Je moet het maar aandurven om, in dit postmoderne en hoogst cynische tijdperk, een literaire tekst de titel Over liefde en over niets anders mee te geven, en het nog te menen ook. In zijn jongste poëziebundel geeft Toon Tellegen dat ‘onmogelijke’ lyrische thema alleszins op schitterende wijze gestalte. Voortdurend lopen in zijn gedichten personages rond die de liefde beleven, er fanatiek naar zoeken of, vaker nog, erover mediteren. Het mag dan wel zijn dat de zingevende ‘Grote verhalen’ tegenwoordig aan kracht hebben ingeboet, voor ‘kleine’ verhalen blijft des te meer ruimte beschikbaar.
Sterker nog, Toon Tellegen houdt zich bij de uitwerking van dat soort aartsmoeilijke onderwerp niet eens aan regels, tenzij hij ze zelf heeft bedacht. Onderhand iedereen weet dat de schrijver in zijn kinderboeken dieren moeiteloos laat krimpen of groeien tot ze gelijkwaardig zijn - de mier heft de olifant op, en omgekeerd - en ze vervolgens bij elkaar op bezoek laat gaan, dromen van mensen of communiceren over zwaarwichtige problemen. Dezelfde uitzonderlijke soepelheid van denken en schrijven kenmerkt ook de dichter Tellegen, die de jongste tijd van langsom meer op de kritische waardering van lezers en recensenten mag rekenen. Bij nader toezien is er trouwens niet zoveel verschil tussen de ‘ernstige’ dichter en de ‘vrolijke’ schrijver voor kinderen. Ook in zijn gedichten presenteert de auteur immers korte verhaaltjes, met aanstekelijke personages, spitse dialogen en fraaie pointes.
In feite kan je daarom als recensent niet beter doen dan de dichtbundel geheel of gedeeltelijk over te schrijven, te beginnen bij de aanvangsstrofe van het eerste gedicht (p. 9):

Deze regels (hoewel niet de fraaiste van de bundel) illustreren voortreffelijk hoe de poëzie van Tellegen werkt. De dichter schrikt er geenszins voor terug om zware emoties als jaloezie, liefde, wanhoop en dies meer rechtstreeks te benoemen en ze in zijn verzen een centrale rol toe te bedelen, maar daarbij springt hij hoogst creatief om met de taal en met de realiteit. De gevoelens worden bijvoorbeeld opgevoerd als authentieke personages, met hun grote en hun kinderlijk-nukkige kanten. Daardoor wordt de pathetiek tegelijk instandgehouden én geïroniseerd. Met mensen gaat het dan weer net andersom. Zij worden niet echt als individuen geportretteerd, maar veralgemeend tot ‘een man’, ‘een vrouw’, ‘de mensen’, ‘stemmen’ of gewoon ‘men’; daardoor worden ze tot schematische sjablonen, die op allerlei manieren kunnen worden ingevuld. Zelfs het ‘ik’ wordt grotendeels ontdaan van zijn autobiografische aureool. Voor zover er sprake is van een psychologische uitwerking, komt die vooral naar voren uit
wat de personages zeggen en doen, niet uit hoe ze beschreven worden.
Dat spreken is trouwens typerend voor de gedichten van Tellegen. Regelmatig worden dialogen opgenomen of denken de personages hardop (p. 18):
Dezelfde feeling voor een levendig taalgebruik spreekt ook uit de bekoorlijke stijl van de verteller zelf. Vanaf de eerste woorden brengt hij de lezer waar hij hem wil hebben, in een bepaalde emotionele toestand, als iemand die zich beurtelings rechtstreeks betrokken en zelfs aangesproken voelt, of integendeel als de toevallige luisteraar naar een fictief verhaal of een anekdote. Die hoogst originele invalshoek van Tellegen valt reeds op wanneer enkele willekeurig gekozen beginregels na elkaar geciteerd worden: ‘Ze kwamen elkaar tegen’, ‘Een man schreef een brief’, of nog: ‘“Weet iemand wat liefde is”’... Precies die subtiele variaties op eenzelfde register verlenen aan Over liefde en over niets anders een opmerkelijk rijk palet van schakeringen.
Wat tenslotte de lectuur van Tellegen bovenal tot een heilzame verademing maakt, is het feit dat de dichter - in tegenstelling tot de mainstream van de huidige Nederlandse lyriek - niet op zijn intimistische en suggestief-beschrijvende deurmatje blijft trappelen. Die behoedzaamheid is hem vreemd, ook al omdat zijn wereld probleemloos grotesk en excessief kan zijn. Daarvan getuigen de talloze emoties, die hier niet ingehouden worden. Integendeel, in deze gedichten wordt er geschreeuwd en vurig verlangd, harten worden verscheurd, de wil verschrompelt en ‘boosaardigheid lag in schalen op alle tafels’. En dan heb ik het nog niet over de vele uitroeptekens, de bezwerende herhalingen en de excessieve ‘O’-s.
Het resultaat van dit alles is, zoals verwacht kon worden, bijzonder eigengereid en onweerstaanbaar poëtisch, geschreven volgens een hoogst grillige, maar ijzeren logica. Over de liefde en de eenzaamheid, over het leven en de dood, over de antwoorden en de vragen van het menszijn (op p. 58):
Alleen al voor dat laatste, haast onweerlegbare ‘moeten’ verdient deze bundel het klassiek te worden, en minstens even populair als de eekhoorns, de olifanten en de juffrouw Kachel van Toon Tellegen.
Dirk de Geest
| tellegen, toon, Over liefde en over niets anders, Querido, Amsterdam, 1997, 61 p. |