terug  begin  verderprepost

Een rariteit als levenswerk
Over Harry Pricks Van Deyssel-biografie

Een jongen was het, maar een aardige jongen. Dat is wat Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van Karel Alberdingk Thijm) gedacht moet hebben toen hij in 1943 de achttienjarige Harry Prick uitkoos als zijn biograaf. Liever dan op de snijtafel te belanden van een genadeloze wetenschapper vlijde hij zich in de zachte handen van een scholier die hij weliswaar nooit ontmoet had en die nog geen letter had gepubliceerd, maar die hem al enige tijd vleiende brieven stuurde en die met jeugdige hevigheid zijn enthousiasme beleed voor Van Deyssels werk.

Wat bezielde de laatste vertegenwoordiger van de Beweging van Tachtig? Hoopte hij de jonge onderzoeker te kunnen boetseren naar zijn evenbeeld, om zo zijn nagedachtenis veilig te stellen? Probeerde hij voor zichzelf een standbeeld op te richten in de Nederlandse literatuurgeschiedenis? Blijkbaar was hij bereid het risico te nemen dat de onervaren knaap de klus niet klaren zou; liever géén boek over zijn leven en werk dan een biografie geschreven door iemand die hem niet sympathiek gezind was, zo moet hij geredeneerd hebben.

En het heeft erom gespannen. Decennialang zat Harry Prick op zijn materiaal als een kip op haar eieren, fel om zich heen vlerkend als er iemand te dicht in de buurt kwam. Hij schreef tientallen artikelen en een proefschrift over de Tachtiger, maar de beloofde biografie bleef uit. Wie publiceerde over Van Deyssel kon intussen wel rekenen op Pricks zeer kritische belangstelling en over de moeite die onderzoekers zich moesten getroosten als zij wilden putten uit Pricks omvangrijke archief deden de wildste verhalen de ronde.

Zo schiep de biograaf zijn eigen mythe. Juist toen bijna niemand meer geloofde dat zijn allesomvattende boek ooit daadwerkelijk zou verschijnen, vierenvijftig (54!) jaar nadat Van Deyssel hem aanwees als diens afgezant op aarde, voltooide Harry Prick zijn biografie. Althans: een deel ervan, dat in liefst duizendtachtig (1080!) bladzijden slechts de eerste zesentwintig (26!) levensjaren van Lodewijk van Deyssel beslaat en dat de titel In de zekerheid van eigen heerlijkheid draagt.

Hoe nu een mythe te beoordelen? Natuurlijk moet Prick geprezen worden voor het engelengeduld waarmee hij de nalatenschap van Van Deyssel ordende en de nauwkeurigheid waarmee hij diens oeuvre analyseerde. Natuurlijk verdient hij alle lof voor de manier waarop hij lijn wist te brengen in de brij van feiten en feitjes die getuigen van Van Deyssels bestaan. En natuurlijk oogst hij bewondering voor zijn kennis

[p. 276]



illustratie
Lodewijk van Deyssel (1864-1952).

van het (literaire) leven aan het eind van de negentiende eeuw. Maar toch, het mag niet ongezegd blijven: het levenswerk van Harry Prick is tegelijk een rariteit.

Het is al vaker opgemerkt: zoals een trouwe hond op zijn baas gaat lijken, kan een trouwe biograaf een treffende gelijkenis met zijn idool ontwikkelen. Net als Lodewijk van Deyssel legt Harry Prick een opmerkelijke belangstelling aan de dag voor het kleine, het onbeduidende, het anekdotische. Van Deyssel staat erom bekend dat hij werkelijk álles bewaarde wat zijn eigen persoon betrof, en ook Prick bewijst dat hij moeilijk schiften kan.

Hij citeert uit tientallen, zo niet honderden brieven, die soms belangrijk maar meestal onbetekenend, zo nu en dan meeslepend maar vaker slaapverwekkend zijn - alles door elkaar en zonder een hiërarchie aan te brengen. Vrijwel van dag tot dag reconstrueert hij het leven van zijn held, zonder zich af te vragen of daar iemand mee gediend is. Witte plekken irriteren hem duidelijk mateloos. Over het huwelijksfeest van Van Deyssel schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Er blijven vele vragen onbeantwoord. Om er enkele te noemen: waar vond de receptie plaats en wie verschenen er allemaal? Werd er in de kerk al dan niet gezongen door een koor, al dan niet in combinatie met het optreden van een soliste? (...) Heeft tante wellicht nog eenmaal als soliste geschitterd, op die middag toen neef Karel zijn leven verbond aan dat van Cato Horyaans? En wie deden zich te goed aan het bruiloftsmaal, een zeven-gangendiner, waaronder “tong met pieterse-liesaus en aardappelen”, “ossenbiefstuk met wortelen” en “kippen met salade”, maar (ook niet te vergeten) de bitterkoekjespudding, waarop de bruidegom van jongs af zó dol was dat hij er wel pap van lustte?’

Doen zulke vragen er werkelijk toe? Is de woede waaruit Van Deyssels scheldkritieken voortkwamen te verklaren als men weet of het zijn tante dan wel de buurvrouw was die hem in de kerk heeft toegezongen? Begrijpt men Een liefde beter als men weet met wie de schrijver ervan op de dag van zijn huwelijk liever bitterkoekjespudding at dan appeltaart of custardvla? Het is volledigheid omwille van de volledigheid. Van Deyssel streefde ernaar en Prick doet het hem na.

Het is niet de enige overeenkomst tussen beiden. Net als Lodewijk van Deyssel houdt Harry Prick er een opmerkelijk, haast studentikoos taalgebruik op na. Archaïsche volzinnen vloeien moeiteloos uit zijn pen: ‘Omdat Karel dinsdagavond liefst veertig gulden spendeerde aan een exorbitant omvangrijke boeket die hij de actrice had laten aanreiken op het toneel, was hij woensdagavond niet al te best bij kas, zodat hij voor de boeket die hij met zich meetorste bij het penetreren van Theo's kleedkamer, niet meer dan vijfentwintig gulden had kunnen uittrekken.’ Of: ‘Het zou misschien wel goed zijn geweest wanneer het van de morgen tot de middag bezig zijn met schrijven en lezen onderbroken werd door enige lichaamsbeweging, mogelijk zelfs van sportieve aard.’ Bij Prick ‘reppen’ en ‘spoeden’ mensen zich door de straten van Amsterdam, spelen eieren ‘krijgertje in maag en darmen’ en worden foto's voorzien van oubollige onderschriften als ‘Van Deyssel toornig kijkend’ en ‘Van Deyssel lichtelijk leunend’. Het is van een tongue-in-cheekerige meligheid die weliswaar ingenieus en consequent is doorgezet, maar die op den duur wel dodelijk vermoeiend wordt.

Er is nog een opvallende overeenkomst tussen de biograaf en zijn held: net als Lodewijk van Deyssel houdt Harry Prick van polemiseren. Het is echter maar zeer de vraag of een biografie daarvoor het aangewezen medium is. Gerard Brom, een van de Van Deyssel-biografen die Prick voorgingen, krijgt er keer op keer van langs en ook Michel van der Plas, die in 1995 een belangwekkend boek schreef over de vader van Lodewijk van Deyssel, moet het merkwaardig

[p. 277]

vaak ontgelden. In de zekerheid van eigen heerlijkheid - hoe ironisch kan een titel zijn. Is hier sprake van jalousie de métier? Bakent Prick met geurvlaggen van nijd zijn territorium af? Of kan hij het simpelweg niet uitstaan dat andere biografen met meer distantie, en dus ook met een meer uitgesproken visie en met meer kritiek, over Van Deyssel schreven?

Als Van Deyssel lang genoeg geleefd had om de publicatie van Pricks boek mee te maken, was hij ongetwijfeld een tevreden man geweest. ‘Je bent, waarde vriend,’ schreef hij Prick in 1945, ‘een héél fijn jongetje, zóo zeer, dat ik er mij bezorgd over maak, dat, wanneer je eenmaal zal beginnen met publiceeren, een rage of een roes om je indrukken en gedachten over je landgenoten uit te storten, zich van je meester mocht maken, je van geen inhouden zal weten en het gevaar van óverwerken, van óver-spanning zou dreigen.’ Prick wíst van geen inhouden, herleefde het leven van een zonderling auteur en schreef er een even zonderling boek over: bijna twee kilo liflafjes in een ongewone verpakking. In de zekerheid van eigen heerlijkheid is, kortom, uniek in zijn soort. En dat moet vooral zo blijven.

 

Annette Portegies

harry g.m. prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890, Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1997, 1080 p.

prepostterug  begin  verder