terug  begin  verderprepost

Het vergeefse, het ogenschijnlijke

Jubileum en andere gedichten is de titel die Peter Ghyssaert aan zijn vierde dichtbundel heeft gegeven. Het is een behoorlijk lijvige bundel geworden met een opvallende structuur. Meer dan zeventig gedichten werden ondergebracht in twee zgn. ‘boeken’, die op hun beurt ingedeeld zijn in drie genummerde delen. Een proloog en epiloog geven de symmetrie nog een ruggensteun.

De poëtische wereld die binnen deze bakens gestalte krijgt, kan alleen van Ghyssaert zijn. Ook deze bundel wordt nl. bevolkt door protagonisten van vergankelijkheid en verval. Ghyssaert voert een panopticum van ziekte, ouderdom en mentale wankelheid ten tonele en geeft de vergeefsheid van het menselijke bedrijf op die manier telkens andere, telkens terugkerende gezichten. Ze gaan over de fascinatie van de dichter door dood en verderf, en over de loep waar hij de lezers doorheen laat kijken naar hun eigen lot: dreigende verstarring, vernietiging, nacht.

Nieuw in deze bundel is dat dit schouwspel veel strakker geregisseerd wordt. Ghyssaert heeft zijn estheticisme van de teloorgang in Jubileum en andere gedichten goeddeels ontdaan van de stilistische guirlandes uit de vorige bundels. Maar ook zonder krullerig polychroom is de wormstekigheid alom aanwezig. Deze gedichten zijn daardoor niet per se beter dan de vroegere, wel anders. Het resultaat is poëzie in afgemeten, aangespannen regels. Ghyssaert laat in zijn verzen meer en meer verdwijnen. Meer dan vroeger halen de gedichten hun kracht uit wat er alleen maar impliciet gezegd wordt; uit het verzwegene, de stiltes tussen regels en tussen korte strofen; uit datgene wat in de nadrukkelijk visuele taferelen net niet te zien is. De meest poëticale afdeling uit de bundel loopt dan ook uit op het gedicht ‘Kunstsalon’ met de veelzeggende eindregels:

 
Ten slotte kwam hij met
 
de noten en de dranken en hij nam
 
de lege kaften van zijn boeken
 
peinzend in de hand.

Diezelfde poëticale afdeling opent met het gedicht ‘Recept’, dat een soort metafoor blijkt te zijn voor Ghyssaerts poëzie:

Recept
 
Inschenken en onverdund
 
in één teug opdrinken
 
en u zult zien:
 
niet u, maar om u heen de wereld
 
wordt krankzinnig, blind;
 
verschrompelt, slaat zwart uit
 
en sterft.

Dit gedicht schrijft gradaties van teloorgang toe aan de uitwerking van een drank: krankzinnigheid, blindheid, verschrompeling, zwart uitslaan en sterven. Van deze typerende Ghyssaert-collectie gaat behoorlijk wat dreiging uit; of toch niet, want dit gedicht beweert precies al deze plagen van het lot in haar macht te hebben. Het sardonische recept van de dichter komt erop neer dat de ondergang overal elders behalve bij het ik wordt ontketend. Poëzie als weermiddel? Misschien wel, maar dan met de strategie elke vijand in zijn ontluisterende werk voor te willen zijn. Met het wapen van de zwarte humor wordt elke illusie van tijdeloosheid geslecht. Zo kan Ghyssaert, schijnbaar onbewogen, de vernieling poëtisch meester worden omdat hij ze in zijn gedichten ook tot in uiterste consequentie onder ogen ziet. Het meest van al doet zijn donkere humor mij denken aan binnenste buiten gekeerde huiver, aan ogenschijnlijke demiurgen-krachtpatserij. Ook in het gedicht ‘Recept’ wordt de gangbare zienswijze omgekeerd: een vreemde zelfvergiftiging is het toch, die iedereen behalve het ik ten onder laat gaan.

[p. 274]

Ook voor de lezer is de bundel Jubileum en andere gedichten een oefenboek in omkeren. Er zijn talloze gedichten die aan de hand van losse eindjes anekdote een verhaaltoon lijken te creëren. Er is een setting, een personage, een kijk op een buitenwereld. Maar wat blijkt dan vaak? Wat je als lezer eerst als feitelijkheid gaat lezen, is bij nader toezien toch niet zo ‘echt’. Vele gedichten worden inderdaad geschreven vanuit de vervormende blik, vanuit de geest van mentaal of sociaal niet meer ‘goed’ functionerende personages, o.a. dementerende, doodzieke, paranoïde of door iedereen vergeten mensen, mensen met kindertrauma's, verlopen zwervers.... Daardoor ontstaat er niet alleen een wereld die een bijzonder unheimliche en vijandige vorm aanneemt. De dichter kan een verrassingseffect creëren omdat de lezer eerst niet vermoedt wat er aan de hand is. Tot het gedicht omslaat.

Elders stuurt Ghyssaert het verhaaltje dat hij leek te gaan vertellen meteen met zwarte humor terug naar af. Wat eerst gezegd is, wordt bijna onmiddellijk teruggenomen en opgeheven. De anekdote wordt teruggewikkeld. Van een ziekenhuisbezoek blijft bijvoorbeeld niets anders over dan wat flarden kindergejoel over een handvol papieren bloemen. Ook verbale ironie komt daarbij kijken. Die komt vooral tot stand als idiomen van erg verschillende herkomst laconiek bijeen worden gebracht, zodat er een talig contrast ontstaat. Met dat contrast gaat dan een omslag in betekenis gepaard. Een voorbeeld: de woorden ‘vader’ en ‘moeder’ (zonder lidwoord) roepen in het gedicht ‘Vader doet moeder schrikken’ een soort van intieme nabijheid op. Die connotatie wordt in de tweede regel echter volledig teniet gedaan: ‘zij kent hem niet, hij is er jaren niet geweest’ (p.66). Wat eerst een spelletje leek, wordt bittere ernst.

Ghyssaert houdt zich op aan de zijlijn van zijn wereld. Hij laat stollen, laat vergaan, en rapporteert, in sommige gedichten onaangedaan, in andere vervuld van donkere humor. Het sterkst zijn de gedichten die consequent impliceren in plaats van toe te lichten. Ze fragmenteren en geven aan de fragmenten zo'n intense zichtbaarheid dat er ook licht valt op wat weggelaten, weggesneden is. Op hun best krijgen de gedichten uit Jubileum en andere gedichten extra spankracht door het afwezige, zoals in een aantal erg mooie ‘nachtgedichten’ uit de voorlaatste afdeling. De slotstrofe van één daarvan, ‘Nachtvlinders’, luidt zo:



illustratie
Peter Ghyssaert (º1966) - Foto P. de Spiegelaere.

 
Weg de zon, verstorven al de bronnen;
 
nachtvlinders die overal,
 
maar op hun hoede, passend in
 
elkaars fluwelen kiel,
 
de uitvalswegen naar het donker zoeken.

Het gaat in Jubileum en andere gedichten wel eens een keer fout als er te expliciet wordt geformuleerd, als de pointe het gedicht al te duidelijk wil maken. Het gebeurt dat herhalende slotregels te explicatief worden of dat tableaus van onmacht van een onderschrift worden voorzien. Iets dergelijks is bijvoorbeeld aan de hand in het gedicht ‘Creatief’: een gedicht lang kijken we over de schouder van de dichter naar enkele knutselende bejaarden. De ‘ontknoping’ gaat echter ten onder aan nadrukkelijkheid:

 
wie zich gesneden heeft
 
die geeft zichzelf een zoen
 
of troost zijn spiegelbeeld.

Maar zulke schoonheidsfoutjes zijn gelukkig uitzondering in deze bundel.

Wat mij in de poëzie van Ghyssaert bijzonder intrigeert, is de verbeeldingskracht waarmee hij tot in het groteske toe een eigen ruimte te voorschijn haalt en gangbare werkelijksbeelden deconstrueert. Zo verschijnt in het titelgedicht ‘Jubileum’ het aloude Danteske topic ‘nel mezzo del camin’ als een vervaarlijk, alleen in de droom te stoppen gevaarte. Het gedicht begint zo:

[p. 275]
 
Op zijn dertigste verjaardag
 
zette zich de snijmachine in beweging,
 
ver van hier, op trage wielen.

En met een absurde rechtlijnigheid die aan Gust Gils doet denken, ontwikkelt het gedicht ‘Levensverhaal’ zich uit de volgende opmerkelijke vondst:

 
Toen hij geboren was begon het al:
 
zijn moeder had de bijsluiter verloren.

Ook in de epiloog - die samen met de proloog tot de beste gedichten uit de bundel behoort - zit zo'n curieus in toom gehouden fantaisisme. Op het vuur staat een pot met paddestoelen door te koken, ‘de smaak moet seizoensvattend en uitgelezen’ worden. Alle soorten zwammen moeten er daarom in, giftige even goed als andere. Het kookvocht, helder ingedikt, lijkt klaar, tot de omkering volgt:

 
tot iemand uit de tuin ons riep
 
en zei dat wij daar vele paddestoelen
 
onder vers gevallen herfstblad over
 
't hoofd hadden gezien en wij
 
opnieuw alles vertroebelen moesten
 
en koken, altijd roeren
 
in het duister van een late,
 
triest geworden herfst.

Het werk moet overgedaan worden tot elke vrucht van verrotting er haar smaak aan geeft en elk spoor van zwammengif is omgezet in een even heldere als gevaarlijke substantie. Misschien is ook deze stof - zoals het ‘recept’ in het geciteerde gedicht - bedoeld om er zich ziekte en dood mee van het lijf te houden, tegen beter weten in. Zeker is dat Ghyssaert weet hoe hij met taal donkerte om kan stoken tot een heldere, ogenschijnlijk doorzichtige poëzie. Tot koel te bewaren romantiek.

 

Stefaan Evenepoel

peter ghyssaert, Jubileum en andere gedichten, Bert Bakker, Amsterdam, 1997, 108 p.

prepostterug  begin  verder