terug  begin  verderprepost

Film

Soekarno beet in de appel

In 1977 had ik nog niet de gezegende leeftijd van zestien bereikt. Voor een groot gedeelte van de filmproductie gold daarom voor mij een onverbiddelijk ‘no passeran’. Maar er was één film die mij toen zo aantrekkelijk leek, dat ik er een illegale doorbraak voor heb geforceerd, dat was Soldaat van Oranje van Paul Verhoeven.

De film maakte een diepe indruk: het ging er zo ruw en oneerbiedig aan toe dat ik me inbeeldde dat dit realisme het echte leven vertegenwoordigde. Ik herinner me ook een martelscène, waarin een verzetsstrijder, ik weet niet meer wie, hardhandig wordt aangepakt. De film flitste door mijn hoofd toen ik naar Gordel van Smaragd zat te kijken. Paul Verhoeven is weliswaar Orlow Seunke niet, maar ook hier speelt de Nederlandse identiteit tijdens en na de oorlogsjaren een belangrijke rol (er wordt trouwens ook in deze film een Nederlander op de folterbank gelegd).

Gordel van Smaragd speelt zich af in de jaren veertig in Nederlands-Indië. Het valt op dat het thema van oorlog, verzet en collaboratie in de kolonie in Nederland flink wat gevoeliger ligt dan in Vlaanderen. De periode heeft er grote trauma's achtergelaten, vooral naar aanleiding van de Japanse bezetting en de internering van alle Nederlanders in concentratiekampen. Het einde van de oorlog in Nederlands-Indië leidde eigenlijk ook het einde van de Nederlandse kolonisarieperiode in. Zoals bekend, is het geen elegante overgang geworden: de Nederlanders hebben verschillende malen (denk vooral aan de twee ‘politionele acties’ in 1947 en 1948) geprobeerd met geweld het gezag van de Nederlandse koningin te herstellen. Pas in 1949 wordt het bestuur over Nederlands-Indië, onder druk van de Verenigde Naties, overgedragen aan de Indonesische regering van Soekarno.

Wie de gebeurtenissen niet meer juist op een rij heeft, krijgt van Orlow Seunke een didactisch en gestructureerd overzicht. De periode 1939-1949 wordt opgesplitst in ongeveer tien episodes: ‘het koloniale leven van voor de oorlog’, ‘Nederlands-Indië bereidt zich voor op de oorlog’, ‘de kampen’, ‘het einde van de oorlog’, ‘de politionele acties’, enzovoort. Seunke documenteert depolitieke ontwikkeling uitvoerig met archiefbeelden. Daarnaast plaatst hij een romance die niet alleen de verhouding Nederland-Indonesië belichaamt, maar die ook een bindend element vormt voor de verschillende etappes van de ‘grote’ geschiedenis. Zo volgen we een zekere Theo Staats (Pierre Bokma), die in 1939 in Nederlands-Indië aankomt om er op de

[p. 121]

rubberplantage van zijn oom te werken. Hij ontmoet Ems (Esmée de la Bretonière), half-bloed en zangeres in een Nederlandse club, gehuwd met Herman. Tussen hen groeit een gepassioneerde liefdesrelatie. Tijdens de bezetting komt Herman om. Theo belandt in een kamp, maar overleeft de oorlog dankzij de collaboratie van Ems, die de Nederlandse club ombouwt tot een bordeel voor de Japanners.

In ruil daarvoor wordt het leven van Theo gespaard. Maar de oorlogservaring zal wonden slaan in hun verhouding. De naoorlogse polarisatie tussen Nederlanders en Indonesiërs creëert een psychologisch complexe situatie. Vooral ‘Indo-Europeanen’, zoals Ems, zijn daar het slachtoffer van. Ze zijn geen echte Nederlanders, maar ook geen Indonesiërs. Voor welke identiteit moeten ze nu kiezen?

Het scenario van Seunke laat die morele en psychologische complexiteit goed uitkomen. Een voorbeeld: wanneer de Indonesiërs na de Japanse capitulatie in 1945 de onafhankelijkheid uitroepen, mogen de Nederlandse gevangenen het kamp verlaten, maar het klimaat is zo anti-Nederlands dat de meeste er wijselijk voor kiezen nog een poos achter prikkeldraad te blijven. Het Japanse leger blijft op post, het krijgt de opdracht de Nederlanders te beschermen tot er geallieerde troepen aangevoerd kunnen worden. Een vreemde situatie.

De jaren 1939 tot 1949 zijn een geladen periode in de geschiedenis van Indonesië en Nederland. De kijker wordt er vanzelf in meegezogen. In de Nederlandse fascinatie zit allicht ook een stuk romantische nostalgie naar ongerepte en vervlogen tijden, je vermoedt die in elk geval bij de maker van deze film. Een heimwee naar een exotische wereld, die, omdat zij zo ver weg is, de allures krijgt van een tuin van Eden. Tot Soekarno in de appel bijt.

Gordel van Smaragd is alleen al om die cultuurhistorische reden een interessante film. Hij werd erg verzorgd in beeld gebracht, wat te verzorgd misschien: exterieurs, interieurs, kleding, make-up zien er bijzonder ‘glamorous’ uit.

illustratie
Ems (Esmée de la Bretonière) en Theo (Pierre Bokma) in ‘Gordel van Smaragd’ van Orlow Seunke - Foto Linda Kastanja.

Van wanorde of slijtage geen spoor, de geur van boenwas hangt nog in de gordijnen.

De historische beelden die elke episode inleiden worden off-screen becommentarieerd door Theo, soms door Ems. Het procédé overtuigt niet helemaal. Net zomin als de talrijke parallelmontages tussen de warme sfeer in de club waar Ems liefdesliedjes zingt en de sombere wereld erbuiten. De schaarse dialogen missen ook wat verbeelding, ze zijn vooral gericht op het verstrekken van noodzakelijke informatie.

Seunke wil niet alleen heel de Geschiedenis op de voorgrond, hij wil er ook nog de Liefde bij. Hij moet nu echter zoveel informatie aan de kijker kwijt, dat hij zich niet kan permitteren om ook maar ergens bij stil te blijven staan. De personages worden daardoor gereduceerd tot kartonnen poppetjes, die bewogen worden door de onzichtbare draden van de Geschiedenis. Helaas is dus ook Seunke, die eerder met Oh Boy! (1991), Pervola (1985) en De smaak van water (Gouden Leeuw Venetië, 1982) sfeervolle en poëtische Nederlandse films maakte, niet helemaal ongeschonden uit het Indonesische avontuur thuisgekomen.

 

Erik Martens

prepostterug  begin  verder