In de reeks monografietjes gewijd aan Vlaamse theaterkunstenaars uit deze eeuw die het Vlaams Theater Instituut publiceert, is weer een aantal nieuwe afleveringen verschenen. Het is duidelijk de bedoeling van deze serie ‘Portretten van podiumkunstenaars’ om alle ‘disciplines’ die bij het theater betrokken zijn - van een auteur en theoreticus als Herman Teirlinck via een traditioneel acteur als Julien Schoenaerts tot een performance-artiest en theatermaker als Jan Fabre - aan bod te laten komen. Ook regisseur Walter Tillemans en all-round theaterman Tone Brulin komen aan de beurt. Opvallend is de aandacht voor prominente figuren uit de golf van hedendaags danstheater. Want niet alleen aan Jan Fabre maar ook aan Wim Vandekeybus, Anne Teresa de Keersmaeker en Marc Vanrunxt wordt een deeltje gewijd.
Iedereen zal het erover eens zijn dat de reeks een mooi initiatief is. Er wordt immers weinig gepubliceerd over het recente of iets verder weg gelegen verleden van ons theater. Naarmate de tijd verstrijkt worden de bronnen vaak moeilijker bereikbaar, als zij al niet helemaal verloren zijn gegaan. Dergelijke monografieën kunnen op zich een waardevolle bijdrage zijn tot de kennis van ons theater en bovendien belangrijke bouwstenen leveren voor latere studies. De algemene opzet van deze boekdeeltjes bestaat erin van de individuele kunstenaars een portret te brengen, hun werk in de maatschappelijke en artistieke context te plaatsen, een chronologisch overzicht te geven van werk en receptie, en een bibliografie samen te stellen. Toch valt bij de lectuur van de jongste acht deeltjes het nogal uiteenlopende karakter van deze studies op: sommige zijn goed gedocumenteerde overzichten, andere-vooral die over de jonge, hedendaagse artiesten - neigen veeleer naar het inleidende essay. Wil men bijvoorbeeld Tone Brulin in één reeks met Wim Vandekeybus onderbrengen, dan is dit verschillende karakter misschien moeilijk te vermijden en ook helemaal geen bezwaar. Erger is wel dat deze monografieën net iets te veel uit de losse pols geschud schijnen te zijn. De opzet van de reeks en de titel (Kritisch Theater Lexicon) ge-

Julien Schoenaerts in ‘De Apologie van Socrates’.
ven de indruk van een ambitieus wetenschappelijk project. Indien dit de bedoeling is, dan kan het toch niet dat de bibliografie beperkt blijft tot wat men toevallig bij de hand heeft of uit de computer kan laten rollen.
Geert Opsomer geeft een degelijk en goed gedocumenteerd beeld van de gedreven auteur en theaterman Tone Brulin, die al in de jaren vijftig Artaud ontdekt had. Zijn hele theatercarrière lang heeft Brulin gezocht naar een universele menselijke dimensie in andere culturen. Zijn theater is altijd een multicultureel theater ‘avant la lettre’ geweest. Ook in dit goed gedocumenteerde deeltje ontbreekt bijvoorbeeld de bijdrage die David Willinger aan Tie3 wijdde in Théâtre International (nrs 3-4, 1981).
Jaak van Schoor is een kenner van Herman Teirlinck. Hij wijst op de verschillende componenten die deze grote persoonlijkheid, eigenlijk de enige echte ‘denker’ over theater die Vlaanderen ooit heeft voortgebracht, uitmaken. Hij onderstreept de grote invloed van Gordon Craig. Eigenaardig vind ik dat de context van het expressionisme weinig aandacht krijgt.
Een door de jongere generaties vaak onderschat regisseur is Walter Tillemans, die in de Antwerpse KNS de eerste authentieke Brecht-ensceneringen bracht en o.m. ook een aantal eigentijdse Shakespeare-interpretaties creëerde. Daarom is het goed dat Toon Brouwers een boekje aan hem heeft gewijd, waarin hij een mooi overzicht geeft - al wordt m.i. iets te weinig ingegaan op de zeer belangrijke producties (zoals Koning Lear) die Tillemans in de KNS realiseerde.
Wim van Gansbeke en Annemie van Beirendonck zien de acteur Julien Schoenaerts vooral als een ‘monstre sacré’. Zij beschrijven zijn acteerstijl en opvattingen nogal voorzichtig, tentatief. De lezer krijgt geen nadere analyse van bepaalde schitterende prestaties zoals Kaspar, of van de merkwaardige zielsverwantschap met Beckett. Dit opstel vertoont een eigenaardige, ietwat onduidelijke structuur. Het overzicht van de artistieke loopbaan wordt doorspekt met een aantal interpreterende, beschrijvende passages, die vet gedrukt zijn en zich als een citaat laten lezen. Verder is het beslist onjuist dat Schoenaerts in een regie van Tillemans bij de KNS Pinters De huisbewaarder gespeeld heeft (p.6 en p.37). Zoals vermeld in het boekje van Toon Brouwers over Tillemans - door dezelfde redactie in dezelfde reeks gepubliceerd - gaat het hier om een vrije productie die eind 1961 uitkwam (p.39). De KNS was toen nog lang niet aan Pinter toe. De productie die voor Schoenaerts in 1970 aanleiding vormde voor een rel was eigenlijk niet Shakespeares King John, maar wel het stuk van F. Dürrenmatt, dat op Shakespeares ‘history play’ gebaseerd is (pp. 13-14). Overigens vindt men deze productie niet meer terug in de ‘theatrografie’. In de bibliografie ontbreekt ook het artikel dat Johan Thielemans aan Schoenaerts wijdde in Ons Erfdeel XXX (1987), een tijdschrift dat toch niet zo moeilijk bereikbaar is en zelf geregeld een bibliografie publiceert.
Adri de Brabandere schetst een verdienstelijk beeld van Jan Fabre, wiens werk toch iets meer in de context van het postmodernisme zou geplaatst moeten worden. Ook hier valt de slordige research op: geen verwijzing naar de artikelen van Jo Coucke (Streven), M. Deputter en J. Nachtergaele (Documenta IV (1986)), Paul Demets (Documenta XIV (1996) en The Low Countries 1995-1996).
Enkele recente boekjes ten slotte gaan over belangwekkende figuren uit de hedendaagse dans. Tekenend is de sterke lichamelijkheid. De mogelijkheden en de kwetsbaarheid van het menselijk lichaam worden hier afgetast. Dat blijkt zowel uit het essay van Myriam van Imschoot over Marc Vanrunxt als uit dat van Erwin Jans over Wim Vandekeybus. In hun ana-
lyse van het werk van Anne Teresa de Keersmaeker leggen Marianne van Kerkhoven en Rudi Laermans duidelijk de klemtoon op de voorstellingen zelf. Zij komen bovendien tot enkele onmiskenbare krachtlijnen van De Keersmaekers werk: het onderzoeken van de verbindingen tussen uiteenlopende kunstvormen; het thema van het verschil tussen het mannelijke en het vrouwelijke, het zoeken naar synthetische verhoudingen tussen dans en muziek, e.a. (p.43). Het recente artikel van Christoph de Boeck over de evolutie van Rosas (Documenta, XIV (1996)) is de auteurs blijkbaar onbekend.
Deze ‘portretten’ zijn nogal ongelijk van aanpak en kwaliteit, en meer dan eens blijken zij nogal slordig en oppervlakkig samengesteld te zijn. Zij hebben vooral enige documentaire waarde en kunnen een aanzet vormen of inspiratie geven tot grondiger onderzoek.
Jozef de Vos
| Kritisch Theater Lexicon, Vlaams Theater Instituut, Brussel, 1997 (acht afleveringen). |