terug  begin  verderprepost

Rozen op ijs

De lezer die in de gevoels- en gedachtewereld van Monika van Paemels jongste boek binnenstapt, bevindt zich meteen op vertrouwd terrein. Meer nog dan bij De eerste steen lijkt Rozen op ijs aan te sluiten bij De vermaledijde vaders. Het levensverhaal van Pamela, de centrale figuur in De vermaledijde vaders, die ‘werd geboren op 4 mei 1945 en stierf in het jaar 2000 en zoveel’, wordt hier voortgezet in dat van Perla van Puynbroeck, die dezelfde familiale achtergrond heeft, dezelfde bekommernissen en ideeën. Alleen: Perla staat een stap verder. ‘Perla is het zat te verliezen, ze heeft besloten in het offensief te gaan’, staat in het eerste verhaalfragment te lezen (p. 10).

De duidelijke samenhang in Van Paemels werk - De vermaledijde vaders bracht al een synthese van de thematiek van de drie voorafgegane kortere prozawerken - is in de eerste plaats het natuurlijke gevolg van de sterk autobiografisch geïnspireerde grondlaag ervan, met de terugkerende figuren van de grootouders - ‘boeren en burgers’ -, ooms en tantes die haar en haar vrouwelijke hoofdpersonages hebben opgevoed.

[p. 101]


illustratie
Monika van Paemel (º1945) - Foto Gerard Dauphin.

Maar het is vooral de overkoepelende, nadrukkelijk vrouwelijke, zelfs feministische thematiek die er de eenheid van uitmaakt. In Van Paemels wereld staat de man voor de egocentrische, destructieve kracht en de vrouw voor het moederschap en de moederliefde, dat is: de levengevende en levenbeschermende kracht. Samengevat op de eerste pagina van Rozen op ijs, met een korte, aforistische uitspraak die zo typerend is voor Van Paemels stijl: ‘De moed van mannen bestaat erin de dood te trotseren, die van vrouwen het leven te beschermen.’

Toch zijn er ook aanzienlijke verschillen. De thematiek van De vermaledijde vaders staat vooral in het teken van het verzet tegen de ‘vermaledijde vaders’ en tegen de eigen vader, die als een symbool was van de oorlog. Het gebrek aan respect ‘voor die fijne mijnheer die zo nodig in een fout uniform had moeten paraderen’ (hij had in Stalingrad gevochten en er een altijd etterende wonde aan overgehouden, en ‘in zijn haast om de wereld te veroveren’ had hij ook nog ‘onachtzaam een flesje vitriool leeggedronken’) is ook hier niet afwezig (cf. p. 380, p. 408), maar de vader speelt geen noemenswaardige rol meer. Hij is verbonden met het verleden, met de familiegeschiedenis die de rode draad vormt van De vermaledijde vaders.

In De eerste steen werd dit verleden naar de achtergrond verdrongen en wordt het verhaalgebeuren gedomineerd door het alles beheersende, opprimerende verdriet van de moeder die een kind verloren heeft (haar zeventienjarige dochter pleegde zelfmoord) en die dit verdriet beleeft en verwerkt in Jeruzalem, in een omgeving waar de Joods-Palestijnse kwestie tot hevig oplaaiende moord en doodslag aanleiding geeft en waar het moederverdriet, meer nog dan elders, universele én dagelijkse werkelijkheid is.

Ook in Rozen op ijs staat de actualiteit, met zijn politieke en maatschappelijke problemen centraal, maar de hoofdfiguur Perla voert, om de destructieve krachten in de maatschappij te ‘pareren’, een vrijwel onmogelijke opdracht uit. Zij zal, als lid van een clandestiene groep milieuactivisten, in haar eentje naar de noordpool trekken, waar ze niet alleen het noorderlicht ziet, maar ook geheime informatie over onderzeeërs, raketten en vaarroutes onder het ijs overhandigd krijgt. En: ‘[z]e begrijpt eindelijk dat ze niet alleen is in een vijandige wereld, dat er ontelbaren zijn die het leven willen bewaren of in het ergste geval hun huid duur verkopen’ (p. 413).

De structuur van het boek is langzaam naar de climax van deze primaire verhaallijn toe opgebouwd. Het geheel is verteld vanuit het perspectief van Perla, maar het ‘eigenlijke’ verhaal begint pas in deel Vier, dat is goed over de helft van het boek. Daar, op p. 247, neemt Sabena-vlucht SN 626, waarvoor Perla op Zaventem inscheepte in de openingsscène van de roman, een einde met een landing in New York. In de delen Een tot en met Drie wordt slechts heel sporadisch, met een erg dunne verhaaldraad (enkele zinnetjes in OTT) aan deze reis gerefereerd. Het verhaal dat inmiddels wordt verteld (in OVT) bestaat uit fragmenten herinnering, waardoor Perla's voorgeschiedenis en haar gevoelswereld vastere contouren aannemen en de mensen die haar leven bepalen, worden voorgesteld.

Voorop staat, niet toevallig, Isabelle, haar dochter, het kind dat geen kind meer is en dat ze moest loslaten. Dan komen de onvergetelijk scherp getekende grootouders, opa Charles, een kleurrijke, kritisch-afstandelijk maar ook met liefde geportretteerde figuur, en de sterke, bevelende en instruerende oma Sido, die haar nog lang nadat ze overleden is met beklijvende adviezen bijstaat: haar uitspraken staan in Perla's geheugen gegrift. Verder is er nog de tante

[p. 102]

die de moederrol overnam van de verdwijnende, onberekenbare en naar later ook zal blijken aan alcohol verslaafde ‘echte’ moeder, en zijn er de ‘andere’ ooms en tantes bij wie Perla als kind afwisselend werd ‘uitbesteed’.

Geleidelijk aan wordt ook duidelijk dat Perla betrokken is geraakt bij een ‘groep’ milieuactivisten: ‘Een netwerk van mannen en vrouwen die microfilms smokkelden en chips inplantten, die als stromannen de beurs manipuleerden, gronden en grondstoffen opkochten, links en rechts laboratoria en legerdepots opbliezen en gebrandmerkte tegenstanders koud maakten. Kortom lui die spioneerden, fraudeerden en moordden om althans een deel van de aarde gezond en wel te behouden’ (p. 39).

Het werk voor de groep waarover in dit eerste, vrijwel geheel retrospectieve deel van het boek slechts met mondjesmaat wordt bericht, wordt duidelijk ook met gedecideerde, bezwarende bedenkingen uitgevoerd.

De belangrijkste plaats in de gevoels- en gedachtewereld van Perla wordt echter ingenomen door ‘de man’, met wie ze als vrouw een gespannen, steeds weer moeilijke verhouding heeft. Hij wordt in de eerste plaats verpersoonlijkt door Joris, haar echtgenoot, een geleerde en nogal sullige figuur, die als compensatie voor zijn tekortkomingen ‘zijn toevlucht [zocht] bij de fles en [zich] verdoofde [...] met pillen’ (p. 85). Daarnaast zijn er ook Sam, haar onberekenbare minnaar, en Guy, de leider van de groep, die haar verkracht heeft en die in New York, aan het begin van de missie naar het noorden, wordt vermoord. Dat ‘de groep’ gevaarlijk werk levert, is inmiddels al gebleken uit het omstandige relaas over een congres in Mexico, waaraan de herinneringen tijdens de reis naar New York in Perla's geheugen opduiken.

‘Zolang Perla zich kan herinneren pendelt ze heen en weer tussen heden en verleden’ (p. 351) is een uitspraak die het hele verhaalverloop verder blijft bepalen. Ook in de hoofdstukken Vier en Vijf (men zou kunnen spreken van het tweede deel van de roman), waarin Perla's belevenissen in het verhaalheden worden beschreven, inclusief een ‘krachtige’ affaire met een plaatselijke Dave, die haar na afloop een grote bos rode rozen laat bezorgen, wordt de vertelling verder onderbroken door flarden waarin gebeurtenissen uit het verleden haar bewustzijn bepalen. In dit tweede deel wordt echter ook herhaaldelijk verwezen naar de gruwelijke realiteit en actualiteit (een relaas over mensen die de atoomlobby na Tsjernobyl aanpakken, Perla's reactie op de beelden van de Golfoorlog) en ze houdt ook letterlijk contact met haar werkelijkheid thuis: met haar (afgewezen) minnaar Sam, met haar dochter Isabelle.

Een summiere weergave van de verhaallijnen van Rozen op ijs doet geen recht aan de rijkdom van alle elementen van het boek. De roman is opgebouwd uit een veelheid van details, soms misschien een teveel aan details, zonder dat ze overigens de vaart van het geheel stuiten of afremmen.

Monika van Paemel hanteert ook hier weer haar bekende associatieve, hectisch gejaagde, gedreven en bijtende staccatostijl die de lezer als in een draaikolk meesleurt. Het boek vraagt als zodanig, paradoxalerwijze, wel om een trage, zorgvuldige lectuur, om een leeswijze die bijvoorbeeld ook aandacht heeft voor de soms verhulde, soms ook zeer prominente symboliek, zoals het symbool van de telkens in andere vormen terugkerende rozen, die staan voor zachtheid en liefde in een harde, ‘ijzige’ wereld vol verborgen destructieve krachten. De vertelwijze en de stijl van Van Paemel, met naast een overdaad aan detaillering toch ook een opvallende neiging tot implicietheid en verhulling, beantwoorden aan het vrouwbeeld dat ze neerzet: de vrouw onttrekt zich aan de traditionele patronen; het boek doet dat eveneens.

 

Anne Marie Musschoot

monika van paemel, Rozen op ijs, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, 417 p.

prepostterug  begin  verder