terug  begin  verderprepost

Kåre Langvik-Johannessen: onze culturele zaakwaarnemer in het Hoge Noorden

In 1989 werd de Noorse neerlandicus Kåre Langvik-Johannessen (º1919) emeritus van de universiteit van Oslo. Hij kreeg een Nederlands-Oostenrijks Liber amicorum aangeboden (Leuven 1989) en met een knipoog naar zijn vitaliteit werd hem een welverdiende rust toegewenst. Maar dat was buiten de waard gerekend. Op 15 november 1995 ontving Johannessen een eremedaille van de stad Brussel voor drie nieuwe studies die alle aan het theater van de hoofdstad zijn gewijd en als cahiers van het verdienstelijke Studiecentrum 18de-eeuwse Zuidnederlandse Letterkunde zijn gepubliceerd. Ze handelen over Cammaert (1991), de Brusselse ‘hoofdtonelen’ (voor de auteur een variant op de Weense ‘Haupt- und Staatsaktionen’) (1993) en de Don Renory van Jacob de Ridder (1994). Daarmee heeft de dynamische Vondelkenner de bakens verzet en een nauwelijks ontsloten vakdomein geopend. Zijn twee ‘Brusselse’ hoofdstukken in de recente Theatergeschiedenis der Nederlanden (Amsterdam 1996) laten over het belang van zijn nieuwe interesse geen twijfel bestaan. En er zijn meer publicaties op komst. Deze nieuwe oriëntatie van Johannessens onderzoek is niet verrassend voor wie zijn belangstelling voor het toneel als spektakel en het Weense theater kent: de relatie Brussel-Wenen heeft hem altijd geboeid. Er zijn dus vele redenen om op het werk van een van de actiefste extramurale neerlandici nog eens de aandacht te vestigen.

De buitengaatse neerlandistiek brengt zeer gekwalificeerde sprekers en lezers van onze taal en uitstekende vertalers voort en langzamerhand ook steeds meer grensverleggende wetenschappelijke vorsers en specialisten met gezag. De literairhistoricus uit Oslo is er zo een. Hij neemt ten volle deel aan de vakbeoefening in de moederlanden, hij is ermee in dialoog, onder-

[p. 129]

vraagt haar, verrijkt haar, verbaast en irriteert haar, soms als een bevreemdend noorderlicht. Hij bekijkt onze literaire cultuur van buitenaf, in haar verleden en haar heden, en legt daarom heel eigen, soms eigenzinnige accenten die ons altijd iets leren over dingen die wij van binnenuit niet zien en soms niet eens kunnen zien. Op zijn minst origineel te noemen zijn Johannessens interviews naar aanleiding van de uitreiking van de Nobelprijzen voor de literatuur, waaruit eigenzinnige voorkeuren en een bijzondere kijk op onze letteren blijken.

De beste toegang tot Johannessens onderzoeksprofiel vormen nog steeds zijn Vondel-boeken, waarvan het eerste, Zwischen Himmel und Erde (1963, zijn proefschrift) van een voorwoord is voorzien van zijn promotor, Anton van Duinkerken. Beiden - de wat wereldvreemde, speculatieve, musicerende Noor en de gulle, luidruchtige, spits orerende Brabander hebben weliswaar niet alles maar toch veel gemeen. Zo de manier waarop ze over literatuur spreken en schrijven: steeds bezield en gedreven, vanuit een enorme literaire cultuurkennis, waarbij ze de Europese letterkunde in alle richtingen in tijd en ruimte vrij doorklieven, nooit beducht voor kritiek, tuk op cultuurhistorisch georiënteerde psychologische interpretaties en weidse intellectuele vergezichten. Nog in Johannessens laatste Vondelstudie, Het treurspel spant de kroon (1987) valt dat op. Het boek staat haaks op de manier waarop de historische letterkunde thans bij ons wordt beoefend. Deze is - gelukkig maar - veel van haar zelfvertrouwen verloren. Ze is zich meer dan ooit tevoren bewust van de valstrikken van de geschiedenis. Ze richt haar aandacht niet alleen op de literaire werken zelf, maar ook op de systemen die deze werken hebben voortgebracht, gestuwd en gekleurd; ze wijst op het eindeloze web van contexten, op de manier waarop de letterkunde in de samenleving functioneerde. De aandacht voor de canon is weggeëbd, uitingen van esthetische waardering worden als onwetenschappelijk van de hand gewezen. Johannessen vertegenwoordigt - zij het al minder in zijn ‘Brusselse’ studies -

illustratie
K. Langvik-Johannessen (º1919) - Foto B. Coecke/VUM.

een geheel andere benadering. Hij werkt vooral tekstimmanent en put zijn informatie haast uitsluitend uit de stijl, de structuur en de symboliek van het werk zelf. Deze gegevens confronteert hij vervolgens zonder schroom met zijn literaire eruditie en smaak, hij plaatst ze in een historisch genreperspectief en trekt daaruit soms met vaart en vaardigheid zeer koene conclusies. Niet altijd kan hij daarbij op het begrip van iedereen rekenen. Maar zelfs al roept zijn methode soms twijfels op, nooit wordt ontkend dat zijn Vondelgeschriften prikkelend zijn, aanzetten tot reflectie en meer dan eens ook verrassende openingen maken. Wat het meest aanspreekt, zijn niet de cultuurhistorische conclusies, maar de indringende manier waarop de auteur een dramatische partituur vanuit de tekst weet te analyseren. In zijn handen worden de beste drama's van Vondel, die nu in het beste geval tot leesteksten zijn herleid, weer échte toneelstukken. Johannessen is een buitengewoon scherp lezer. Hij heeft oog voor de kleinste nuance. Vooral dat maakt vele van zijn analyses zo subtiel. Dat hij daarbij zijn uiteenzettingen lardeert en verrijkt met essayistische buitelingen, waarom zou dat iemand moeten ergeren? Zeker, hij rent en danst van Vondel naar Bach en de Eupense romanschrijver Peter Schmitz, van Badeloch naar Fidessa, van Van Nieuwelandt naar Thomas van Aquino, van Cats naar Elckerlijc, van Vondels Zungchin naar Maeterlinck. Maar, is dat niet het genoegen waarvan elite literatuurconnaisseur droomt? Naast de streng historische benadering mag en moet er ook ruimte zijn voor het literairhisto-

[p. 130]

risch kritisch essay, een genre dat uit ons literaire landschap lijkt te verdwijnen. Johannessen lezend, bevindt men zich niet tussen de strakke boekenrekken van een strenge academische leeszaal, maar in een warme literaire salon waarvan de gasten zich, niet gehinderd door de methodologische etiquette en zolang ze geen echte dwaasheden begaan, vrij mogen bewegen. Mag zijn beruchte psycho-symbolische configuratiemodel (waarin de personages symbolisch het conflict van de tragische held mee uitbeelden), dat hij ook op de Esmoreit en Grillparzer heeft toegepast, historisch voor kritiek vatbaar zijn, gezien als een toegewijde queeste naar een universele dramatypologie biedt het op zichzelf verrijkende uitzichten. Het Grillparzervers Die Andacht bindet sich an keine Zeit kan van Johannessens oeuvre het motto zijn.

De talloze studies en artikelen waarin de Noor in de Scandinavische media over onze cultuur en maatschappij bericht en vooral zijn vertalingen verdienen eveneens grote erkentelijkheid. Recente prestaties van formaat zijn een vertaling van Ruusbroecs Cierheit der gheesteliker Brulocht en een editie met Noorse vertalingen van de verschillende Beatrijslegenden. Zij volgen op vertaalwerk van allerlei tekstsoorten uit allerlei periodes. Bijvoorbeeld: de Seven manieren van minne naast Teirlinck, Coolen en Vermeylen, talrijke novellen uit Noord en Zuid, boeken van Couperus, Den Doolaard, Van Eden en Spillebeen. Bovendien heeft Johannessen veel vertaalwerk gestimuleerd, ingeleid en toegelicht. Hij was en is nog steeds onze eminente culturele zaakwaarnemer in het hoge Noorden. Zegt men van sommige in de wetenschap vergrijsde geleerden dat zij wandelende bibliotheken zijn, déze man is op zichzelf een hele ambassade waard.

 

Karel Porteman

prepostterug  begin  verder