Ons Erfdeel. Jaargang 41


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 41. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonkveer 1998


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Poëzie is een uitstap

Het verhaal klinkt als een uitgewoond cliché: in de jaren zeventig was Stefaan van den Bremt in Vlaanderen de onbetwiste koploper van maatschappijkritische poëzie; nadien ruilde hij dat directe sociale engagement gaandeweg in voor een soort universalisme. De lyriek van hier en nu deed een stapje opzij voor poëzie van altijd en overal. In zijn nieuwste bundel Een vlieg met gouden vleugels alludeert Van den Bremt zelf op die evolutie in de ‘verspringende’ versregels:

 
De wereld
 
is misschien maakbaar,
 
maar dan als gedicht
 
van woorden
 
en van stiltes.
 
Van onuitsprekelijke
 
ademnood.
[p. 441]

Van den Bremts poëzie is verschoven van een expliciet maatschappelijke naar een meer existentiële en poëticale betrokkenheid. Zijn poëzie werd beschouwelijker en daardoor ook minder direct communicatief. Terwijl Van den Bremt zich nadrukkelijker laafde aan de bron van de Grote Vragen, verkende hij in zijn gedichten voor hem nieuwe - dat wil hier eigenlijk zeggen ‘oude’ - vormen. Zijn poëzie exploreert de mogelijkheden van klassiek aandoende regelmaat, alsof de uitdijende thematiek zich als van binnenuit aangetrokken heeft gevoeld tot de taalkracht van aangesnoerde, strakke verzen. Wat ik gemakshalve ‘universalisme’ heb genoemd, valt ook in de nieuwe bundel weer op: Van den Bremt maakt uitgebreid gebruik van symbolische grootheden en tegenstellingen zoals zon, maan, water, vuur, aarde, hemel, dag en nacht. Het gevaar dat daarachter schuilgaat, laat zich raden: metaforiek die de last van eeuwen torst, ijlte en enigma ter verlichting. Ook bij Van den Bremt is de grens tussen allesomvattend spreken en niets-meer-zeggen meer dan eens flinterdun. Zo heb ik moeite met die passages waarin hij put uit het idioom van de gemeenplaats: ‘een teken van deze tijd’; ‘Na ons zal komen / vergetelheid.’; ‘in dit oneindig uitgedijde / nu waarin wij ik noch jij zijn’...

 

Hoeveel meer kracht zit er dan niet in een vers als

 
En op de tijd zit ruis
 
en die zijn wij.

De nieuwe bundel is eigenlijk een vervolg, of noem het een vervollediging van de vorige bundels Rover en reiziger (1992) en Verbeelde boedel (1995). Terwijl de bundel Verbeelde boedel een existentiële balans opmaakte van het ik, doet Een vlieg met gouden vleugels iets soortgelijks voor het eigen artistieke en poëticale gedachtegoed. Wat ook in deze bundel weer opduikt, is de dubbelzijdigheid van de ‘boedelbeschrijving’. Het ik vindt zichzelf in de beelden van ‘rover’ en ‘reiziger’ en maakt op zijn reis door het leven datgene tot een deel van zichzelf wat door geestverwanten is aangereikt. Wat hem al nabij was, is op die manier helemaal deel geworden van zijn dichterlijk ik. Misschien zit diezelfde tweevoudigheid wel in het beeld van de vlieg met haar gouden vleugels waarnaar de bundel is genoemd: een vlieg

illustratie

Stefaan van den Bremt (º1941).


als levenslang mythisch rover en reiziger tegelijk.

Het thema van de reis keert voortdurend in de bundel terug en heeft zelfs op de opbouw een duidelijke stempel gedrukt. Het kan immers geen toeval zijn dat de bundel uitloopt op het slotakkoord ‘kom ik thuis’, en dat hij aanvangt met het gedicht ‘Reis om mijn schrijftafel’. In dat openingsgedicht, overigens een van de beste gedichten uit Een vlieg met gouden vleugels, kijkt de dichter terug op de weg die hij in de poëzie heeft afgelegd en verwijst hij subtiel naar alle vroegere bundels. Het gedicht tekent meteen het landschap waarin de zoektocht van Van den Bremt zich afspeelt: in de imaginaire ruimte van de geest. Ook het geslaagde gedicht ‘De weg naar Saint-Cirq-Lapopie’, met verwijzingen naar André Breton, staat in het teken van het reizen als poëticale exploratie. Ik citeer de beginregels:

 
Poëzie is een uitstap
 
die de aankomst uitstelt.
 
 
 
Zij kiest de route die nog niet is aangelegd.
 
De bekende weg waarnaar gevraagd wordt
 
legt zij om: haar wegen zijn eenmalig.
 
Een oud vehikel maakt zij weer als nieuw.
 
 
 
Poëzie is een uitstap
 
die na de aankomst pas begint.
[p. 442]

Poëzie is geen plezierreisje, wel een weg om uit het gewone te stappen. Tijdens zijn tocht als dichter heeft Van den Bremt zeer verschillende regionen van de literatuur aangedaan, of misschien moeten we het wel anders formuleren: onderling erg verschillende bakens hebben zijn tocht, zijn dichterschap mede bepaald en precies aan dat gegeven geeft Een vlieg met gouden vleugels gestalte. De nieuwe bundel bestaat immers voor het grootste deel uit gedichten over kunst en poëzie. Eén afdeling verwijst naar plastisch werk van Solange Abbiati. In andere afdelingen treedt Van den Bremt in het voetspoor van tal van groten van het woord, zoals Kafka, Bachmann, Valéry, Apollinaire, Reverdy, Eluard, Neruda, Guillén, Vallejo. Die referenties worden uitgebreid van aantekeningen voorzien.

Wat bij deze hommages in het oog springt, is de grote verscheidenheid van auteurs en teksten waarnaar verwezen wordt. Van den Bremt komt in deze bundel nog maar eens te voorschijn als literair reiziger in ruimte én tijd. Het overgrote deel van de referenties wijst in de richting van twintigste-eeuwse teksten, maar de titel van de bundel gaat terug op een anoniem gedicht van indiaanse oorsprong. Het minste dat je daarom kunt zeggen is dat uit Een vlieg met gouden vleugels een indrukwekkende belezenheid spreekt, en een intense betrokkenheid bij de werelden van literatuur.

Tegelijk geeft de lectuur van deze bundel mij het gevoel dat we toch nooit zover van 's dichters huis zijn. Er zijn natuurlijk grote uiterlijke verschillen tussen bijvoorbeeld het ballade-achtige gedicht met verwijzing naar Bertolt Brecht of de klassieke sonnetten voor Rilke en Borges, of de litanie-achtige aanklacht ‘Amerika post factum’ (1492-1992), of het ‘liedje’ ‘Pont Neuf’ met allusies naar Aragon, maar toch gaat het voor mij om een eenheid in verscheidenheid. Van den Bremt brengt samen, maakt die van overal aanwaaiende bronnen onmiskenbaar tot zijn poëzie. De hommages hebben hun plaats gekregen in de samenhang van het geheel, en dat geheel heeft duidelijk meer van een galerij dan van een labyrint. Om het met de metafoor van de reis uit te drukken: de dichter verdwaalt nooit hartstochtelijk. Hij gaat op zoek naar essentie, herontdekt herinneringen en is daartoe uitgerust met zijn vertrouwde outillage. Hij haalt zijn voorgangers van het woord met ernst en beschouwelijkheid te voorschijn

Synthese komt ook naar voren in de opbouw van de bundel. Op de programmatische waarde van begin- en eindpunt hebben we hiervoor al gewezen. Bovendien valt op dat vier van de in totaal zes afdelingen uit exact acht gedichten bestaan en dat de overige twee afdelingen, met achtereenvolgens negen en zeven gedichten, niet veel afwijken van dat getal. Is Van den Bremts poëzie niet echt lyrisch-zangerig te noemen, qua compositie moet hij toch aan muziek hebben gedacht. Zo echoën de eerste en de laatste cyclus over en weer. De eerste heet ‘Suite’ en herbergt een aantal kosmisch geïnspireerde verzen. Ze steken elkaar naar de kroon in gedrongenheid, klankvolheid en langs classicisme scherend spel met metrum en rijm. Een verrassend getoonzet fragment uit het gedicht ‘Sterrenregen I’:

 
Een lentebloesem
 
van sterrendroesem!
 
Sterrenbezinksel
 
van 't firmament,
 
hemel vol pinkster-
 
vuur van een cent.

De slotcyclus van Een vlieg met gouden vleugels voert eveneens verwijzingen naar muziek in het vaandel. ‘Nachtmuziek over Ter Kameren’ is de titel en hij brengt zowel aan Octavio Paz en Jos de Haes, als aan Bertolt Brecht een eresaluut. Die eerlijke letterdieverij gaat in deze cyclus een verbond aan met het reismotief, meer bepaald met het terugkijken op de eigen levensgeschiedenis in het aanschijn van de vergetelheid:

 
De waarheid
 
een route over een zee van tijd.

Opmerkelijk is hoe deze meer belijdende cyclus nachtmuziek goeddeels gecomponeerd is met gebroken regels, met flarden van verzen en veel wit ertussen. Als dat ‘kamermuziekje van je ziel’, zoals Van den Bremt het noemt, is uitgezongen, stokt de tijd en stopt het zoeken naar essenties. Het ik lost dan op in de wereld daarbuiten. Dat eindpunt is de dichter in zijn poëzie alvast een stap voor, in de hoop dat iets van ‘zijn’ ruis het ‘Panta rhei’ mag trotseren:

 
Laat dit nu duren, deze ruis
 
die wil verijlen. Ik verander
[p. 443]
 
al in een omweg, een meander
 
van een rivier vol puin en gruis.
 
Waar zich de kronkels in elkander
 
zullen gaan storten kom ik thuis.

Stefaan Evenepoel

stefaan van den bremt, Een vlieg met gouden vleugels, Manteau, Antwerpen, 1997, 88 p.