terug  begin  verderprepost

Theater

Toneel tussen perfectie en passie

In het derde bedrijf van Shakespeares Hamlet leest, als bekend, de titelfiguur de rondreizende acteurs aan het hof de les: de bedoeling van toneel, luidt zijn betoog, was en is aan de natuur een spiegel voor te houden en aan elke tijd zijn eigen karakter te tonen. Daar zit veel in, en volgens dit adagium zou ieder tijdsgewricht het toneel moeten krijgen dat het verdient, terwijl mutatis mutandis elke vorm van toneel een product zou moeten zijn van de tijd van zijn ontstaan.

De balans opmakend tussen eigentijdse producties en heropvoeringen van oud materiaal, blijkt anderzijds hoezeer juist in onze tijd toneelmakers de tijdgeest willen verbeelden door een beroep te doen op teksten uit het verleden. In de transfer van die teksten naar het heden versmelten ideeën en conflicten van weleer met die van onze tijd, en kan een universele grootheid als Shakespeare zelfs van het hier en het nu de chroniqueur zijn.

[p. 288]

Theu Boermans, artistiek leider van de Amsterdamse Trust, kiest na een reeks producties die - mede omwille van de nodige financiële steun - het eigentijdse karakter van zijn gezelschap beoogden aan te tonen, met een vrijwel integrale Hamlet voor klassiek repertoire. Zeker na Boermans' onvergetelijke enscenering van Tjechovs Drie zusters (seizoen 1995-1996) was deze Hamlet, in de prachtige toneelzaal van De Trust aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal, een voorstelling om naar uit te zien. Zou de regisseur er opnieuw in slagen een klassieke tekst te ontdoen van het vernis van jaren-, nee eeuwenlange interpretaties en opeengestapelde vervormingen, de taal van het verleden opnieuw verstaanbaarte maken, historie en actualiteit zinvol te verweven?

Met deze Hamlet levert Boermans een productie af die met de tour de force die Tom Lanoye en de Blauwe Maandag compagnie dit seizoen leverden in Ten oorlog stellig kan concurreren om de prijs voor de interessantste Shakespeare sinds jaren, laat dat alvast gezegd zijn. In een overrompelend decor, minder het kasteel te Elseneur dan de sfeervolle lounge van een superchic hotel, speelt Jacob Derwig een prachtig verongelijkte Hamlet, die in zijn kannonades tegen de valse en bezoedelde wereld van de volwassenen vooral zijn eigen jeugdige onvermogen verraadt. Niet alleen Derwig, ook de andere acteurs hanteren een ongewoon transparante speelstijl, waardoor de - door Boermans brutaal bewerkte - tekst beter dan ooit daadwerkelijk verstáán wordt.

Daarmee wordt een sympathieke handreiking gedaan naar het publiek, dat - ook al doordat er soms rechtstreeks op de zaal wordt gespeeld - vanaf het eerste begin meegezogen wordt in een smerige schijnwereld van list en bedrog, een koninklijke soap, die sterk doet denken aan de recente zenuwenoorlog in het Witte Huis, waar ongewenste intimiteiten en gewenste vijandbeelden al evenzeer de toon bepalen. Waarmee meteen gezegd is, dat deze actualisering, de transfer naar het heden, geslaagd kan worden genoemd.



illustratie
Jacob Derwig (midden) in ‘Hamlet’ door De Trust. Regie: Theu Boerman - Foto R. Mallentjer.

Toch lijkt er iets te ontbreken aan deze niettemin rijk gevulde Hamlet van De Trust, waardoor de voorstelling uiteindelijk niet de onvergetelijke indruk achterlaat van de Drie zusters indertijd. Misschien heeft het te maken met het straffe dictaat dat Boermans kennelijk nodig had om dit ‘eigentijdse’ resultaat tot stand te brengen: de acteurs lijken, in hun haast obsessieve poging de tekst te laten spreken, weinig vrijheid te genieten voor spontane (zins) wendingen en speelse invallen; terwijl de hyperrealistische ‘setting’ aan de verbeeldingskracht van het publiek al evenmin veel ruimte laat. Het perfectionalisme van Theu Boermans leidt hier wel heel sterk tot een bijna filmische voorstelling, met - om het bondig te zeggen - meer nadruk op het effect dan op de emotie.

 

De Utrechtse Paardenkathedraal maakt met een zeer oorspronkelijke versie van De Wereldverbeteraar van Thomas Bernard in één klap duidelijk dat regisseur Dirk Tanghe, ooit geadoreerd als Vlaams wonderkind, later met meer distantie gadegeslagen, nog altijd het magische talent bezit een meer of minder klassieke tekst - Der Weltverbesserer ging in 1980 bij het Schauspielhaus Bochum in première - verrassend eigentijds vorm te geven. De regies van Tanghe schoten in het verleden weleens door naar opgelegde plaatjesmakerij, hetgeen hem vooral steeds kwalijker werd genomen. In zijn beste regies is de visualisering van het heden er niet met de haren bij gesleept, maar volledig gemotiveerd vanuit de tekst. In het afgelopen seizoen lukte

[p. 289]

dat overtuigend met Strindbergs Fröken Julie en nu lukt het opnieuw met De wereldverbeteraar, waarin tekst en beeld nergens botsen, maar, integendeel, een zeer gelukkig huwelijk aangaan. Tanghe kiest voor een haast leeg toneel, een knalgeel achterdoek waarop de bewegingen van de personages grotesk worden uitvergroot, een mise-en-scène waarin elke opsmuk en elke effectbejag vermeden is.

Toch betekent De Wereldverbeteraar minder een opgebloeid succes voor de artistieke leider van De Paardenkathedraal dan een geprolongeerd succes voor theatermaker Peter de Graef. Met zijn schokkerige motoriek, angstaanjagende gezichtsuitdrukkingen en vooral perfecte timing maakt De Graef ons wegwijs in het nihilistische universum van zijn personages, waarin we een kleine twee en een half uur lang ademloos blijven vertoeven. De boodschap van de wereldverbeteraar is er één van afschaffen, wegdoen, opgeven - want alles is ijdelheid, elk fanatisme zinloos, iedere hang naar perfectionalisme belachelijk. Anderzijds is hij bezeten van het behoud der dagelijkse rituelen, bemint hij ten diepste de vrouw (Marie-Louise Stheins) die hij verafschuwt, omarmt hij het leven als een klein kind. Bernhards wereldverbeteraar, in de gestalte van De Graef, belichaamt de ultieme paradox die mens heet. Het adembenemende spel van De Graef en de sobere, gestileerde regie maken het mogelijk hartstochtelijk van dit wezen te houden.

Eerder dit seizoen bewees De Graef bij De Stichting / Theatergroep Hollandia eens te meer zijn uitzonderlijke schrijf- en regietalent in De drie Mannen van Ypsilanti, een door de kritiek te weinig opgemerkte productie, waarin, eveneens met veel humor en compassie, een prachtige allegorie werd neergezet van het mannelijk onvermogen. Het valt te hopen dat de kritiek het multi-talent De Graef niet bedelft onder het gedruis van trommels en trompetten, en dat het ‘grote toneel’ hem nog even met rust laat.

Hopelijk ook vindt de jury van het theaterfestival het niet nodig De Wereldverbeteraar te nomineren - al zal ze niet om dit theaterwonder heen kunnen - nadat De Graef met zijn eerder genomineerde solo's Ombat en Henry zijn portie publieke roem wel gehad heeft. Een wonderkind immers - zie Dirk Tanghe - zou men evenzeer moeten aanbidden als negeren: de tekst van Bernhard, de regie van Tanghe en het spel van De Graef tonen maar al te pijnlijk aan hoe beroerd het met vermeende ‘wereldverbeteraars’ kan aflopen.

 

Jos Nijhof

prepostterug  begin  verder