terug  begin  verderprepost

Theater

Het Nederlandse toneelbestel van 1945 tot 1995

Het heeft lang geduurd, maar in Nederland werd het toneel pas vanaf 1945 door de rijksoverheid gesubsidieerd. In 1919 was het onderwerp al in de Tweede Kamer aan de orde gesteld door de socialist Kleerekooper, maar Nederland was echter te zeer verzuild en de confessionelen achtten overheidssteun voor de kunsten een bedreiging voor hun ideologieën. Zo modderde het toneel van de ene financiële crisis naar de volgende en na de recessie werd het alleen maar erger, al vallen er zelfs uit die jaren artistieke successen te melden. Dat de Duitse bezetters na het instellen van de Kultuurkamer in 1942 in feite met de subsidiëring van het toneel zijn begonnen, is beschamend en wordt doorgaans doodgezwegen.

Omdat men na de oorlog in de Tweede Kamer in meerderheid overtuigd was van het opvoedkundig belang van het toneel, maar ook om het toneel van zijn commerciële dwang te bevrijden, kwam er onder de socialistische minister Van der Leeuw een begin van een toneelbestel dat met bescheiden middelen van start ging. Een jaar later, na een kabinetswisseling, zag de katholieke minister Gielen kans daar ruim 25% op te korten ten gunste van het bijzonder onderwijs dat voor de confessionelen veilig moest worden gesteld. Erg diep zat de liefde voor het toneel kennelijk nog niet.

Desondanks heeft dat toneelbestel zich geleidelijk ontwikkeld. Voor een goed lopend bestel is evenwel een goed overleg nodig tussen de betrokken partijen: de subsidiërende overheid die geen inhoudelijk oordeel mag hebben, het adviesorgaan van de minister de Raad voor de Kunst, thans Raad voor Cultuur, dat juist wèl een inhoudelijk oordeel mag, ja moet geven en tenslotte het veld. Dat leverde aanvankelijk weinig problemen op. Het veld was beperkt en overzichtelijk. Maar toen in de jaren zestig een nieuwe generatie acteurs behoefte had aan nieuw repertoire en aan experimenten ontstonden er spanningen, mede omdat er in het beleid van de overheid slechts één ton gereserveerd was voor experimenten. Een schijntje. Verruiming van dit budget was één van de eisen van de ‘Aktie Tomaat’, de druppel die de emmer vol grieven deed overlopen en het vermolmde bestel wegspoelde. Zo kwam er na 1970 meer ruimte voor het experiment en bleek het voor de overheid niet langer mogelijk uitsluitend een volgend beleid te voeren. Hiermee begon een subtiel samenspel tussen de drie partijen dat nodig was om het nieuwe beleid te doen slagen. Een samenspel dat met vallen en opstaan geleerd moest worden. De bloei van het huidige toneel is mede te danken aan de openheid waarmee toneelmakers, adviseurs en beleidsmakers elkaar tegemoet traden en soms via frontale botsingen het juiste evenwicht leerden vinden om een flexibel beleid te voeren.

[p. 114]

Hierover en nog veel meer handelt Van Maanens boek, al vind ik de rol van de Raad voor de Kunst in dit gehele proces wat onderbelicht gebleven. Deze studie is echter veel meer dan een dor overzicht van nota's en beleidsbeslissingen die het toneelbestel markeren. Centraal staat natuurlijk de organisatie van de gesubsidieerde toneelwereld. Maar bij de behandeling van de verschillende fases waarin dit onderwerp behandeld wordt, gaat steeds een schets vooraf van de ontwikkeling van het toneel, de productiekant van het toneelbedrijf, terwijl ook telkens aandacht wordt besteed aan de receptie en de consequenties van beleidsveranderingen. Daardoor ontstaat een helder en trefzeker beeld van het totale theatergebeuren, waarin de distributie vrij uitputtend behandeld wordt met vele en vaak verhelderende statistieken en tabellen.

Maar Van Maanen is nog verder gegaan en creëert een nog ruimer inzicht door zich niet uitsluitend tot de in de titel aangegeven periode te beperken, maar ook een summier, zij het wat vrijblijvend, overzicht van de toneelsituatie voor de oorlog te geven, alsmede een inleidend hoofdstuk over wat het fenomeen toneel nu eigenlijk inhoudt. Hierin probeert hij met succes het ‘ondefinieerbare te definiëren’ en zet hij de maatschappelijke organisatie van de receptie uiteen. Tenslotte aarzelt hij niet aan het slot van zijn boek bij de bespreking van de nieuwste ontwikkelingen een heikel onderwerp als de kwaliteit van toneelkunst aan te snijden, waarbij onderwerpen als de kracht van de verbeelding, de zeggingskracht van kunst, de leer der emoties, het debat over hoge en lage kunst, toneelparticipatie en oorzaken van beperkte belangstelling aan bod komen. Dit alles resulterend in de legitimering van het overheidsbeleid. Een geslaagde krachttoer die de betrokkenheid en kwaliteit van Van Maanen bewijzen. Het is een degelijk en doorwrocht boek geworden dat door opzet en ordening nieuw licht werpt op een nog onbehandelde periode uit de Nederlandse toneelgeschiedenis. Voorbeeldig door de consequente uitwerking en nimmer dor en saai.



illustratie
De ‘Aktie Tomaat’ werd gekenmerkt door hevige discussies. Hier in de Stadsschouwburg in Amsterdam, met rechts een fluitende Josine van Dalsum en aan de microfoon Lo van Hensbergen.

Is er dan helemaal geen kritiek mogelijk? Zeker wel, maar die valt weg tegen de talloze pluspunten en de grootse opzet van dit boek. Ik laat een paar puntjes niet onvermeld. De nadruk die gelegd wordt op de invloed van het zogenaamde Grijze boekje op de organisatie van het bestel na de oorlog is te groot. De opzet van dat nieuwe bestel was van de hand van Hunningher, die tijdens de oorlog in Den Haag met geestverwanten zijn eigen plannen had gesmeed, die bij de opzet minstens zo zwaar wogen, zo niet zwaarder. Tegenover mij heeft Hunningher altijd ontkend zich door het Grijze boekje te hebben laten leiden. De rol van de Raad voor de Kunst blijft onderbelicht, alsmede de wijze waarop in tripartiet overleg het bestel zijn beslag kreeg. De initiatieven van de overheid waren mede het resultaat van dat gemeenschappelijk overleg, het voortdurend toetsen door de overheid van nieuwe ideeën en het altijd openstaan voor suggesties van derden.

En dan zijn er altijd van die kleine foutjes, slordigheden die soms voorkomen hadden kunnen worden. Zo is Van Lennep nooit betrokken geweest bij de oprichting van de Vereeniging ‘Het Nederlandsch Tooneel’ in 1876, hij was toen al acht jaar dood. Toen Gielen in 1946 een eind aan het beleid van Van der Leeuw maakte, werden de regeringsadviseurs ontslagen. Dat gold echter niet voor Hunningher die zich een ambtenarenstatus had laten aanmeten. Gielen bood hem daarop aan hoofd van de Afdeling Kunsten te worden

[p. 115]

op zijn departement, wat Hunningher weigerde, waarna hij op wachtgeld werd gesteld tot hij in 1947 directeur werd van het Coördinatie Bureau voor het Toneel. Bij de discussie na ongeregeldheden door leden van de ‘Aktie Tomaat’ tijdens de voorstelling van De familie Tóth was alleen Guus Oster aanwezig, Han Bentz van den Bergh ontbrak daarbij. De discussie die Oster toezei op 1 november te willen houden ging niet over het Nederlands Toneel, maar over het artistieke beleid van de Nederlandse Comedie. Bewth begon zijn activiteiten niet in de jaren zeventig, maar was al in 1965 opgericht. Mickery verhuisde pas in 1972 naar de Rozengracht en niet in 1969. Het subtiele verschil tussen Toneel/T(h)eatraal met en zonder h is Van Maanen kennelijk ontgaan, hij blijft het als eerlijk product van de jaren zeventig consequent zonder h schrijven. Jammer is ook dat er in de tekst soms naar publicaties wordt verwezen die dan niet in de bibliografie zijn opgenomen: b.v. (Binnerts, 1992, 34) of ‘Weide schreef...’ maar het blijft onbekend waar. Overigens laat het register veel te wensen over. Inconsequent en veel namen ontbreken of worden niet altijd opgenomen. Tenslotte miste ik nog een aspect dat met toneelsubsidie te maken heeft: te groot succes. Subsidie wordt namelijk verstrekt om tekorten te dekken. Op elke voorstelling moet geld toegelegd worden. Wanneer nu een gezelschap een periode van grote successen kent, zoals De Appel of Het Zuidelijk Toneel, dan is de vraag naar voorstellingen zo groot dat de tekorten evenredig groeien. Dergelijke gezelschappen worden dan gestraft voor hun succes, want de overheid doet niets om de op die manier ontstane tekorten te dekken met als grootste slachtoffer het publiek dat niet aan zijn trekken kan komen, want onvermijdelijk moet zo'n successerie dan worden afgebroken.

In het licht van het gehele boek zijn dit peanuts, die met de mantel der liefde kunnen worden afgedekt. We mogen Van Maanen dankbaar zijn voor dit werk. Nu nog zo'n studie over het toneelbestel in Vlaanderen en de toneelgeschiedenis der Nederlanden is op dit onderdeel weer geheel up to date.

 

R.L. Erenstein

hans van maanen, Het Nederlandse toneelbestel van 1945 tot 1995, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1997, 422 p.

prepostterug  begin  verder