In zijn boek Voorspel. Gids voor een klassieke CD-collectie geeft Bart Eeckhout toe dat hij bij de kennismaking met een CD-rom over Stravinsky's Le sacre du printemps ‘tegelijk benieuwd en achterdochtig’ was. Zoals uit zijn commentaar blijkt, werd hij evenwel niet bedrogen. Met eenzelfde dubbelzinnige instelling begon ik aan zijn boek, met de eveneens dubbelzinnige titel, die hij koos omdat hij zijn werkstuk beschouwt als ‘een verbaal voorspel op de daad van het luisteren zelf, een prelude op het beluisteren van de besproken muziek, de voorgestelde vertolkers en opnames’. Na de inleiding op deze prelude volgen twintig besprekingen, gekoppeld aan drie interviews met gerenommeerde uitvoerders van wereldklasse (klavierspeler en dirigent Jos van Immerseel, dirigent Bernard Haitink en zanger Thomas Hampson). De twintig essays zijn herziene en bijgewerkte versies van muziek-bijdragen die Eeckhout schreef voor het Nieuw Wereldtijdschrift. Het boek vormt dus geen coherent geheel van logisch op elkaar volgende hoofdstukken die de luisteraar stap voor stap inwijden in de onoverzichtelijke chaos van de CD-markt. De teksten zijn evenzovele reflecties van de auteur over zijn bevoorrechte keuze uit het massale aanbod, in de hoop dat de lezer-luisteraar aan zijn enthousiasme (of zijn kritische standpunten) wil deelnemen. Ik begon dus met gemengde gevoelens aan een boek dat geen of weinig samenhang vertoont, dat inleidt op een CD-collectie die muziekhistorisch pas begint met Johann Sebastian Bach en dat als appendix een verzamel-CD bevat die exclusief fragmenten voorstelt uit het repertoire van EMI Classics. Dus reden tot argwaan. Die verdween evenwel snel toen eenmaal de lectuur op gang kwam met het uitstekende en verhelderende interview met Van Immerseel. De auteur schrijft meeslepend, helder en intelligent over de muziek waar hij van houdt, maar waarvan hij de uitvoerders - ook zijn lievelingen - kritisch benadert. Zijn enthousiasme werkt soms zo aanstekelijk, dat hij je op den duur nog voor Tchaikovsky en Rachmaninov zou gaan winnen...
Om de auteur helemaal in zijn verhaal te volgen moet je het dan met een paar van zijn initiële standpunten eens zijn. In de eerste plaats: hij schrijft in feite weinig over de muziek zelf, maar meer over hoe hij de muziek ervaart - en dat is vaak sterk lichamelijk, erotisch zelfs (zie de titel); hij sleurt er ook graag Freud bij. Hoewel hij in zijn inleiding, waar hij terecht stelt dat ‘schrijven over muziek moeilijk is’, beweert een middenweg te willen bewandelen tussen het formuleren van muzikale ervaringen en het onvermijdelijke gebruik van technisch jargon, overheerst overduidelijk het eerste. En dit kan soms irritant zijn, vooral wanneer Eeckhout zijn rijkgevulde arsenaal van adjectieven opengooit. Hij bekent graag dat sommige ‘muziek om adjectieven roept’ (zoals die van Alfred Schnittke). Als hij het andante uit Beethovens strijkkwartet 130 met het ‘schurkende aaien van schuine poezenkopjes’ vergelijkt, heb je zin om op te houden. Doe het niet, want op diezelfde mij om die poezen storende pagina lees je dan wel de treffende omschrijving dat Beethoven in zijn laatste kwartetten ‘een balanceeract op de rand van de on-muziek’ uitvoert. Ook het etiket waarmee elke prelude van Chopin wordt opgezadeld, varieert van écht muzikaal (‘het werkelijk choquante van de dissonanten in de dertiende’) tot vergezocht en storend (‘de suïcidaal-orgastische slotprelude’). Knappe vondsten, zoals het begin van ‘Maanziek’ over de Nocturnes van Chopin, wisselen af met gebazel, zoals de eerste bladzijden van ‘Tussen tijd en tussentijd’ - mooie titel! - over de strijkkwartetten
van Beethoven, een essaytje dat dan wel prachtig openbloeit wanneer Eeckhout reflecteert over het getal vier.
Ten tweede: je moet de auteur willen volgen in zijn overtuiging dat ‘zijn’ muziekgeschiedenis pas met Bach (en Rameau) aanvangt. In de overigens lezenswaardige, inleiding wordt hierover met geen woord gerept. De auteur was wel zo wijs om in zijn ondertitel te spreken van ‘een’ klassieke CD-collectie, de zijne dus, en, indien gewenst, de onze.
Ten derde: een boek over muziek zonder enig muziekvoorbeeld blijft een beetje een vogel zonder kop. Een boek over poëzie zonder gedichten, kan dat? Waarom schrikken auteurs ervoor terug om representatieve muziekvoorbeelden op te nemen? De lezer, zeker die van Eeckhout (hij stelt zich die immers voor als ‘geletterd’), heeft recht op degelijke informatie, vooral wanneer de auteur, zij het (iets te) zelden, op verantwoorde wijze de technische toer opgaat. Persoonlijk snak ik naar enkele notenbalken, wanneer hij over Chopins nocturne opus 27 nr. 2 schrijft (de eminente musicoloog Charles Rosen citerend) dat ‘een enkele melodische lijn tegelijk in verschillende ritmes in twee of meer stemmen werd weergegeven, zodat het gebruik van een Italiaanse belcantomelodie toch gepaard gaat met een rijke, onopvallende polyfonie’. Deze passus smeekt om een muziekvoorbeeld.
Conclusie. Dit boek is geen inleidende gids voor wie vanaf nul een CD-collectie wil opbouwen, wel voor wie, met al enige ervaring en op zijn minst enig inzicht in het verloop van de muziekgeschiedenis - vanaf Bach dan wel - zijn verzameling verder selectief wil uitbouwen. Eeckhouts tekst laat je heel diep onderdompelen in een (zijn) muzikale ervaring, die ongetwijfeld tot luisteren uitnodigt, soms - en dat is boeiend - uitdaagt. Zijn adjectievenescapades neem je er dan maar bij. De bijgevoegde CD bevat enkele ontdekkingen, zoals de Sicilienne van Meyerbeer. Het feit dat het om een exclusieve EMI-selectie gaat, lijkt slechts ingegeven door praktische overwegingen, het boek is geen reclamestunt voor één label, integendeel. Ik was ‘benieuwd en achterdochtig’. Wat heeft de lectuur opgeleverd? Ik blijf eindeloos geboeid, maar kritisch. Dit was ongetwijfeld ook de intentie van de auteur. Lezen dus.
Ignace Bossuyt
| bart eeckhout, Voorspel. Gids voor een klassieke CD-collectie, Atlas, Amsterdam, 1997, 271 p. |