terug  begin  verderprepost

Een dichter passeert de vijftig

In 1987 verscheen van de hand van Anton Korteweg een bundel Chinese kwatrijnen onder de titel De zonnebloem werd zwart. Algemeen bekend werd deze fraaie uitgave niet en dat hoeft geen verwondering te wekken. De gedichten waren met de hand gezet en op een handpers afgedrukt in een oplage van 125 exemplaren. De sinoloog Prof. dr. Idema schreef er een voorwoord voor, waarin hij Korteweg vergelijkt met de beroemde Chinese dichter-ambtenaar en bibliothecaris Bai Juyi (772-846). Zoals bekend is Korteweg in het dagelijks leven directeur van

[p. 103]

het Letterkundig Museum in Den Haag. Wat gold voor zijn Chinese voorganger, geldt voor hem: dichter en mandarijn van aanzien zijn gedwongen het binnen één persoon met elkaar uit te houden. Maar bij deze overeenkomst bestaat er tussen de twee dichters een opmerkelijk verschil en Idema laat niet na daar snedig op te wijzen: ‘En terwijl zijn Chinese collega elke bevordering vierde met de aanschaf van een nieuwe bijvrouw, vermindert de vlucht van Kortewegs carrière zijn potentie’. Die observatie wordt treffend geïllustreerd door een kwatrijn dat er niet om liegt:

 
Je kan wel merken dat ik ouder word.
 
Naakt lig je naast me en ik hoef niet eens.
 
Kwam daar een jaar of twintig terug eens om.
 
Zag ik je knie, hij stond al voor je klaar.

Als hij zich deze verzuchting laat ontvallen, is de dichter voor in de veertig.

Ook in Stand van zaken (1991) wordt op het tanen van de hartstocht diverse keren gezinspeeld.

 
Huwelijk
 
Ik ben verbonden met
 
een apparaat dat
 
luistert noch antwoordt maar
 
hoort wat ik zeg.
 
 
 
Zo heb ik je
 
het liefste.

en neem regels als

 
(...)
 
Hoe goed het is dat jij bent die je bent
 
 
 
Geen meid van achttien, blond, met benen
 
maar altijd veertig, gewoon; rijp, wat wijs al.
 
Nooit lopend hoog te spreken maar met wie
 
ik praten kan en zonder kapsones mag slapen.

Nu de bundel In handen (1997) is verschenen, moet je vaststellen dat de afnemende erotiek als thema iets van een obsessie heeft gekregen. In de eerste afdeling ‘Ego en eega’ komt het al in verschillende toonaarden voor: mild, ironisch, grimmig, verongelijkt en ontluisterend. Je kunt je afvragen of Korteweg zich niet al te veel zorgen maakt over potentie en aantrekkelijkheid. Dramatiseert hij als vijf-

illustratie
Anton Korteweg (º1944).

tigjarige het onvermijdelijke niet al te veel, ook als je zijn onsentimentele taalgebruik in aanmerking neemt. Ik denk het niet. Het mannenprobleem dat hij zo nietsontziend behandelt, zal algemener zijn dan we weten of wensen. En menige man zal zichzelf dan ook tegen wil en dank herkennen in

 
Zij wel
 
Vijftig voorbij. Dus was ik een mooi vuur,
 
mijn vlammen doofden al. Zo is het ook.
 
 
 
Er zijn wel oudere moeders die in mij
 
verspreide resten jeugd en kracht en schoonheid
 
zien smeulen nog, soms, en die zich daaraan
 
wel zouden willen warmen, vrees ik, maar
 
hun strakke, gladde Cosmo-dochters, die zien niks.

De tijdgeest wil ons ook op leeftijd jeugdig, vitaal, wilskrachtig en ondernemend, maar de werkelijkheid is al te vaak anders. Dichters als Korteweg herinneren ons daaraan en schenken in hun beste gedichten ‘troost van pessimisme’, zoals Herman de Coninck dat ooit noemde.

Levensvisie noch poëtica zijn bij Korteweg onderhevig aan ingrijpende veranderingen. Zijn lezers weten in feite al jaren wat ze aan hem hebben. Hij zou zich misschien wel eens vaker willen laten gaan en in een meer visionaire lyriek, maar er zijn een aantal eigenschappen die dat beletten: scepsis, zijn voort-

[p. 104]

durend benul van het alledaagse, waarin hij noodgedwongen berust, hoewel het hem met weerzin kan vervullen, zijn ontvankelijkheid voor het anekdotische, de toevallige aanleiding. Zo kan een langsrijdende melkauto waarop staat dat het verschil tussen houdbaar en lekker is verdwenen, hem op de gedachte brengen dat dit ook zou kunnen gelden voor ouder wordende echtelieden:

 
(...) waarom ben ik toen
 
zo hard ik kon niet naar je terug gefietst?

Zo'n terloopse waarneming levert als het meezit een licht, amusant gedicht op.

Wie de verantwoording van In handen leest, ontdekt dat aardig wat gedichten in opdracht zijn geschreven. Gelegenheidsgedichten hebben al lang een tamelijk dubieuze reputatie. Ik geloof ten onrechte. Opdrachten brengen dichters ertoe andere dan de geëigende onderwerpen aan te snijden. Ze verrijken het repertoire. En dat niet alleen. Ze brengen variatie in het vertrouwde jargon. Bij Korteweg is dat naar mijn idee goed aantoonbaar. Zijn meditatie over Mahler, geschreven op verzoek van het Noordhollands Philharmonisch Orkest, met de sterke inzet

 
Zoals teweegbrengt ontbreken van afstand, te
 
veel aan nabijheid, de heftigste afkeer - zo
 
Mahler (...)

is zonder meer overtuigend. ‘Wij samen’ (psalm 139), naar mijn beste weten ook geschreven op uitnodiging, al vermeldt de verantwoording dat niet, heeft een barok ritmisch elan dat je bij deze dichter vaker zou willen tegenkomen. Want blijkbaar is hij ertoe in staat en zet hij met zijn anti-lyrisch parlando zijn licht nogal eens onder de korenmaat. Het Genootschap Onze Taal vroeg een aantal dichters om een bijdrage over hun kijk op taal. Ook Korteweg ging in op dat verzoek. Het brengt hem tot een gedicht van meer belang en grotere inzet dan het type uitspraken

 
Ach, alle vrouwen van mijn leeftijd worden ouder,
 
daar helpt geen l'Oréal of Oil of Olaz aan.

Bij dergelijke regels kun je niet veel meer doen dan meesmuilen. Er zijn poëzieliefhebbers voor wie dat genoeg is. Ironische klachten over het verval voorzien nu eenmaal in een behoefte. Maar het is enigszinns deprimerend als het daarbij blijft. Gelukkig doorbreekt Korteweg tot heil van zijn bundel herhaaldelijk zijn neiging tot huiselijk cynisme. Dan wint zijn vers, zoals in ‘Bestond ik uit taal niet’ aan inhoud en spankracht.

 
Bestond ik uit taal niet, ik moest me niet denken.
 
Taal is een ziekte, kondigt de dood aan.
 
Er valt niet testoeien. Men worstelt vergeefs.
 
 
 
Gezonden zíjn, hoeven niet zich te schrijven.
 
Praten niet eens met zichzelf. Ze zijn als
 
wie langs het strand, dat is leeg en van hen, rent.
 
 
 
Zwijgende zee; een hemel die dicht is.
 
Pratende mond niet. Geen denkend hoofd.
 
Er rent maar een lichaam van benen.

Ed Leeflang

anton korteweg, In handen, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, 64 p.

prepostterug  begin  verder