terug  begin  verderprepost
[p. 231]

[Gedichten]

Robert Anker

 
De auto ontdekt,
 
in een korte boog de brug op.
 
Beneden op het dek
 
wuift de vrouw mij naar het midden
 
waar een stoet van schepen onderlangs mij gaat.
 
 
 
Open de ramen! Boordje los!
 
(close-up van rechtervoet en -pols)
 
‘All I hear is your gear’
 
 
 
Later kom ik bij mijzelf tot stand
 
aan een bosrand:
 
‘Zon, mist en stilte’, was toch mijn bestemming
 
‘en dan voor immermeer’?
 
Ik kom zo nergens aan en rijd terug.
 
 
 
Beton, daarop de banden, de volstrekte wind:
 
dit is niet voorbij te komen.
 
 
 
's Avonds thuis, weer ingescheept,
 
herken ik flarden van reclame op tv:
 
Citroen GS X2.

Uit: Waar ik nog ben, 1979.

[p. 232]

Robert Anker

Pom pom pom
 
Hij groet de dingen met een klopje en de juffrouw op de gang.
 
Bestelt verkleinwoordjes en zingt daartoe zijn naam.
 
Omdat er is een antwoord en koffie en een baan.
 
 
 
Moet hij weer naar huis toe met de pont van half zes.
 
Zijn fiets heeft nieuwe banden en versnellingen wel tien.
 
Daar krijgt hij snel wat hoogte mee tot na een straat of zes
 
de vouw weer uit zijn broek is, hé, precies bij het café.
 
 
 
Voor de dood niet bang roept hij om pinda's en jenever.
 
Hij slaat je op je rug en tot hij zingt duurt niet zo lang.
 
Hoe doe je dat, de blonde aan de tap blijft onbereikbaar.
 
De liefde kent de breedte, niet de diepte die ze zoekt.
 
 
 
Nu moet hij maar eens gaan, hij kan geen tijd meer lenen
 
om hem stil te laten staan. De straat in waar hij woont,
 
een dagelijkse dood hem in de schoenen zakt.
 
 
 
Trap op, denkt hij, de toekomst is voorbij.
 
Trap op, denkt hij, de meubels staan me bij.

Uit: Nieuwe veters, 1987.

[p. 233]
Zo iemand neemt een keer de bus...
 
Zo iemand neemt een keer de bus en voor het laatst begroet
 
en doet zijn aankomst in de stad weer over met de trein.
 
Centraal Station. Geen panorama naar de horizon.
 
‘Wie nu het Damrak overziet weet zich de eenzaamste
 
van allen’ maar hij struikelt over een gitaarakkoord,
 
zijn hand kapot en schampt hij langs een andere moraal,
 
zijn hart geschaafd en botst hij op een grote neger
 
die hem fouilleert en doorschuift in een Engels derivaat
 
naar een andere Chinees - you gonna buy zies cigaret.
 
Hare Krishna, Jezus Redt! Als hij uitglijdt in een rest
 
sentiment, dus in de deuren van de tram wordt klem gezet
 
door een geintje als wereldbeeld en hij op schoot belandt
 
bij een skinhead met een viltstift en een antwoord,
 
ranselt hij zijn ogen dicht, die trouweloze honden.
 
Ting! Het stadsaksent hem om de oren zingt. Iemand
 
roept hem niet, een ander neuriet. Iemand deelt patatjes uit.
 
Kommotie achterin, de tram slaat in de remmen.
 
Wordt een vrouw, door wie, door kontroleurs in burger, door wie,
 
ze wordt, wat zag u, aan d'r haren werd ze op de grond,
 
of zij de moeder is, natuurlijk, van dat jongetje,
 
het gilt zijn longen uit in blaasjes op zijn mond,
 
midden in de wereld op de halte en alleen,
 
nu de tram van hem wegrijdt - als een naald in onze schaamte
 
zijn witgebleekte stem trillend staat, nooit meer overgaat.

Fragment uit: Goede manieren. Episode XI, 1989.

[p. 234]

Robert Anker

In de schuur
 
Alles wat hier is blijft
 
 
 
Twee appels ruiken eeuwig naar hun toekomst
 
In het rijstpapieren winterlicht
 
Een kinderschaats (verdwijnend rood)
 
Aan zijn riempje aan een spijker
 
Drie kogellagerkogels glanzend
 
In hun geur van stof oud vet
 
Er koeren duiven op het dak
 
Op een vergeelde krant
 
Vijf bonen die ontkiemen naar hun toekomst
 
 
 
Niets van wat hier blijft is ooit gekomen
 
Ik had dit nooit meer mogen zien
 
Als ik hier blijf verdwijn ik
 
 
 
Loop ik daarom achteruit naar buiten
 
Waarbij ik struikel en ik viel
 
Als jij mij niet had opgevangen
 
 
 
Je likt mijn nek
 
je trekt m'n hemd uit mijn broek
 
Je streelt mijn buik

Uit: In het vertrek, 1996.

prepostterug  begin  verder