Beeldende kunstrecensies uit de krant blijven als zelfstandige literaire uitingen zelden overeind. Dat is goed verklaarbaar. De doorsnee kunstrecensent levert een uittreksel van de catalogus. Hij vult die aan met enkele ‘bonmots’ en uiteraard een beeldende omschrijving van een paar werken, zodat de lezer zich een voorstelling kan maken van wat hij in het museum aantreft. Zelf ga ik net zo te werk en dat kan ook niet anders: een journalist is per definitie geen specialist. Zijn werk is het verzamelen en doorgeven van de specialistische kennis van anderen. Als die kennis is weergegeven in de catalogus werkt dat des te sneller - en snel werken is nu eenmaal een journalistieke vereiste. Dat de recensent een oordeel over het werk hoort te geven, is een hinderlijke traditie, die dan ook steeds vaker aan de laars wordt gelapt. Het beste is de lezer wellicht uit met een journalist die de bestaande oordelen over een kunstenaar of een kunststroming zo goed mogelijk, uit meerdere bronnen, verzamelt en die zo een informatief stuk schrijft voor leken: de recensie als servicerubriek.
Bij de essays naar aanleiding van diverse grote kunsttentoonstellingen die de Amerikaanse cultuurhistoricus Simon Schama de afgelopen jaren schreef voor The New Yorker volgde hij deze beproefde werkwijze. Van de exposities die ik ook zelf heb gerecenseerd - die over Mondriaan en Vermeer bijvoorbeeld - herken ik in Schama's essays de catalogusinformatie die ik zelf ook gebruikte. Uitgeverij Contact bundelde vijftien van Schama's stukken - merendeels tentoonstellingsrecensies en enkele meer tijdloze beschouwingen - en gaf ze uit onder de titel Kunstzaken. Over Rembrandt, Rubens, Vermeer en vele andere schilders. Die titel is misleidend, want slechts zes van de artikelen gaan over de Nederlandse schilderkunst van de Gouden Eeuw.
Blijven Schama's recensies, ver na de tentoonstellingsdata, het lezen waard, in tegenstelling tot de gemiddelde recensie in onze kranten? Leveren ze nieuwe gezichtspunten op de besproken kunstenaars - Rembrandt, Mondriaan, Cézanne, Hockney - of zijn ze zo briljant geschreven dat we alleen vanwege de stijl het boek niet kunnen wegleggen? Zijn ze, kortom, een bundeling waard?
Ik vind van niet.
Bij verschijning bewezen ze de Amerikaanse lezer ongetwijfeld een dienst. Ze praatten hem snel even bij over leven en werk van de kunstenaar, zodat hij meer van de tentoonstelling kon genieten. De schilderijen hangen echter niet meer, en sterker: in de bundel ontbreken
zelfs de afbeeldingen die dat gemis nu kunnen ondervangen. De uitgever drukte slechts een miniem aantal plaatjes af, en daarbij zelden de juiste. Zo kan Schama tot in de details een schilderij van Winslow Homer bespreken (‘The Life Line’) terwijl Contact vrolijk het schilderij ‘Hound and Hunter’ afdrukt, dat in het hele stuk niet aan de orde komt. En bespreekt hij details op ‘Het straatje’ van Vermeer, dan zorgt de uitgever voor een uitsnede waar uitgerekend de besproken details op ontbreken.
Schama's aandacht op het gebied van de oude Nederlandse schilderkunst is bovendien beperkt: die gaat vooral uit naar de iconologie, de tak van kunstgeschiedenis die zich bezighoudt met de interpretatie van voorstellingen. Begrijpelijk, want de iconologie is voor de kunstgeschiedenis wat de mentaliteitsgeschiedenis voor de geschiedenis is. Cultuurhistoricus Schama verwees ook in zijn historische bestseller Overvloed en Onbehagen (The Embarrassment of Riches (1987)) ruimschoots naar de ‘diepere betekenis’ van contemporaine schilderijen en prenten. Maar de kunstgeschiedenis van de Gouden Eeuw heeft waarachtig nog wel wat meer te bieden. En Schama's beschouwingen over bijvoorbeeld de problematische iconologische interpretaties van pronkstillevens en landschappen, of over Svetlana Alpers' De kunst van het kijken (The Art of Describing (1983)), waarin zij felle, postmoderne kritiek levert op de iconologie, zijn anno 1998 oude koek. Voor de kenner bieden zij bovendien geen nieuwe informatie - en dat geldt eigenlijk voor het hele boek.
Omdat zijn stukken in maar liefst The New Yorker verschenen, verwacht de lezer in elk geval puntige essays, geschreven in een uitnemende stijl. Maar zelfs daar wordt hij teleurgesteld.
De meeste stukken zijn wijdlopig, alsof Schama maar niet aan het afgesproken aantal

J. Vermeer, ‘Het straatje’, 1658, olie op doek, 54,3 × 44 cm, Amsterdam, Rijksmuseum.
woorden kon komen. Ze zwabberen van de ene naar de andere anekdote en staan vol onverwachte uitweidingen. In journalistieke termen: de urgentie ontbreekt. Er is geen dwingende structuur. Originele opinies ontbreken eveneens: Schama's oordelen zijn conventioneel. Zo is Vermeer een genie, die prachtig sfeer en licht kon weergeven. Vaker is er geen oordeel, maar vooral beschrijving. Schama's rijke stijl, die toch al neigt naar bombast, is erg gemangeld in de hopeloze, veel te letterlijke vertaling. (Die bovendien zonder enig begrip is van de kunsthistorische terminologie, zodat bijvoorbeeld de iconologie steevast iconografie heet). Het boek staat vol aanstellerige adjectieven - ‘een verzwelgend duin’, ‘een onverstoorbare molen’ - en soms regelrechte studentikoze overdrijving; zo zouden ‘zelfs sterke mensen [...] gaan wankelen op hun benen en naar een glaasje water reiken’ als ze
Vermeers Meisje met de parel voor het eerst zien. Of doodgewone onzin: Mondriaan was ‘bijna uitsluitend verfgek’.
Wel aardig als recensies, kortom, maar meer iets voor in de krant.
Kitty Kilian
| simon schama, Kunstzaken. Over Rembrandt, Rubens, Vermeer en vele andere schilders, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1997, 240 p. |