terug  begin  verderprepost
[p. 117]

Muziek

Anton Bruckner en het Concertgebouworkest

Anton Bruckner, Richard Strauss en Gustav Mahler kunnen bij het Concertgebouworkest - gesticht in 1888 en een eeuw later met het predikaat ‘Koninklijk’ vereerd - op een lange uitvoeringstraditie prat gaan. Om de herdenking van de honderdste verjaardag van Bruckners overlijden - 11 oktober 1896 - de nodige luister bij te zetten, organiseerde dat orkest in het seizoen 1996-1997 niet alleen een aantal concerten, maar het nam ook het initiatief tot een publicatie waarin de Amsterdamse uitvoeringstraditie centraal staat: Bruckner en het Koninklijk Concertgebouworkest.

Bruckner heeft lange tijd op internationale erkenning moeten wachten en hij is nog steeds geen populair componist. Van zijn religieuze werken konden slechts drie van de zeven voltooide missen en het Te Deum zich een plaats in het concertleven veroveren. Van de tien symfonieën - van de nulde tot de negende - worden er maar een viertal frequent geprogrammeerd: de derde of Wagnersymfonie, de vierde of de Romantische, de zevende met het beroemde adagio als treurzang bij de dood van de meester uit Bayreuth en de onvoltooide negende.

Uit de verschillende bijdragen blijkt duidelijk waarom de gemiddelde muziekliefhebber vaak moeilijk toegang vindt tot Bruckners composities. Kan hij bij Beethoven of Mahler nog terugvallen op hun tragische levensloop en de verklanking die ze ervan gaven, bij Bruckner wordt hij daarentegen geconfronteerd met wat Michaël Zeeman ‘een raadselachtige alledaagsheid’ noemt, ‘een levensverhaal van schoolsheid en kleinburgerlijke ambities’ dat moeilijk te rijmen valt met de architecturale grootsheid en diepgang van zijn muziek. De auteur omschrijft haar dan ook ‘als gewelddadige pogingen ruimte te scheppen, als ontzagwekkende ontsnappingspogingen’ uit de benauwdheid die Bruckners kleurloze leven in de provincie en zijn lange leertijd kenmerkte. Op zijn zevenendertigste legde hij nog examens af en hij was al vierenveertig toen hij zich in Wenen vestigde. Zijn lompe onhandigheid en schijnbare naïviteit, zijn vroomheid, onderdanigheid en krenterigheid gaven er aanleiding tot talloze anekdotes. Eindeloos naverteld, schiepen ze het beeld van een solide Oostenrijkse boer die zich bij het componeren eerder liet leiden door instinct en intuïtie dan door kennis en inzicht. Een beeld dat Cornelis van Zwol in zijn bijdrage Anekdote en werkelijkheid toch probeert te nuanceren. Zo was Bruckner een fervent danser en uitstekend zwemmer. In zijn gespannen verhouding met Brahms was hij verre van de underdog waarvoor men hem graag laat doorgaan. Op Brahms vernederende opmerkingen wist hij echt wel te repliceren. Toen deze hem vertelde: ‘Uw derde symfonie is me niet bevallen’, antwoordde Bruckner fijntjes: ‘Maar meester Wagner, die hield er wel van.’

Als Bruckners muziek weerstanden blijft oproepen, dan is het juist omdat ze zo origineel is. Interessant in dit verband zijn de karakteriseringen die enkele geïnterviewde dirigenten neerzetten. Voor Riccardo Chailly is Bruckner ‘vernieuwend, provocerend, avant-gardistisch’ en hielp hij de Tweede Weense School ontkiemen. Kurt Sanderling beschouwt hem als ‘de enige echte muzikale positivist in de tweede helft van de vorige eeuw’. Op een volstrekt persoonlijke wijze verzette hij zich tegen de toen alles overheersende morbiditeit waarvan Mahler de chroniqueur was en Richard Strauss het slachtoffer werd. ‘Een eenzaam geloovige temidden der profanen, verdwaald in een tijd van relativistische pessimisten, een natuurkind onder technici’, zoals Rudolf Mengelberg al in 1921 schreef.

Bruckner blijft weliswaar traditionele vormen gebruiken, maar hij bouwt ze tot kolossale constructies uit. De sonatevorm in de eerste delen en finales vertoont niet twee, maar drie thema's (waarvan het tweede meestal lyrisch is), een doorwerking en reprise die soms niet duidelijk te scheiden zijn en een lange coda. De orkestratie die duidelijk de organist verraadt, zorgt ervoor dat de verschillende instrumentengroepen met hun eigen klankkleur in onafhankelijke blokken tegenover elkaar staan. Zo ontstaat meermaals het gevoel dat Bruckners bewegingen geen evolutie weergeven, maar uit autonoom naast elkaar geplaatste fragmenten bestaan. Omdat zijn symfonieën zowel in het gebruik van motieven en thema's als in de orkestratie nauwelijks van elkaar verschillen, hebben kwaadsprekers wel eens beweerd dat hij steeds weer dezelfde sym-

[p. 118]



illustratie
Anton Bruckner (1824-1896).

fonie heeft gecomponeerd. ‘Mede hierdoor’, aldus Johan Giskes in zijn bijdrage Bruckner in de schaduw van Mahler, ‘wordt deze muziek als zeer lang ervaren.’ Wie in 1947 de eerste plaatopname van een symfonie van Bruckner door het Concertgebouworkest wilde beluisteren, moest maar liefst vijftien kantjes van telkens vier minuten omdraaien.

Bruckner was een perfectionist die het niet kon laten zijn werken steeds weer onder handen te nemen. Het sterkste voorbeeld is ongetwijfeld de derde symfonie waarvan drie versies bestaan. Van het adagio zelfs een vierde. Deze verschillende ‘Fassungen’ vormen een bijkomend obstakel voor de modale muziekliefhebber die in een programma of een inlegboekje bovendien nog te lezen krijgt dat de gekozen versie wordt uitgevoerd in de kritische uitgave van Robert Haas of Leopold Nowak. In Anton Bruckner en zijn ‘Fassungen’ - een probleem? geeft Cornelis van Zwol een volledig en duidelijk overzicht van dit verwarrende aspect van Bruckners muziek. Jammer dat zijn bijdrage niet meer vooraan in het boek werd opgenomen: de lezer zou er ongetwijfeld zijn voordeel mee kunnen doen tijdens de lectuur van de hoofdstukken uit het tweede deel, waarin Nico Steffen uitgebreid de receptiegeschiedenis van Bruckner in Nederland behandelt.

Hoewel de componist er al vanaf 1885, via het ‘kamp’ van de Wagnerianen, was geïntroduceerd en Willem Mengelberg met het Concertgebouworkest zijn symfonieën vrij regelmatig had uitgevoerd, duurde het toch tot 1931 voordat Bruckner er definitief werd geaccepteerd. Die ommekeer kwam er door een betere informatie van het publiek - de programmatoelichtingen van Eduard Reeser waren daarbij toonaangevend - door het werk van de in 1934 opgerichte Nederlandsche Bruckner-Vereeniging, maar vooral door de aanstelling in 1931 van Eduard van Beinum tot tweede dirigent van het orkest. Tot aan zijn plotse dood in 1951, inspireerde deze vertolker die ooit beweerde: ‘Bruckner is my daily bread and butter’, het Concertgebouworkest ‘tot die warme klank, waarom het beroemd is geworden en die in volmaakte harmonie is met Bruckners muziek’. Wie zich daarvan wil vergewissen, vindt bij het boek een nog niet eerder op cd verschenen uitgave van een uitvoering door het Concertgebouworkest onder zijn leiding van de vijfde symfonie. In Bernard Haitink vond Van Beinum een opvolger die met evenveel ijver en competentie Bruckners oeuvre verdedigde. Naast deze twee dirigenten worden er heel wat andere besproken, in het bijzonder Eugen Jochum die van 1961 tot 1963 eerste dirigent van het Concertgebouw was. Op Riccardo Chailly rust nu de taak de Bruckner-traditie op zijn eigen wijze uit te bouwen.

 

Dirk vande Voorde

hans ferwerda, johan giskes en truus de leur (eindredactie), Bruckner en het Koninklijk Concertgebouworkest, Thoth (i.s.m. het Kon. Concertgebouworkest), Bussum, 1997, 174 p.

prepostterug  begin  verder