdom? Dat is eigenlijk even absurd als de theorie (Henk Broekhuis zwijgt over de oorsprong ervan, maar er wordt gefluisterd dat zij stamt van prof. dr. K. van het Reve) dat de aarde rust op drie walvissen. Zulke theorieën zijn vaak geloofd, maar als je niet wordt geplaagd door de vraag waarop die walvissen weer rusten, waarom dan wel door de vraag waarop de aarde rust?
Let wel, voor de verandering bespot Van het Reve hier niemand, hij signaleert alleen maar dat we in het dagelijks leven en bij de consumptie van literatuur deze neiging hebben om ongemotiveerde gebeurtenissen af te wijzen en tevreden te zijn als de verteller één stapje in de oorzakelijke keten teruggaat, hoewel de aangevoerde oorzaak dan toch ook weer een onverklaard feit is. Van het Reve stelt de vraag maar geeft geen antwoord. Hoewel hij net als iedereen naar antwoorden zoekt, interesseren de vragen hem meer. Het verschil tussen Van het Reve en bijna iedereen is dat een antwoord geen eindpunt voor hem is maar een aanleiding tot nieuwe vragen. Daarbij is hij minder goedgelovig dan bijna iedereen. Een antwoord dat de meeste mensen bevredigt omdat ze blij zijn dat de vraag - altijd toch wat verontrustend - onschadelijk is gemaakt (‘De mensheid, lijkt het wel, duldt eigenlijk geen vraag zonder antwoord’ constateert Van het Reve zelf(1)), kan bij Van het Reve rekenen op kritische inspectie.
Al is Van het Reve dan meer een vrager dan een steller, hij houdt er ook een aantal stevige opinies, vluchtig gelanceerde mini-theorieën (soms ‘vermoedens’ genoemd) en zelfs enkele min of meer volwassen theorieën op na. Deze bedenksels zijn soms plausibel, soms onaanvaardbaar, maar altijd verfrissend en vernuftig. Een interessant voorbeeld is zijn theorie over de esthetische ervaring, in vier dialogen uiteengezet.(2) Deze theorie komt erop neer dat elke esthetische ervaring berust op een alsof. Je ziet een kundig geschilderde stier, je weet dat het een stier van verf en linnen is en niet van vlees en bloed, maar tegelijk is het toch alsof je een echte stier ziet. Een stuk muziek lijkt je iets te willen vertellen, zoals ook de blomme een tale lijkt te spreken, en het esthetische moment (om een term te gebruiken die Van het Reve alleen met het pistool op de borst uit zijn keel zou krijgen) schuilt daarin dat je tegelijk je aan deze illusie overgeeft en weet dat het een illusie is.
De vraag is nu: komt Van het Reve met deze theorie dichter bij zijn doel, de beantwoording van de vraag hoe het komt dat Een vervelende geschiedenis
van Tsjechov of Bachs vioolpartita in d zo indrukwekkend is? Ik geloof niet dat we daar dankzij Van het Reve's theorie meer van begrijpen, want ook bij het onbenulligste stuk muziek en het meest krakemikkige toneelstuk kun je je er bewust van zijn dat er gedaan wordt alsof. Maar ook al is de theorie niet helemaal overtuigend, de lectuur van de vier dialogen waarin zij wordt besproken is allerminst verloren tijd, want ze zitten vol mooie observaties over het ondergaan van kunst en zijn weer erg vermakelijk geschreven.
Dit laatste kan niet van alle beschouwingen over literatuur worden gezegd, zoals Van het Reve niet moe wordt ons voor te houden. Zijn bezwaren tegen de beoefenaren van de literatuurwetenschap vinden we onder andere in Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes. Ze zijn in een paar woorden samen te vatten.
Allereerst schrijven de academische literatuurbeschouwers gewoonlijk in een erbarmelijke stijl. Van het Reve adstrueert dat met afschrikwekkende voorbeelden, zoals het volgende uit een artikel uit 1978 over Multatuli: ‘De “Wert-qualitäten” die aanleiding kunnen zijn voor de aesthetische ervaring, zijn gelegen in het “aesthetisch voorwerp” (het door de lezer gerealiseerde werk) en zijn op zichzelf “neutrale” hoedanigheden, die de potentie bezitten voor het beoordelend subject, dus in de ervaring van de lezer, tot “waarden” te worden’.(3) Dat het soort proza waarvan dit een karakteristiek voorbeeld is aan de literaire faculteiten in Nederland en overal elders in de jaren zeventig welig tierde herinner ik me uit eigen smartelijke ervaring. Je zou Van het Reve hoogstens kunnen tegenwerpen dat hij zijn tegenstanders moet bestrijden door niet hun slechtste, maar hun beste formuleringen te kiezen, en dan te laten zien dat die nog steeds niet door de beugel kunnen. Dat zou in overeenstemming zijn met het door Van het Reve toch innig omhelsde(4) beginsel van Popper dat je de sterkste, niet de zwakste kanten van je tegenstander moet aanvallen. En dat terwijl hijzelf dat principe nog wel zo mooi heeft vergeleken met de handelwijze van ‘ik meen admiraal Tromp, die zijn tegenstander kruit en lood liet brengen’. Maar afgezien hiervan is zijn geseling van zulke geleerden een weldaad voor elk gevoelig hart. Dit temeer waar de productie van obscurantistisch proza na 1978, het jaar waarin Van het Reve zijn roemruchte Huizinga-lezing ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ hield, niet lijkt te zijn afgenomen, en naar je moet vrezen ook wel nooit zal ophouden. De vraag ernaar is te groot: de meeste mensen zijn geen Karels van het Reve en snakken juist naar teksten waarvan de duisterheid een grote diepte doet vermoeden.
Een tweede bezwaar is dat de literatuurwetenschappers altijd maar willen interpreteren. Maar als er in een literaire tekst iets anders staat dan er lijkt te staan dan had de schrijver dat andere toch wel gezegd? Hier kom ik zo dadelijk op terug.
Ten derde is het resultaat van al die interpretaties bijna altijd iets triviaals, zeker in vergelijking met de tekst waar het om begonnen was. Je kunt hierbij o.a. denken aan de duizenden Freudiaanse duidingen van literatuur. Over de naar het schijnt wel zeventig interpretaties van Goethe's ‘Wanderers Nachtlied’: ‘Wat daarbij treft is de grote onnozelheid en banaliteit van die interpretaties. Zou Goethe dat onsterfelijke, schitterende gedicht geschreven hebben om zo iets oninteressants mede te delen?’(5)
Van het Reve's grootste bezwaar, ten slotte, is dat de literatuurwetenschap geen antwoord geeft op de enige vraag die er voor de literaire lezer toe doet: waarom maakt deze zin, deze passage, dit boek zo'n onvergetelijke indruk? Waarin onderscheidt goede literatuur zich van slechte? Alles wat de literatuuronderzoekers over hun onderzoeksobjecten beweren geldt in gelijke mate voor de beste en de slechtste literatuur, en is dus volkomen irrelevant.
Door al die kritiek op de literatuurwetenschap lijkt het hele vak tot onzin te worden gereduceerd. Dat kan de bedoeling niet zijn van deze hoogleraar slavistiek, die toch tot taak had dat door hem zo geattaqueerde vak te beoefenen en te doceren, en die een Geschiedenis van de Russische literatuur heeft geschreven.
Waarom lees ik zo'n boek? In de eerste plaats om, enthousiast geworden over een of meer Russische schrijvers, mijn geestdrift te toetsen aan de meningen van anderen. Dat kan aan de bittertafel, waar het zo aangenaam twisten over smaken is, of door een boek over die schrijvers te lezen. Alleen het niveau verschilt, want wat is literatuurwetenschap anders dan gehobene conversatie over literatuur? Hoe dan ook, literatuur leeft alleen als ze niet alleen gelezen wordt maar ook onderwerp van gesprek is.
Verder word ik, nadat ik een aantal van die prachtige verhalen van Tsjechov heb gelezen, nieuwsgierig naar de man zelf. Wanneer leefde hij, was hij getrouwd, wat las hij? De literatuurwetenschap wordt geacht mij daar zo goed mogelijk over te informeren.
Ten derde moet ik leren lezen. Iedere auteur heeft zijn eigen stijl, en pas als je met de eigenaardigheden daarvan vertrouwd bent kun je zijn boeken naar waarde schatten, zoals je ook meerdere stukken in een bepaald muzikaal idioom moet hebben gehoord voordat je er iets van begint te begrijpen. Goede literatuurwetenschap kan me bij dit leerproces tot gids zijn.
En ten slotte hoop ik wel degelijk dat men mij zo nodig helpt duistere passages te interpreteren. Bij sommige boeken is dat minder nodig dan bij andere, bij de Odyssee minder dan bij de Divina commedia. In dit laatste boek stuit ik al op de eerste bladzijde op een planeet waarvan de stralen de mens langs alle wegen leiden. Dat blijkt de zon te moeten zijn, die in het Ptolemaeïsche systeem als planeet werd beschouwd, en die blijkens andere passages bij Dante een symbool is voor God. Zulke dingen weet niet iedere
lezer, terwijl ze toch voor het begrip van de tekst niet zonder belang zijn. Evenmin kan men zeggen dat zulke achtergrondinformatie, toch een vorm van interpretatie, alleen bij oeroude geschriften nodig is. Ook tijdgenoten reiken niet altijd de sleutel aan voor wendingen die niet geheel doorzichtig zijn, met inbegrip van Van het Reve zelf. Een van zijn boeken heet Marius wil niet in Joegoslavië wonen. En andere stukken over cultuur, recreatie en maatschappelijk werk. De hoofdtitel wordt in het boek wel duidelijk, maar de al even rare ondertitel? Die klinkt deftig en zwaarwichtig - behalve voor wie weet dat er vroeger in Nederland een ministerie van CRM was. Voor twintigjarigen, en binnenkort voor iedereen, moet dat worden uitgelegd, geïnterpreteerd als men wil. Is het dan van belang deze toespeling te begrijpen? Ja, want wat anders een afstotend-ambtelijke titel lijkt krijgt nu een totaal andere, ironische toon.
Laat ik nog een ander staaltje van diepgravende en toch zinvolle interpretatie geven. In Nacht op de kale berg hebben kampeerders het over ‘matériaux du camping’, een formulering die uitleg behoeft voor wie zijn Elsschot niet kent en zich afvraagt waarom er ineens een Franse uitdrukking wordt gebruikt. Wel, dit is zo'n bij uitstek reviaans, pesterig grapje, zoals verderop in hetzelfde boek blijkt. Daar wordt een auteur geprezen omdat hij zich ‘onthield van toespelingen op geschriften die de lezer geacht wordt te kennen maar waarvan de auteur weet dat de lezer ze niet kent’. En die toespeling op Elsschot was er zo eentje, als we een ander boek van Van het Reve mogen geloven, waarin hij klaagt dat je in de meeste gezelschappen (in het bijzonder van neerlandici!) niet wordt begrepen als je een toespeling op Elsschot maakt.
Er zijn, kortom, vele prachtige taken voor literatuuronderzoekers. Omdat ze die vaak verzaken zijn geestige boemannen als Van het Reve broodnodig. En wat zijn mooie maar al te strenge voorschrift betreft dat je redenen moet geven voor literaire kwaliteit die niet van toepassing zijn op minderwaardig geschrijf: gelukkig houdt Van het Reve zich daar zelf ook niet aan. In zijn literatuurgeschiedenis citeert hij uit De Revisor van Gogol, en laat daarop volgen: ‘Het grootse van deze claus is het volstrekte non sequitur tussen die twee ratten en de revisor, en ook dat die ratten alleen maar even opkomen, rondsnuffelen en verdwijnen. Een auteur van minder goeden huize zou gezorgd hebben voor een symbolische verhouding tussen droom en dreiging: hij zou de burgemeester hebben laten opeten of inpakken of arresteren of bedreigen door een monster of door zijn vader of zijn moeder of door een politieagent - daarmee literatuurtheoretici de mogelijkheid gevend om verband te zoeken - en dus ook te vinden - tussen die droom en latere gebeurtenissen. Maar Gogol is een veel beter schrijver.’ Hieraan zien we dat ook bij Van het Reve het leven sterker is dan de leer. Zijn leer, die me juist lijkt, is dat je bij elke eigenschap die je zou willen noemen om aan te geven waarom een
kunstwerk goed is, wel een ander, door iedereen als minderwaardig beschouwd kunstwerk kunt vinden dat die eigenschap ook heeft. (En omgekeerd, als men begrijpt wat ik bedoel.) Het gebruik van non sequiturs door Gogol is een voorbeeld van zo'n eigenschap. Niemand zal toch beweren dat een beroerd toneelstuk een meesterwerk wordt wanneer je er wat non sequiturs bij doet? Maar dan is het ook niet eerlijk om die eigenschap in De Revisor als een meesterlijk trekje te beschouwen. Het gebruik van een non sequitur is kennelijk esthetisch neutraal.
Even alomtegenwoordig als de schone letteren is in Van het Reve's werk het communisme. Al in Twee minuten stilte uit 1959 drijft hij de spot met stereotypen uit de communistische ideologie: ‘Dat strikt wetenschappelijk is natuurlijk larie’, zegt de ik-figuur. ‘De wetenschap wordt niet om zichzelfs wille beoefend, al zeggen de burgerlijke ideologen dat wel, omdat ze de wetenschap niet in dienst van de vooruitgang willen stellen en willen camoufleren dat ze met hun zogenaamde objectieve en zuivere wetenschap het grootkapitaal en de Amerikaanse imperialisten dienen.’ Zijn hekel aan het communisme is zo groot dat schimpscheuten ertegen ook voorkomen in omgevingen waar het helemaal niet over politiek gaat, maar bijvoorbeeld over taal. In Uren met Henk Broekhuis heeft Van het Reve het over het verschijnsel dat je wel ‘zo heer, zo knecht’ kunt zeggen maar niet ‘zo Paul, zo Marcus’. Oudere lezers herkennen de vooraanstaande Nederlandse communisten Paul de Groot en Marcus Bakker. (Over dertig jaar herkent niemand dat meer. Weer een geval waar ‘interpretatie’, in de zin van achtergrondkennis, zo niet nodig dan toch wel aardig is.)
De expliciet aan het communisme gewijde boeken en artikelen gaan voor een deel over het communisme als ideologie (bijvoorbeeld Het geloof der kameraden), voor een ander deel over de Sovjet-Unie (zoals o.a. Met twee potten pindakaas naar Moskou), en last but not least over de houding van westerse intellectuelen tegenover het communisme. In geen van deze geschriften steekt Van het Reve zijn afkeer van het communisme en het Sovjetregime onder stoelen of banken. Deze duidelijke stellingname maakt ze, naast de als altijd frisse schrijftrant, leesbaarder dan politieke verhandelingen plegen te zijn. Ik vermoed zelfs dat ook wie zich geen lor voor politiek of communisme interesseert deze Reviana geboeid en geamuseerd zal lezen.
Over de inhoudelijke juistheid van wat Van het Reve over de communistische ideologie en werkelijkheid verhaalt kan ik niet oordelen. Ik ga maar af op de slavist J.W. Bezemer, die meent dat Van het Reve's ‘geloof van weleer en die afvalligheid daarna van hem een zeer scherp waarnemer hebben gemaakt van de werkelijkheid in de Sovjetunie en met name van de geestesge-
steldheid van de intellectuelen in dat land’.(6) Dat Van het Reve niet van politieke scherpzinnigheid is ontbloot, blijkt overigens wel uit het feit dat hij ruim voor 1989 de ondergang van het Sovjetregime heeft voorspeld, bijvoorbeeld in ‘Het regime is niet gezond meer’ (Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes, 1979).
Beter dan over de aan Rusland gewijde geschriften kan een leek oordelen over Van het Reve's kritiek op hoe westerse intellectuelen omgingen met wat zij konden weten over de werkelijkheid in Sovjet-Rusland. Voor een Nederlandse schrijver is het zinvoller professor Wertheim te kapittelen dan Jozef Stalin, en dat is dan ook wat Van het Reve, met alle registers van zijn sarcasme wijd open, bij voorkeur doet. Maar het blijft nooit bij sarcasme alleen (zoals de gewoonte was bij communisten onder elkaar wanneer ze het over de kapitalisten en imperialisten hadden). Van het Reve's beschuldigingen zijn onderbouwd en controleerbaar, wat de angel haalt uit de overdrijvingen die hij niet altijd schuwt.(7)
Van het Reve zou niet een ander soort schrijver zijn geworden als, door een andere levensloop, communisme en literatuurwetenschap hem minder hoog hadden gezeten. Dat blijkt wel uit de ontelbare andere onderwerpen waarop hij zijn pientere, aangenaam-eigenwijze licht laat schijnen: het wezen van de ironie, de onzinnigheid van het idee dat iets een ‘wezen’ heeft, de vraag of er vooruitgang in de kunst is, Jacques Presser en Annie Romein en vele anderen die hij heeft gekend, het christendom, de Nederlandse taal, Freud, parapsychologie, culturele pretentie en andere vormen van dikdoenerij, denkcliché's van de meest uiteenlopende aard - maar laat ik ophouden, want deze opsomming zou bladzijden lang kunnen doorgaan. Van het Reve is het schrijvende pendant van de briljante causeur: geef hem een willekeurig onderwerp en hij ontdekt er verrassende kanten aan, en je moet oppassen dat je door zijn geestige formuleringen de zwakke punten in het betoog niet over het hoofd ziet.
Een enkel woord nog over een kant van Van het Reve die door zijn essayistische activiteiten overwoekerd is geraakt. Zijn schrijversloopbaan begon rond 1960 met twee romans, die al meteen helemaal Van het Reve zijn. De wat studentikoze manieren van praten doen denken aan de deftige oubolligheid die we kennen uit De Avonden (1953) van broer Gerard Kornelis: we hebben hier duidelijk te maken met een genetisch defect in de Van het Reve-stamboom. ‘Een gezonde slaap zal ons naar ik hoop de kracht geven die wij nodig hebben om het hoofd te bieden aan de dingen die ons morgen wachten’, maant Joop zijn metgezel in Nacht op de kale berg. Deze prettige folie à deux zullen de beide heren ook in latere geschriften niet meer kwijtraken.
Je hoeft je overigens niet te herinneren dat ‘geleerde broer’ in De Avonden ook Joop heet om te beseffen dat Joop uit Nacht op de kale berg een alter ego van de auteur is; dat blijkt behalve uit zijn naam en zijn manier van praten ook maar al te duidelijk uit zijn opinies en zijn manier van denken. Trouwens niet alleen die Joop maar ook het andere hoofdpersonage Bram is duidelijk een afsplitsing van de auteur, zodat er geen sprake is van een boeiend contrast van persoonlijkheden. Joop heeft wel andere karaktertrekken dan Bram - hij is de wijsneus en sarcast terwijl Bram zich onnozeler voordoet dan hij is -, maar al die trekken zijn ontleend aan de auteur Van het Reve zoals we hem uit zijn boeken kennen. Net als in de al genoemde dialogen over de esthetische ervaring, waarin de gesprekspartners, de auteur en ‘een vriend’, alleen typografisch te onderscheiden zijn, had Van het Reve in deze roman voor de handeling twee hoofdpersonen nodig, een leider en een volgeling; dat is alles. En een derde personage, dat in deze raamvertelling alleen helemaal aan het begin en helemaal aan het einde optreedt, is een bebrilde intellectueel die met zijn gezinnetje in de 2CV (waarin potten pindakaas(8) niet ontbreken) uit kamperen gaat, kortom de uiterlijke verschijningsvorm van dr. K. van het Reve. Deze verwisselbaarheid van de hoofdpersonages wordt door Van het Reve zelf bespot: op p. 5 reageert de bebrilde intellectueel op een situatie met ‘Men spreekt wel van coïncidentie’, een zin die op p. 204 letterlijk wordt herhaald maar nu Joop in de mond wordt gelegd. Dit is een van die pesterijtjes van de lezer waar Van het Reve behagen in schijnt te scheppen. Hij is gelukkig een erg slecht mens.
Dat Van het Reve's pogingen tot fictie beperkt zijn gebleven tot deze twee romans aan het begin van zijn schrijverscarrière is goed te begrijpen. Niet dat ze niet amusant zijn, bovendien zijn ze zoals het een detective (Twee minuten stilte) en een avonturenroman (Nacht op de kale berg) betaamt wel spannend. Nee, wat de lezer doet beseffen dat er bij de wending tot het essay geen romanschrijver verloren is gegaan, is dat er ook in deze romans zo druk wordt betoogd en beredeneerd en bekritiseerd. Soms komt dat in de handeling van pas, soms komt het niet van pas maar veroorlooft de auteur zich een uitweiding, omdat hij het weer eens niet kan laten een van zijn stokpaardjes te bestijgen; wanneer hij er naar eigen tevredenheid op heeft rondgereden hervat hij het verhaal met ‘Maar ik dwaal af’.
Hoeveel kennelijk plezier Van het Reve ook beleefde aan het bedenken van een plot en het vertellen van een verhaal, nog meer genoegen doet het hem opinies te ventileren en vooral opinies van anderen onderuit te halen. Hierin is hij een grootmeester, en aan de aangename baldadigheid waarmee en de superieure stijl waarin hij dat doet dankt hij zijn faam.
Wat in het bijzonder voor Van het Reve inneemt is dat hij zijn stijl niet verloochent bij gelegenheden waar het gebruikelijk is een deftiger toon aan te slaan, zoals bij het uitspreken van de Johan Huizinga-lezing.(9) De prettige frivoliteit die deze redevoering ademde kan natuurlijk tot een misverstand leiden over de ernst van zijn bedoelingen. De jaarlijkse Huizinga-lezing is een gewichtige gelegenheid, waar een binnen- of buitenlandse beroemdheid een voornaam publiek toespreekt vanaf de kansel in een prachtige kerk te Leiden. Het onderwerp is altijd van groot gewicht, en wordt meestal navenant zwaarwichtig behandeld. Een enkele kwinkslag, vooruit, maar het moet wel serieus blijven. Bij de lezing van Van het Reve over literatuurwetenschap ging het vrolijker toe. Van het Reve klaagt bijvoorbeeld over de hopeloze stijl waarin de beoefenaren van dat vak zich uitdrukken. En hun proza ‘heeft daarenboven nog een aantal andere afstotende eigenschappen. Enkele van die akelige eigenschappen wil ik vanavond, nu we toch onder elkaar zijn, met u bespreken, waarbij ik beloof dat ik u de allerakeligste dingen besparen zal, en ook dat ik het kort zal houden: ik zal niet te lang bij één akelig ding stilstaan, maar zo snel mogelijk overgaan naar een volgend akelig ding’. Die Karel toch, grinniken de toehoorders, om bij zo'n plechtige gelegenheid in deze deftige Leidse ruimte zulke lichtzinnige taal uit te slaan. Erg leuk, zullen ze na afloop tegen elkaar hebben gezegd, maar nu weer serieus aan het werk. Hetzelfde zal hebben gegolden voor de toehoorders bij een al even plechtige gelegenheid, zijn in Afscheid van Leiden afgedrukte afscheidscollege, een niet minder ongepaste baldaad.
Maar Van het Reve neemt het gevaar alleen maar als grappenmaker te worden beschouwd blijkbaar voor lief, aldus het grotere kwaad vermijdend een officiële academische toon aan te slaan die hem niet past en niet zint. En voor wie onvooringenomen leest is het grote voordeel van zijn schijnbare frivoliteit dat het betoog je beter bijblijft en dat je leven als lezer sterk wordt veraangenaamd.
Frivool lijkt ook Van het Reve's gewoonte om bij de behandeling van een geleerde kwestie niet dozijnen andere geleerden aan te halen. Het zal velen te denken geven dat Van het Reve in een verhandeling over vergelijkingen (toegegeven, het was oorspronkelijk een krantencolumn(10)) met geen woord rept van de bibliotheken vol titels als The Theory of Metaphor of Die Metapher in der Neuzeit. Eine literarisch-philosophische Betrachtung. Nog geen voetnoot kan er af. Is dat erg? Och. Het heeft ook zijn voordelen als iemand met een zekere dosis scherpzinnigheid een oud probleem te lijf gaat alsof het zonet pas is gerezen, niet door eerst alle eerdere geleerden te citeren maar als het ware met blote handen.
Van het Reve spreidt in stukjes als dit hetzelfde gezonde verstand tentoon dat hem ook tot zo'n goed vragensteller maakt. De antwoorden op de vraag
wat dat precies is, gezond verstand, lopen erg uiteen. Misschien kan men daarom nog het beste een ostensieve definitie geven (zo noemen de botanici van de filosofie dat): gezond verstand is wat Karel van het Reve heeft. Naar mijn gevoel is dit rijke bezit nauw verbonden met zijn manier van schrijven. Over Annie M.G. Schmidt heeft Van het Reve eens gezegd dat zij ‘echt Nederlands’ schreef, en ‘dat vind je in Nederland bijna nergens’. Een goede vindplaats vormt het werk van Karel van het Reve.
Lees die man.
Romans |
|
| Twee minuten stilte, 1959 | |
| Nacht op de kale berg, 1961 | |
Monografieën en essays |
|
| Rusland voor beginners: tien opstellen over literatuur. 1962 | |
| Siberisch dagboek. 1966 | |
| Het geloof der kameraden: kort overzicht van de communistische wereldbeschouwing. 1969 | |
| Marius wil niet in Joegoslavië wonen. En andere stukken over cultuur, recreatie en maatschappelijk werk. 1970 | |
| Met twee potten pindakaas naar Moskou. 1970 | |
| Lenin heeft echt bestaan. 1972 | |
| Uren met Henk Broekhuis. 1978 | |
| Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes. 1979 | |
| Freud, Stalin en Dostojevski. 1982 | |
| Afscheid van Leiden. 1984 | |
| Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de heilige tot Anton Tsjechov. 1985 | |
| De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen. 1987 | |
| De ondergang van het morgenland. 1990 | |
| Luisteraars! 1995 | |
Bloemlezing |
|
| Een grote bruine envelop. Een keuze uit eigen werk. 1991 | |
Over Karel van het Reve |
|
| Uren met Karel van het Reve. Liber amicorum. 1991 | |