Het stond op 3 oktober 1997 in het Amsterdams studentenblad Folia, en op 4 oktober had de Volkskrant de landelijke primeur: met ingang van het studiejaar 1998-1999 komt er een dag in de week een bijzonder hoogleraar Popmuziek aan de universiteit van Amsterdam, aan de vakgroep Communicatiewetenschap. Externe financier van de leerstoel is BUMA/STEMRA, de auteursrechtenorganisaties die de belangen van muziekauteurs en muziekuitgevers behartigen. Het bericht veroorzaakte grote commotie. Het VARA televisieprogramma B&W Café besteedde er onder leiding van Sonja Barend op 13 oktober een stormachtige uitzending aan, helaas in afwezigheid van alle instanties die organisatorisch en inhoudelijk te maken hebben met het popprofessoraat. De universiteit hulde zich in stilzwijgen, maar zowel journalisten als potentiële kandidaten voor de leerstoel kregen al snel door dat het hier niet om een nog vacante post ging. Er was iemand ‘gevraagd’ voor de functie, zonder overleg met alle betrokkenen. De financier van de leerstoel heeft geprobeerd die procedurefout (door een derde, zogenaamde bemiddelende instantie gemaakt) te herstellen door er bij de universiteit op aan te dringen dat er alsnog een vacature in de kranten zal verschijnen, vergezeld van een adequate profielschets en taakomschrijving. Dat was op het moment van dit schrijven nog niet gebeurd.
De discussie bij B&W Café gaf onomwonden aan dat er heel wat verwacht wordt van de popprofessor. Hij of zij zou een praktijkdeskundige moeten zijn en zelfs als contactpersoon tussen het popveld en de overheid moeten fungeren, nu Nederlandse popmuziek (veelal in de vorm van house en dance) zo'n belangrijk exportproduct is geworden. Tegelijkertijd vreesden popmuzikanten dat ‘de mensen die er niets van begrepen’ definitieve oordelen zouden gaan vellen over hun muziek. Zij trokken de lijn van de eenzijdige biografische aandacht voor ‘grote namen’ van de klassieke muziek door naar de popmuziekwereld, en maakten bijvoorbeeld heftig bezwaar tegen de sterstatus van Madonna, ‘omdat zij voornamelijk zakelijke talenten heeft’. Sommigen vonden de leerstoel ‘weggegooid geld’, omdat de muziekvak-opleidingen met financiële tekorten kampen en het geld daar direct aan muzikanten besteed zou kunnen worden. Daar werd weer tegenin
gebracht dat popmuziek zich bij uitstek niet binnen educatieve kaders heeft ontwikkeld en dat de nieuwe stijlen altijd ‘van de straat’ komen. Over de vraag of ze daar ook moeten blijven, was en bleef men verdeeld.
De Volkskrant rondde op 14 november 1997 de discussie voorlopig af met een paginagroot artikel als opening van het Kunst & Cultuurkatern, getiteld ‘James Brown valt niet te snappen’. De aanhef luidde: ‘Zoals het onderzoek naar alternatieve straffen voor geweldplegers een zaak van rechtswetenschappers is en de studie van de anemoon thuishoort in het vakgebied van de plantkundigen, zo is popmuziek voer voor musicologen - zou je zeggen.’ De krant noemde het gezien de stand van zaken in de internationale popmuziek wetenschap ‘niet verwonderlijk’ dat de eerste bijzondere leerstoel Popmuziek bij een sociologische vakgroep en niet bij muziekwetenschap zal worden ondergebracht.
Juist omdat de muziekwetenschap aanvankelijk niets met popmuziek te maken wilde hebben, vonden de popmuziekstudies in de jaren zeventig in binnen- en buitenland onderdak bij sociologische vakgroepen. Het accent lag daar van meet af aan op subculturenonderzoek, ten koste van de aandacht voor de muziek. Mede daardoor zette zich in universitaire kringen het idee vast, dat popmuziek het niet waard was als muziek bestudeerd te worden. Een generatiekloof binnen de musicologie (aan de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Utrecht wordt musicologie als hoofdvak gedoceerd, in Utrecht de westerse, in Amsterdam de niet-westerse muziektradities) was het gevolg. Deze situatie sleepte zich een kwart eeuw in stilte voort, om naar aanleiding van het nieuws over de ‘popprofessor’ in het centrum van de aandacht te komen.
De titel popprofessor suggereert ondanks alles dat het om een muziekdeskundige gaat. Precies daarom distantieerden enkele communicatiewetenschappers van naam zich openlijk van deze titel. Zij bestuderen niet de muziek, maar de media en de muziekindustrie. Ook zou volgens een van hen de titel popprofessor de vermeende ingebouwde frivoliteit van het woord ‘pop’ op een negatieve manier benadrukken. Er dreigde zich vanwege de externe financiering een disciplinestrfjd te gaan ontwikkelen rond de popprofessor. Daar zijn popmuziekstudies, die vanaf het begin interdisciplinair waren, natuurlijk niet mee gebaat.
De terughoudendheid van de universitaire wereld om de populaire cultuurvormen serieus te nemen als onderzoeksobjecten en als onder-wijsonderwerpen lijkt definitief voorbij. Juist nieuwe vakinhouden zoals de popmuziekstudies kunnen echter niet worden aangeboden door de vergrijsde bovenlaag, die er geen feeling mee heeft. Op dit machtsniveau zal de deskundigheid dus voorlopig wel van buiten (lees: bijzondere aanstellingen) gehaald moeten worden.
Integratie van popmuziekstudies in het totale pakket van ‘kunst- en cultuurwetenschappen’ (aan de Universiteit van Amsterdam spreekt men sinds kort over ‘geesteswetenschappen’) is het logische gevolg van de ontwikkeling in de wereld van kunst en cultuur. Dit is echter geen kwestie van lijdzaam uitgezeten tijd, maar van goed onderbouwde discussie en actieve inhoudelijke samenwerking van de popmuziekdeskundigen aan de universiteiten. Er bestaat in de Benelux sinds 1984 een netwerk van popmuziekonderzoekers, met rond de vijftig tot zestig leden (The International Association for the Study of Popular Music-IASPM). Dit is een los georganiseerde vereniging van mensen die op academisch, journalistiek of ander niveau ook bezig zijn met onderzoek naar én publiceren over popmuziekcultuur in brede zin. Ieder jaar houden zij een tweedaagse conferentie. Dit jaar gaat deze door op 15 en 16 mei e.k. aan de Universiteit van Utrecht met een internationaal sprekersveld en met als thema: ‘Black American Music in Europe: Past & Present’. Onderde sprekers bevindt zich o.a. Gust de Meijer, docent aan de K.U. Leuven en een kleine twintig jaar geleden de eerste in de Benelux die promoveerde op een popmuziekonderwerp.
Aan kandidaten voor toekomstige popprofessoren zal het voorlopig dus niet ontbreken.
Lutgard Mutsaers
Informatie over de conferentie:
http://home.wxs.nl/~ iaspm