Nederlanders gevangen werd gehouden en van wie hij verhalen naar buiten smokkelde en hielp publiceren.
Dit was het begin van een levenslange vriendschap - ook na 1965 - met Pramoedya, die zijn vierdelige, op het strafeiland Buru geschreven romancyclus Karya Buru aan hem heeft opgedragen.
Bij de soevereiniteitsoverdracht koos Resink voor het Indonesisch staatsburgerschap, en ook aan die keus is hij altijd trouw gebleven, hoe moeilijk dat voor hem persoonlijk ook geweest moet zijn in de jaren na 1956, toen Nederland en Indonesië verwikkeld waren in een rampzalige confrontatie over Nieuw-Guinea en alle betrekkingen verbroken werden. Pas eind jaren zestig kwam daarin weer verandering toen er een Cultureel Akkoord gesloten werd. Voor Resink stond dit hernieuwd cultureel contact echter altijd in internationaal perspectief, en zo werd op zijn voorstel het Nederlands cultureel centrum in Jakarta genoemd naar Erasmus, de eerste Europeaan uit de Lage Landen. Ook heeft hij zich toen diplomatiek en charmant, maar met krachtige volharding ingezet voor het instellen van een studierichting Nederlandse taal en literatuur aan de Universitas Indonesia.
Voor hem ging het daarbij in de eerste plaats om cultuur en literatuur, en dus om het hele Nederlandstalige cultuurgebied, zoals in het kwatrijn De Nederlanden:
Onooglijk van De Panne tot Uithuizer Wad
ligt langs de rand van een klein continentaal plat
het nederig rotland, dat in een beschaving
's werelds haven en Europa's hoofdstad omvat.
Als dichter hoorde hij bij de Nederlandse taal, en wat dit betreft dacht hij er - zoals hij me op het hart drukte voor ik in 1989 uit Jakarta vertrok - precies zo over als Ons Erfdeel, waarin tussen 1968 en 1983 een achttal bijdragen van hem verscheen, zowel gedichten als essays over Nederlandse literatuur, over tropenbellettrie en over Europese cultuurinvloeden in Indonesië. In totaal heeft hij in het spoor van Du Perron ruim 25 literaire essays geschreven, over Multatuli, Friedericy en Van Schendel, over Nijhoff en Verlaine, over Chairil Anwar en Rainer Maria Rilke, maar in het bijzonder over Joseph Conrad, Arthur Rimbaud en Claude Debussy. Ze liggen verspreid over allerlei Nederlandse, Engelse, Franse en Indonesische tijdschriften

G.J. Resink (1911-1997).
(zie de bibliografie in
Snoek 1987). Bij elkaar vormen ze een buitengewoon boeiend Euro-Indonesisch Memorandum, dat getuigt van een ongewone en veelomvattende kennis en eruditie, en dat net als zijn rechtshistorisch werk geschreven is vanuit een verfrissend on-Nederlands, internationaal perspectief. In 1993 heeft hij deze reeks afgesloten in
Ons Erfdeel met een belangrijk, kritisch artikel over ‘Indisch-Nederlandse letterkunde, Nederlandse tropenbellettrie, Euro-Indonesische literatuur’.
(1)
Binnen de Nederlandse literatuur neemt de dichter Resink een bijzondere positie in. Naast Noto Soeroto en Jan Prins is hij de enige Nederlandse dichter van betekenis uit Indië/Indonesië - een betekenis die terstond is opgemerkt door critici als Paul Rodenko, Hendrik de Vries, Adriaan Morriën en Kees Fens. Een uitgave van zijn ‘Verzamelde Gedichten’ is voorbereid door Bert Paasman en ik hoop van harte dat die spoedig zal kunnen verschijnen.
Zijn poëtisch oeuvre omvat ongeveer tweehonderd gedichten, verspreid over een aantal tijdschriften en een drietal bundels: Opde breuklijn (1952), Kreeft en Steenbok (1963) en Transcultureel (1981). Zoals deze titels aangeven, is in Resinks poëzie een dubbele wereld te vinden, die tegelijk Europees en Javaans is. Zijn kwatrijnen zijn transcultureel, tegelijk puntdichten en pantoens; en Hermes wedijvert daarin met Hanoman. In het betoverende sonnet Meer van Ngebel gaat een Indonesische inhoud samen op met Nederlandse taal- en uitdrukkingsvormen;