Het boek waarop Michel van Nieuwstadt in 1997 aan de Katholieke Universiteit Brabant bij prof. Jaap Goedegebuure promoveerde, is meer een essay dan een wetenschappelijke studie; een loodzwaar essay, maar toch een essay, want het hoofdonderwerp ervan is de schrijver zelf, zijn denken, zijn intellectuele bagage, zijn lectuur van Menno ter Braak, zijn op Roland Barthes, Jacques Derrida, Theodor W. Adorno, Walter Benjamin en ‘zijdelings’ ook Massimo Cacciari ‘geïnspireerde leeswijze’. Men zou het boek enigszins vaag een neomarxistische, poststructuralistische confrontatie met Ter Braak kunnen noemen, of - wat concreter - het verslag van Van Nieuwstadts confrontatie met Ter Braak in het licht van zijn lectuur van Barthes, Derrida, Adorno, Benjamin en vele anderen. Dat boek, dat toch ook over de verrukkingen van het schrijven gaat, heet De verschrikkingen van het denken en inderdaad, het denken neemt er soms schrikwekkende vormen aan, zo ondoorgrondelijk kan het zijn; maar het heet ook, in de ondertitel: ‘Over Menno ter Braak’, en dat wekt de verwachting dat het erop uit is het werk van Ter Braak te behandelen (dat gebeurt ruimschoots en zeer gedetailleerd) en te verhelderen. Dat laatste gebeurt helaas nauwelijks, doordat de context waarin het behandeld wordt zich daartoe kennelijk slecht leent. Van Nieuwstadts kennis en belezenheid zijn indrukwekkend, maar helpen ons niet aan inzicht in het werk van de essayist en criticus die hij heeft uitverkoren. Wie het boek achter zich heeft, is over Menno ter Afbraak, die Reinaert uit Eibergen, Don Quichot in Den Haag, niet veel wijzer geworden en heeft zeker geen ander beeld van hem dan tevoren; dan het gewone uit de literatuurgeschiedenisboeken.
Een moeilijkheid met Ter Braak is dat hij zelf niet altijd zo'n goed te volgen, heldere denker is. De virtuositeit die zijn stijl bij vlagen heeft, het enthousiasmerende en zijn jongensachtige bravoure leiden af van veel vreemde paradoxen, gegoochel met woorden en ingewikkelde, slecht te begrijpen redeneringen en gevolgtrekkingen. Wie zich over het werk van zo'n schrijver buigt, zou zelf juist een grote behoefte aan helderheid moeten hebben en over het vermogen moeten beschikken, niet om wat ingewikkeld en moeilijk is eenvoudig en gemakkelijk te maken, maar wel om er toegankelijk en begrijpelijk over te schrijven. Van Nieuwstadt schiet daarin ernstig tekort. Vaak onleesbaar en soms onbegrijpelijk schrijven voor een toch geïnteresseerde en met de stof ten dele vertrouwde lezer, dat is geen verdienste voor een schrijver. Het is vooral ook erg jammer, omdat hij op zichzelf een hoop te bieden heeft, aan het denken zet, uitdaagt tot lectuur en allerlei aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek en heroverweging van oude inzichten.
Zelf is hij daarin niet altijd succesvol. Er zijn twee punten - hij vestigt er met nadruk de aandacht op - waarop hij nieuw pretendeert te zijn. Hij hecht aanzienlijk meer waarde en maakt ook meer werk dan anderen van de jonge Ter Braak, in het bijzonder het boek waarmee die zijn jeugd afsloot, Het carnaval der burgers (1930), waarin een tegenstelling werd opgeworpen tussen de burger en de dichter, die vervolgens weer geslecht werd (‘synthese’) met een beroep op de burger in de dichter en de dichter in de burger. Van Nieuwstadt ziet hierin een keuze voor de burger. Dat lijkt mij niet onjuist, maar het is niet erg verrassend. Bovendien: het verlies van het dichterschap van de jeugd, daar stond bij de burger Menno ter Braak wel het een en ander tegenover: de grote essays waarin hij verantwoording afleg-
de, vooral Politicus zonder partij (1934), zijn bevlogen polemieken, zijn omvangrijke literair-kritische werk en zijn ontwikkeling van apolitiek estheet tot geëngageerd denker en criticus, fel tegenstander en bestrijder van het nationaal-socialisme.
Het tweede punt is merkwaardiger. Van Nieuwstadt verwijt de Ter Braak-kritiek, in het bijzonder H.A. Gomperts (De schok der herkenning, 1959), dat zij de invloed van Nietzsche gebagatelliseerd heeft ten gunste van Du Perron. Gomperts zou Ter Braaks Nietzsche-lectuur te vroeg gedateerd hebben, waardoor die samen kwam te vallen met de kennismaking met Du Perron, en hij zou wat Ter Braak van Nietzsche overnam te zeer gerelativeerd hebben door het als ‘herkenning’ voor te stellen. Daarmee zou hij ‘het gesternte van Nietzsche uit het planetarium van de Nederlandse letterkunde hebben verwijderd’. Vooral dit laatste is rijkelijk absurd. Ter Braak zelf heeft het enorme belang dat Nietzsche voor hem had nooit onder stoelen of banken gestoken, integendeel, hij heeft er anderen juist op gewezen als zij dat naar zijn mening onvoldoende deden. Het was trouwens algemeen bekend, zoals ook dat voor Marsman en Vestijk in mindere mate hetzelfde gold. Niemand die zich in Ter Braak verdiepte, kon het ontgaan en niemand kon er onderuit. Om zijn afhankelijkheid van Nietzsche is hij juist ook wel gekritiseerd, bv. door Nijhoff. En wat die datering betreft: Ter Braak zocht contact met Du Perron in november 1930. In april 1931 schrijft hij hem dat hij Jenseits von Gut und Böse las, dat hij nog niet kende (ander werk dus kennelijk wel), en hoe goed hij dat vond; in mei hoe goed hem ‘een bad in Nietzsche’ deed. Het is duidelijk dat het op gang komen van de vriendschap met Du Perron wel degelijk met de grondige verdieping in het werk van Nietzsche samenviel. Onopgehelderd blijft in hoeverre Du Perron misschien juist remmend heeft gewerkt en in hoeverre Ter Braak misschien ook invloed op Du Perron kan hebben uitgeoefend. Het planetarium blijft het bestuderen waard.
Van Nieuwstadts boek mag dan eerder een essay dan een wetenschappelijke studie zijn, het heeft toch wel het aanzien van zo'n studie, met veel noten, een uitgebreide bibliografie en een register. Met een dergelijk ‘apparaat’ stelt de geleerde schrijver zich kwetsbaar op. Je kunt hem belachelijk vinden om wat hij allemaal meende te moeten vermelden of honen om wat hem ontging. Tot beide ben ik geneigd, maar ik zal met één titel volstaan. Van Nieuwstadt behandelt Ter Braak op Europees niveau en meet hem met hoge maatstaven. Hij geeft aan dat hij hem de rang van Europees schrijver wil verlenen, of teruggeven. Juist omdat dat is toe te juichen, dient het gelaakt dat hij niet ingaat en zelfs nergens melding maakt van zijn directe voorgangers in dat streven, Douwe Fokkema & Elrud Ibsch in Het modernisme in de Europese letterkunde (1984), Modernist Conjectures. A Mainstream in European Literature (1987). Essayisten die als Van Nieuwstadt belangstelling wekken voor zichzelf zijn zij niet, maar zij streefden wél de helderheid na die ik bij hém node mis.
Herman Verhaar
| michel van nieuwstadt, De verschrikkingen van het denken. Over Menno ter Braak, Historische Uitgeverij, Groningen, 1997, 380 p. |