terug  begin  verderprepost
[p. 303]

Publicaties

De vernieuwde ANS

Een opwindende gebeurtenis in november 1984 was de publicatie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, in de wandeling ANS genaamd. Het initiatief voor dit monumentale werk ging uit van de IVN (de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek): docenten in het Nederlands als vreemde taal hadden jarenlang met klem gewezen op de wenselijkheid van zo'n boek. Wat al veel eerder verwezenlijkt was voor het Duits, Engels en Frans was, dankzij de Nederlandse Taalunie, eindelijk voor het Nederlands tot stand gebracht. De redactie bestond uit Nederlanders en Vlamingen.

Een van de meest juichende besprekingen verscheen op 19 november 1984 in NRC Handelsblad; zij was van de hand van de taalkundige C. Hamans. Zo luidt zijn enthousiaste inzet: ‘Ik heb een nieuwe vriendin: Ans. Sinds zij een paar dagen geleden in mijn leven gekomen is, heb ik nergens anders meer tijd voor. Door haar omvang doe ik 's nachts geen oog meer dicht. Ze is zo nadrukkelijk aanwezig dat mijn vrouw over verwaarlozing begint te klagen.’ Er kwamen meer positieve reacties, maar ook, zeker na enige tijd, negatieve, zelfs zure. Sommige linguïsten vonden de ANS niet voldoen aan wetenschappelijke criteria: er lag geen consistente theorie aan ten grondslag; ook constateerden ze fouten en inconsequenties in het boek. En geïnteresseerde leken (journalisten, juristen, vertalers, ambtenaren, redacteuren enz.) vonden de ANS moeilijk toegankelijk. Zij weken uit naar nuttige taaladviesboeken zoals Renkema's Schrijfwijzer of Handboek Verzorgd Nederlands van Klein en Visscher. Het gelukkigst ermee waren de docenten Nederlands extra muros en hun studenten. Van de eerste druk vonden meer dan 30.000 exemplaren hun weg naar gebruikers binnen en buiten het taalgebied.

In november 1997 is een volledig herziene editie van de ANS verschenen. Deze is bijzonder smaakvol uitgevoerd in twee lijvige boekbanden. De totale omvang is zo'n tweeduizend pagina's, zeshonderd meer dan de eerste druk.

De ANS beoogt een zo volledig mogelijke en genuanceerde beschrijving te geven van alle grammaticale aspecten (woordvorming en zinsbouw) van het Nederlands dat vandaag de dag in mondelinge en schriftelijke communicatie gebruikt wordt. Aan de hand daarvan kan de gebruiker zich een oordeel vormen over de grammaricaliteit en aanvaardbaarheid van taaluitingen. De ANS is dus een praktisch hulpmiddel. Een ongrammaticale formulering is bijvoorbeeld: ‘Ik heb gisteren dat gelezen’ en onaanvaardbaar is: ‘Ik was m'n eigen’.

Het boek is niet primair bestemd voor specialisten, maar voor een breed publiek van geïnteresseerden die bij hun werk geregeld stuiten op kwesties die het taalgebruik betreffen en waarop het woordenboek geen antwoord geeft. Te denken valt aan anderstaligen die het Nederlands al goed beheersen, aan personen die als moedertaal een Nederlandstalig dialect spreken, of aan sprekers van de standaardtaal die hun schriftelijke en mondelinge taalgebruik willen toetsen aan de beschrijving in de ANS. De doelgroep is gevarieerd.

Anders dan in de eerste druk zijn er ook recente onderzoeksresultaten op grammaticaal gebied in verwerkt. Zo zijn op grond daarvan nieuwe hoofdstukken ingelast over ‘modaliteit’, ‘negatie’ en ‘aspectualiteit’.

Het hele werk omvat vier delen: ‘Het woord’, ‘De constituent’, ‘De zin’ en ‘Algemene verschijnselen’. ‘Het woord’ in al zijn aspecten (betekenis, het syntactische en morfologische aspect) wordt heel gedetailleerd behandeld in Band 1, de andere drie delen in Band 2. De term ‘constituent’ (‘een taalkundige eenheid die een bepaalde syntactische functie vervult binnen een groter geheel’) vervangt het begrip ‘woordgroep’. Dit uit de structuralistische taalkunde zo vertrouwde begrip komt zelfs niet meer voor in het register. De reden hiervoor is dat een constituent uit één woord kan bestaan, zoals Oma in ‘Oma zit naar een film te kijken’. Onder ‘Algemene verschijnselen’ vallen, behalve de drie genoemde nieuwe hoofdstukken, zaken als ‘nevenschikking’ en ‘samentrekking’.

[p. 304]

Het gebruik van de term ‘spraakkunst’ in de titel is opmerkelijk. Vrijwel iedereen, deskundige en leek, hanteert het synoniem ‘grammatica’: op school krijgen de kinderen grammaticales; veel talenstudenten vinden grammatica een lastig vakonderdeel; in de jaren zeventig en tachtig was Nederlandse grammatica van Van den Toorn een veelgebruikt boek voor taalleraren. Vroeger was dat anders: vanaf het eind van de 19de eeuw tot in de jaren vijftig is er een aantal grammatica's verschenen, onder meer van Den Hertog, Rijpma en Schuringa en van De Vooys met het woord ‘spraakkunst’ in de titel. Natuurlijk heeft de redactie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst niet om puristische redenen voor die term gekozen, noch om er het speels klinkende letterwoord ANS mee te kunnen vormen. Het woord ‘spraakkunst’ wordt geassocieerd met de traditionele grammatica, doorgaans schoolgrammatica genoemd. De redacteuren hebben met hun titelkeuze al aangegeven dat het boek qua terminologie vooral aansluit bij de aloude leer van de zinsdelen en de woordsoorten.

Een noodzakelijke voorwaarde om de ANS met vrucht te kunnen raadplegen is een behoorlijke mate van vertrouwdheid met die traditionele grammatica. Wie bijvoorbeeld het verschil niet kent tussen ‘soortnaam’ en ‘stofnaam’ (‘zo'n vis’ en ‘zulke vis’), geen idee heeft van het begrip ‘omschreven overtreffende trap’ (‘interessantst’ en/of ‘meest interessant’), nog nooit van ‘modaliteit’ heeft gehoord en zich niets kan voorstellen bij het contradictoire begrip ‘onvoltooid verleden toekomende tijd’, of van de woordvolgorde in de ‘werkwoordelijke eindgroep’ enz., voor hem of haar blijft de geactualiseerde ANS een gesloten boek. Neem de kwestie van de ‘groene’ of ‘rode’ volgorde, heel bekend bij lezers van Onze Taal en andere populair-wetenschappelijke tijdschriften en boeken over taal en stijl. Bij de ‘groene volgorde’ komt het hulpwerkwoord na het voltooid deelwoord (‘...dat zij gekomen is’), bij de ‘rode’ gebeurt het omgekeerde (‘...dat zij is gekomen’). Beide volgordes zijn in het Nederlands correct. Dat de ‘rode’ beter zou zijn, is volgens de ANS een wijdverbreid misverstand. Uitvoerige informatie over deze aangelegenheid komt de gebruiker op het spoor via het register; hij moet dan zoeken onder ‘volgorde werkwoordelijke eindgroep’. Die termen ‘groene’ en ‘rode’ volgorde, ontleend aan de dialectgeografie, zijn overigens niet vermeld in het register, evenmin als andere populariserende kwalificaties zoals ‘tante Doortje-stijl’ (‘Door haar wordt dat opgemerkt’) en de sinds een jaar of tien voorkomende Croma-constructie, genoemd naar de reclameleuze ‘Hou je van vlees, braad je in Croma’. De verkeerde inversie die berucht is onder de naam ‘tante Betje’ (‘Ik was zo-even in het café en hoopte ik jou daar te treffen’) krijgt wel enige aandacht.

De ANS beschrijft niet hét Nederlands, maar de morfologie en syntaxis van het Algemeen Nederlands, het AN, vroeger veelal ABN genoemd. Die B stond (staat) voor Beschaafd, maar wordt tegenwoordig ook wel opgevat als Bruikbaar om elke discriminerende gedachte te vermijden. Een modernere aanduiding is Standaardnederlands (in het register abusievelijk gespeld als Standaard-Nederlands). Omzichtig definieert de redactie dit begrip als volgt: ‘de taalvariëteit waarin geen elementen of structuren voorkomen die duidelijk opvallen als niet-algemeen.’ Dialecten, regiolecten, sociolecten, vaktalen, groepstalen enz. zijn slechts beperkt bruikbare variëteiten en zijn dus niet opgenomen. Principieel staat de redactie op het standpunt dat je taalfeiten moet beschrijven en niet moet voorschrijven. Wel labelt ze woorden en constructies en soms geeft ze positieve en negatieve gebruiksadviezen die overigens steeds gebaseerd zijn op onderzoeksgegevens. Af te raden zijn bijvoorbeeld de samentrekkingen ijs- en bruine beren en de Oost- en de Middellandse zee. Door die labels en adviezen krijgt deze descriptieve spraakkunst een normatieve meerwaarde, wat vele gebruikers op prijs zullen stellen.

Niet-algemene taalverschijnselen zijn ofwel ongrammaticaal: niet gevormd volgens de Nederlandse taalregels (‘Hun hebben dat gedaan’, ‘S traks moet 'm naar de dokter’), ofwel het zijn stijl- of streekgebonden varianten. Ongrammaticale structuren krijgen de aanduiding ‘uitgesloten’ en de stijl- en streekgebonden taalverschijnselen zijn gekenmerkt met de termen ‘informeel’, ‘formeel’, ‘regionaal’ of ‘informeel, regionaal’. Een voorbeeld van dit laatste: ‘Weet je niet wie of dat gezegd heeft?’ Informeel is het gebruik van of na het vragend voornaamwoord wie in een bijzin; bovendien komt deze constructie niet voor in het hele taal-

[p. 305]

gebied, maar enkel in een deel ervan, i.c. in Nederland. Vandaar het label ‘regionaal’, dat niet identiek is aan dialectisch. Nog enkele voorbeelden van stijl- en streekgebonden taalgebruik: ‘Mijn zoon alsmede zijn vriend’ (formeel), ‘Dit is een onderwerp waar we beter niet kunnen over spreken’ (regionaal), ‘Andijvie hou ik niet van’ (informeel).

Het waarderingslabel ‘twijfelachtig’ (bijvoorbeeld: ‘Ik weet dat hij veel heeft te doen’) buiten beschouwing gelaten, behoren volgens de redactie alle niet-gelabelde taaluitingen in de ANS tot de standaardtaal.

Met nadruk stelt de redactie dat het een misvatting is Standaardnederlands te identificeren met ‘goed Nederlands’. In een aparte paragraaf in de ‘Inleiding’ gaat ze hier heel genuanceerd op in. In verband met de kwalificatie ‘regionale’ taal wordt uitdrukkelijk gerefereerd aan de taalpolitieke controverse in Nederlandstalig België: moet het Nederlands in Vlaanderen aansluiting zoeken bij de norm in Nederland, of een eigen Belgisch-Nederlandse standaard ontwikkelen? De verdedigers van het eerste standpunt, onder wie mederedacteur G. Geerts, oud-hoog-leraar in Leuven, zullen de Belgisch-Nederlandse regionale varianten volstrekt anders beoordelen dan de aanhangers van het tweede. De ANS-redactie neemt in deze kwestie geen standpunt in; zij draagt alleen materiaal aan.

Strenge schoolmeesters zullen soms hun wenkbrauwen fronsen als ze de ANS raadplegen. Zo wordt ‘Parijsen haar boulevards’ afgekeurd, want aardrijkskundige namen die het-woorden zijn, krijgen in overeenstemming met dat genus een verwijzing door middel van het bezittelijk voornaamwoord zijn. Maar over formuleringen als ‘Het bestuur heeft haar besluit genomen’ en ‘De raad zal haar advies binnenkort publiceren’ wordt veel milder geoordeeld. Er staat letterlijk: ‘Deze manier van verwijzen (het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord haar in geschreven taal om te verwijzen naar verzamelnamen die het-woorden zijn of mannelijke de-woorden) wordt echter nog niet algemeen als correct beschouwd.’

Ook hoeft er volgens de ANS-redactie geen bezwaar gemaakt te worden tegen zinnen als ‘We zijn overtuigd dat ze zal slagen’ en ‘We zijn nieuwsgierig of ze wat gevangen hebben’. Zinnen van dit type zijn zonder respectievelijk de voornaamwoordelijke bijwoorden ervan en er...naar voor vele Nederlandstaligen stellig (nog) niet aanvaardbaar. Een laatste voorbeeld: de kwalificatie ‘twijfelachtig’ bij zogenoemde gekloofde zinnen als ‘Dat de politie hem inhaalde, was in Antwerpen’ zal vast en zeker bij vele Nederlandstaligen vraagtekens oproepen. Was een afwijzing niet meer op zijn plaats geweest?

Voor leken op linguïstisch gebied was en blijft de ANS ‘Ans-tolerans’. Zij zoeken nu eenmaal houvast, zeker als ze artikelen, zakenbrieven, rapporten en beleidsstukken schrijven. Toegegeven, de ANS is geen Schrijfwijzer en bovendien, dit principieel descriptieve boek kan gemakkelijk normatief gebruikt worden: je blijft, zoals al opgemerkt, binnen de normen van de standaardtaal als je alle gelabelde woorden en constructies vermijdt en bij controversiële kwesties (‘hen of hun’, ‘als of dan’, ‘aantal, een - mensen is of zijn enz. enz.) het gegeven advies volgt.

In de nieuwe editie is ruimschoots geprofiteerd van de ervaringen die met de ANS intra en extra muros zijn opgedaan en van recent onderzoek op grammaticaal gebied. De redactie, bestaande uit twee Vlamingen en drie Nederlanders, heeft zich voor deze uitgave laten adviseren door een redactieraad van meer dan veertig deskundigen: taalkundigen uit Nederland en Vlaanderen en specialisten die doceren aan buitenlandse universiteiten. Dat zij verschillende richtingen binnen de taalkunde vertegenwoordigen, is van aanzienlijk belang voor de autoriteit van de ANS.

De beschrijving van het Standaardnederlands is veel vollediger dan in de eerste druk. Nog belangrijker is dat de toegankelijkheid voor de gebruiker opmerkelijk is vergroot: het tekstmateriaal is duidelijker en aantrekkelijker geordend en gepresenteerd, de inhoudsopgaven zijn gedetailleerder weergegeven en - heel handig voor docent en student - na elk hoofdstuk komen er literatuurverwijzingen voor, maar vooral: het register dat zowel in Band 1 als in 2 is opgenomen, is uitgekiend en voorbeeldig. Het omvat maar liefst 74 bladzijden, een veertigtal pagina's meer dan in de eerste druk. Trefwoorden en concrete voorbeelden leiden de gebruiker snel naar de gewenste informatie. Toegankelijkheid is hét handelsmerk van deze grondig herziene editie.

De Algemene Nederlandse Spraakkunst is net als de driedelige Van Dale en het Woordenboek der Nederlandsche Taal een gezamenlijk Nederlands-Vlaamse creatie. Het is een perfect vorm-

[p. 306]

gegeven, inhoudelijk belangwekkend en rijk boek waar veel vernuft aan ten grondslag ligt. Een standaardwerk over het Standaardnederlands. Een digitale versie ervan verschijnt binnen afzienbare tijd.

 

Anton Claessens

Algemene Nederlandse Spraakkunst, onder red. van W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij en M.C. van den Toorn, 2de, geheel herz. dr. Martinus Nijhoff Uitgevers, Groningen, Wolters Plantyn, Deurne, 1997, 2 dln., ca. 2000 p.

prepostterug  begin  verder