Marga Minco's eerste roman sinds tien jaar behandelt de buitengewone gebeurtenissen rondom twee belangrijke voorwerpen. Als symbolen doorkruisen ze de wereld om uiteindelijk op de plaats van bestemming te belanden. Zoals in veel van Minco's vertellingen is de plot gebaseerd op ware gebeurtenissen. De verteller krijgt het album in handen dat ze in 1942 gemaakt had voor haar zuster Bettie, ter gelegenheid van haar huwelijk, kort voordat ze met haar man Hans naar Auschwitz gedeporteerd werd. Na een omslachtige wereldreis duikt het album ruim vijftig jaar later op in het huis van Eva Ruppin, de zuster van Hans. Het tweede belangrijke voorwerp in het verhaal is een Japanse kom die de verteller heeft weten terug te krijgen van Betties laatste buren in Amsterdam, waar zij en Hans bij zijn moeder in woonden. Na een reeks gebeurtenissen waarin de werkelijkheid elke fictie overtreft, slaagt de verteller erin Eva de kom terug te geven die voor de oorlog een pronkstuk was in huize Ruppin. Zowel het album als de vaas verbinden het heden met het alomtegenwoordige verleden.
De hoofdpersonages van het verhaal zijn bijna allen de enige van hun familie die de holocaust overleefd hebben: de vrouw in Israël (Miriam Weissbach) die geobsedeerd is door genealogie en die haar informatie over de fami-
lie Ruppin geeft; Eva, die na de oorlog naar Californië is verhuisd en die in bezit is van het vergeten album en enkele foto's; en tot slot de verteller in de onverwachte rol van internationale koerier. Via Eva ontmoet ze ook Attie Stele-rius, in wier huis de familiebezittingen vijftig jaar lang waren opgeslagen. Namens Eva bezoekt de verteller dat huis verschillende malen om de inboedel te bekijken. Elke ontmoeting tussen de vrouwen roept nieuwe herinneringen op, waardoor hun band bijna die van verre familieleden wordt.
In zekere zin is de roman zowel een voortzetting, als afronding van Minco's verhaal ‘De dag dat mijn zuster trouwde’ (1970) dat eindigt met de emblematisch betekenisvolle verlepte bloemen van het bruidsboeket dat in de vuilnisbak gegooid wordt en de ondergang van het bruidspaar voorspelt. Maar waar de vuilnisbak in ‘Trouwde’ vooruitwijst naar het onontkoombare graf-evenals aan het slot van Deval-wijst het bewaard gebleven album er als het ware op dat Betties leven met haar dood nog niet geheel afgesloten was. De verteller herinnert zich hoe ze Betties taxi naar het station heeft achtervolgd en nog net op tijd was om haar album te overhandigen dat ze had achtergelaten. Ze zou haar zus en het album niet meer zien - tot nu. In het beeld van het album brengt Minco verleden en heden samen in een continuüm dat vrij is van de schuld van de overlevende die in haar andere oorlogsverhalen vaak zo'n grote rol speelt. Wanneer ze Eva accepeert als vervangende ‘zuster’, lijkt ze er tevens in te slagen zich te verzoenen met het lot van haar eigen zuster.
In de roman keert een groot aantal vertrouwde thema's en motieven terug: de huizen, bewoond en verlaten, in heden en verleden; de statige familiefoto's; de tekeningen van Bettie; de straten en treinrails die zowel afscheid als (soms) terugkeer symboliseren; de nadruk op beschikking die zich vermomt als toeval; de herinnering aan familieleden - hier vertegenwoordigd door de familie Ruppin; het omvattende probleem van identiteit, zoals dat in De glazen brug en ‘Terugkeer’ wordt uitgewerkt; de onfatsoenlijke rol van de zogenaamde ‘bewariërs’ van de Joodse bezittingen, zoals in ‘Het adres’; en natuurlijk de overheersende rol van de holocaust die jaren en continenten omspant, en de uitdaging om zich te verzoenen met deze historische en persoonlijke tragedie.
Nagelaten dagen is meer dan een hernieuwde verwoording van het lot van de familie Minco. De grenzen van de plot worden hier aanzienlijk
verbreed wanneer Minco verbindingen legt tussen oude en nieuwe beelden, wanneer ze de vergeelde portretten van het verleden leven in blaast en wanneer ze vaag aanwezige personages naar de voorgrond haalt. De bekende Mincoiaanse wegen overschrijden landsgrenzen en leiden naar nieuwe bestemmingen; de oude identiteitscrisis heeft zich ontwikkeld van het bekende ‘tweeling’-motief van de twee zusters naar de twee gezichten van de verteller zelf, die via het album Bettie weet te bereiken en zo ook voor eens en voor altijd beseft wie ze zelf is.
Een verrassende wending in het verhaal (en die zijn er in de verhalen van Minco altijd meer dan op het eerste gezicht lijkt) is het lot van de Japanse kom, waarop blauwe vogels zijn afgebeeld. De verteller neemt hem mee naar de stervende Eva in Santa Barbara tijdens haar tweede bezoek, maar hij valt aan stukken en belandt in de pedaalemmer. Het deksel is echter intact gebleven, en de vogel lijkt zo weg te kunnen vliegen. Net als alle andere (meestal blauwe) vogels in het verhaal - waaronder het Blue Bird-vliegtuig dat Eva naar de Amerikaanse vrijheid had gevlogen - verwijst het beeld naar een verzoening die in Minco's overige werk niet expliciet aanwezig is (Een leeg huis misschien uitgezonderd: het besluit van die roman verwijst eveneens naar een nieuw begin.). De slotzin van Nagelaten dagen luidt: ‘Maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat het deksel een slag gedraaid was. De blauwe vogel met de gestrekte hals en de opgeheven snavel keek nu in de richting van het raam, of hij eindelijk kon wegvliegen.’
Nagelaten dagen is een van Minco's beste boeken.
Johan Snapper
| marga minco, Nagelaten dagen, Bert Bakker, Amsterdam, 1997, 119 p. |