terug  begin  verderprepost
[p. 246]


illustratie
Jan Decleir (º1946) als Risjaar Modderfokker den Derde, samen met Kyoko Scholliers in ‘Ten Oorlog’ van de Blauwe Maandag Compagnie - Foto Corneel Maria Ryckeboer

[p. 247]

Op de mesthoop de lelie
Portret van een soeverein acteur, Jan Decleir

Steven Heene
werd geboren in 1969 in Gent. Volgde opleiding ‘Interieurontwerper’ aan het St.-Lucasinstituut in Gent. Is journalist bij de cultuurredactie van ‘De Morgen’.
Adres: Kwaadham 4, B-9000 Gent.

Geboren in 1946 in Niel, een dorpje in de provincie Antwerpen, wilde Jan Decleir eerst ‘schilder, tekenaar of beeldhouwer’ worden. Door omstandigheden werd hij echter acteur, en niet de minste. Met talloze vertolkingen in uiteenlopende theatervoorstellingen en een - voorlopig - palmares van zeventien speelfilms is Decleir zonder twijfel de bekendste en meest geprezen acteur die Vlaanderen rijk is. Een status die de vergelijking oproept met zijn collega uit buurland Frankrijk, Gérard Depardieu, maar daar heeft Decleir weinig boodschap aan: ‘In het acteren bestaan er geen verworvenheden.’

Aan de basis van Decleirs carrière als acteur ligt een tragisch ongeval: in 1974 overleed zijn oudere broer Dirk, de persoon die hem steeds had aangemoedigd om iets in het theater te doen. Het vormde een belangrijk keerpunt in Decleirs leven, want zijn broer was altijd een voorbeeld voor hem geweest. Als jongens maakten ze samen decors en smeedden ze plannen voor fantastische toneelproducties, een voornemen dat nader tot uitvoering kwam toen Decleir in 1963 - als zeventienjarige - naar Studio Herman Teirlinck trok, om het toelatingsexamen toneel af te leggen. De jonge Decleir had op die leeftijd al enige ervaring als student aan de Academie voor Schone Kunsten, maar was vastbesloten om acteur te worden: naar eigen zeggen om zijn ‘ingebakken minderwaardigheidscomplex’ te overwinnen. Daarvoor was hij bij de Studio in Antwerpen ongetwijfeld aan het juiste adres. In een interview met de krant Het Belang van Limburg (1979), zou Decleir weliswaar fulmineren tegen de ‘idioten’ van lesgevers, die met hun gezag schermden ‘terwijl ze gewoon onrechtvaardig waren’, maar zeker is dat de school, en met name de ideeën van stichter Herman Teirlinck (1879-1967), zijn verdere leven een inspiratiebron zouden blijven. In 1991 zou Decleir zelf artistiek leider van de school worden, het eerste jaar met Toon Brouwers als algemeen directeur. Mede onder impuls van Decleir werden de standpunten van Teirlinck

[p. 248]



illustratie
Jan Decleir als Daens.

opnieuw getoetst aan de werkelijkheid. Volgens die principes geldt de acteur als de soevereine meester van tijd en ruimte op het toneel, en dus niet de toneeltekst of de regisseur.

Na zijn studie in 1967 kon Decleir aan zijn acteursstage beginnen bij de Koninklijk Nederlandse Schouwburg (KNS), wat in die jaren als logische voortzetting van de Antwerpse toneelschool gold. Op het repertoire stonden klassieke toneelauteurs als Shakespeare naast meer recente stukken van Ierse of Amerikaanse oorsprong. Lang hield de koppige Decleir het daar echter niet uit. Samen met generatiegenoten drong hij bij de KNS-directeur aan op een modern repertoire, waarbij onder andere de naam Hugo Claus viel, met wie Decleir een innige vriendschap zou opbouwen. De toenmalige KNS-directeur weigerde echter op het voorstel in te gaan en een groepje van intussen vaste acteurs diende in 1968 zijn ontslag in. Decleir en anderen richtten de Beursgemeenschap op, een ‘links’ gezelschap dat echter om diezelfde reden geen lang leven beschoren bleek, aldus de acteur. Het was ongeveer in deze periode dat in de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel Mistero Buffo van Dario Fo werd gecreëerd, in 1972 om precies te zijn. Decleir zag hoe het oude passieverhaal werd omgesmeed tot sprekend volkstheater en was meteen enthousiast. Hij sloot zich aan bij de Nieuwe Scène uit Antwerpen en reisde met hetzelfde stuk heel Europa af, tweeënhalf jaar waarin Mistero Buffo overal met veel succes werd opgevoerd. Maar in 1976 viel De Nieuwe Scène uiteen, officieel wegens een ideologisch conflict. Er kwamen twee kampen: het Collectief en De mannen van de Dam,

[p. 249]



illustratie
Jan Decleir als Dreverhaven in de film ‘Karakter’, die met een Oscar werd bekroond.

waarbij de laatsten het Germaanse repertoire aankleefden en de eersten voor het Romaanse theater à la Dario Fo kozen. Decleir draaide nog twee jaar mee met het Collectief maar gaf er toen de brui aan, vastbesloten zijn eigen weg te gaan.

Een Vlaamse reus

Zijn solocarrière kwam er met De Tijger en Obscene fabels, smeuïg verteltheater van Dario Fo waarmee Decleir telkens voor volle theaterzalen stond. Op dat moment was ook zijn carrière als filmacteur al uit de startblokken geschoten: Decleir nam in 1971 deel aan de audities voor een film van Fons Rademakers en kreeg de rol van Lander in Mira, met Willeke van Ammelrooij in de titelrol. De film was het begin van een indrukwekkende reeks speelfilms, waarmee Decleir zich gaandeweg als eerste Vlaamse filmacteur ontpopte - met zeventien producties als voorlopig totaal.

Tot zijn bekendste werk op het witte doek behoort Daens van regisseur Stijn Coninx, waarin Decleir het hoofdpersonage - de militante priester Adolf Daens - vertolkte, zoals hij door Louis Paul Boon op papier was vereeuwigd. De film werd in 1992 genomineerd voor een Oscar als beste buitenlandse productie, net als het Nederlandse Antonia, waarin Decleir opnieuw een rol kreeg naast Willeke van Ammelrooij. Maar Decleir speelde ook Martin Beck, het beroemde detective personage van Maj Sjöwall en Per Wahlöö, en deed in 1997 internationaal van zich spreken als het verbitterde personage Dreverhaven in Karakter, een Nederlandse film geregisseerd door Mike van Diem naar een boek van Fer-

[p. 250]



illustratie

[p. 251]

dinand Bordewijk. Voor deze vertolking kreeg hij de Grolsch Filmprijs op de Nederlandse Filmdagen in Utrecht waar de jury Decleir als een ‘Vlaamse reus’ omschreef, iemand met een ‘imposante persoonlijkheid’ en ‘fenomenale acteerkwaliteiten’. In maart 1998 werd Karakter bekroond met de Oscar van de beste niet-Engelstalige film, na Daens en Antonia de derde film met Decleir in een belangrijke rol die de aandacht van de Academy Awards-jury wist te trekken. De film speelt zich af in het Rotterdam van de jaren dertig en Decleir is Dreverhaven, een deurwaarder die zich manifesteert als een meedogenloze uitvoerder van de wet. Zelf is hij echter niet vrij van zonde, want de rode draad in Bordewijks verhaal bestaat uit pogingen van Dreverhaven om zijn onwettige zoon, indertijd door de norse deurwaarder verwekt bij zijn huishoudster, het leven zuur te maken.

In een interview voor De Morgen in april 1997 gaf Decleir uitleg over zijn benadering van het Dreverhaven-personage, volgens de acteur ‘niet zo'n moeilijk personage’. Decleir: ‘Maar ik zat wel met een technisch probleem. Voor Dreverhaven wou ik enerzijds heel aanwezig zijn, maar anderzijds moest het ook doods zijn. Het licht moest uit die ogen. Maar omwille van de fotografie plaatsen de cameramensen natuurlijk ook lichtjes - je zit daar dus met iets heel dubbels (...) Maar we hebben erover gepraat en we waren het erover eens dat die man eigenlijk een soort schaduw is.’

Een jaar eerder, in 1996, werden Decleirs capaciteiten bezongen door vriend en spitsbroeder Hugo Claus, met wie hij onder meer de film Het Sacrament had gemaakt. Naar aanleiding van Decleirs vijftigste verjaardag schreef Claus een gedicht ‘in de trant van de rederijkers’, een tekst die werd voorgelezen toen Decleir op 17 februari 1996 door het Antwerpse stadsbestuur werd gehuldigd.

Acteur in residentie

Ook met schrijver, schilder en tekenaar Pjeroo Roobjee deelt Decleir een verleden van samenwerking, wat resulteerde in de theatermonoloog Het offer is te kort (1984) en in Wolfsklem (1987), beide naar teksten van Gentenaar Roobjee. Intussen was Decleir ook gaan lesgeven in de Studio Herman Teirlinck, waar hij enkele regies voerde. Zo was er de Shakespeare-productie Zomernacht (1991) van 't Gebroed, een gezelschap met jonge acteurs die net aan de Studio waren afgestudeerd. Maar het meest opvallende parcours van de laatste jaren is ongetwijfeld Decleirs verbintenis met de Blauwe Maandag Compagnie (BMCie), het gezelschap dat in 1984 in Antwerpen werd opgericht door ex-KNS-acteur Luk Perceval en Guy Joosten. Perceval vroeg Decleir als gastacteur voor De meeuw (1988) en sindsdien is Decleir bij BMCie ‘acteur in residentie’ gebleven. Of zoals Perceval in 1992 in De Morgen verklaarde: ‘Met Decleir heb ik de mondelinge afspraak dat hij jaarlijks in één productie staat, zolang we geen ruzie krijgen.’ Na

[p. 252]

De meeuw volgden onder meer Repetitie II (1992, waarbij Decleir werd genomineerd als beste mannelijke hoofdrol voor de prestigieuze Theo d'Or), All for love (1993), Vrijen met dieren (1994) en Meneer Paul (1995), een productie geregisseerd door Johan Dehollander met Decleir als het bizarre titelpersonage dat door Tankred Dorst werd bedacht.

Behalve op de planken stond Decleir de voorbije jaren ook even op de barricade, want de toekomst van de Studio Herman Teirlinck werd hoe langer hoe onzekerder. De school, opgericht in 1946 als Studio voor het Nationaal Toneel, werd in 1996 ondergebracht in de afdeling Dramatische Kunst, Dans en Muziek van de Autonome Hogeschool Antwerpen (AHA), een gevolg van veranderingen in het onderwijsdecreet. De overheid besliste dat twee onafhankelijke toneelopleidingen in Antwerpen - de Studio en het Conservatorium onder leiding van Dora van der Groen - iets te veel van het goede was. Er werd beslist om twee toneelklassen te laten bestaan, maar de theorielessen moesten samensmelten. Zover kwam het echter niet, want eind 1996 en verschillende protestacties later kon de Studio onverwacht een sponsor verwelkomen. Daardoor werd het argument van de ‘te dure opleiding’ (voorlopig) ontkracht, hoewel het voortbestaan van de school nog steeds wordt bedreigd, dixit artistiek leider Decleir in december 1997.

Op dat moment was Ten Oorlog al in première gegaan, de marathonproductie van Blauwe Maandag, waarin Decleir verschillende rollen voor zijn rekening neemt. Aan de basis van deze ambitieuze opzet liggen de zogenaamde koningsdrama's van Shakespeare, die zich op zijn beurt liet inspireren door de Wars of the Roses, genoemd naar de wapenschilden van twee rivaliserende Engelse clans. Op uitnodiging van regisseur Luk Perceval maakte schrijver en columnist Tom Lanoye een nieuwe, aan de filmwereld en rapmuziek refererende Nederlandse vertaling, die wordt opgevoerd in drie afleveringen: In de naam van de vader en de zoon, Zie de dienstmaagd der heren en Verlos ons uit het kwade. Met name het Kwaad uit de laatste titel wordt door Decleir vertolkt als meedogenloze, gebochelde ‘Risjaar Modderfokker den Derde’, Lanoyes hoogst eigenzinnige vertaling van Richard III. In de voor de spelers bijzonder uitputtende voorstelling (meer dan acht uur toneel!) bewijst Vlaanderens geliefkoosde acteur opnieuw dat geen enkele menselijke emotie - hoe verwerpelijk ook - hem vreemd lijkt, hoewel de meningen van de recensenten over de taal van Risjaar Modderfokker verdeeld zijn. Lanoye opteerde namelijk voor de transformatie van het archaïsche Shakespeare-Engels tot een gaandeweg afbrokkelende mengeling van ‘slang’ en platvloerse verwensingen, genre ‘A goddamn fucking piece of klotepaard’.

Het pleit in ieder geval voor de doorgewinterde Decleir dat hij tot op de dag van vandaag het artistieke risico nooit uit de weg is gegaan maar, integendeel zelfs, lijkt te omarmen, als een broeder op de weg naar de waarachtigheid.

prepostterug  begin  verder