Ons Erfdeel. Jaargang 43


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 43. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonkveer 2000


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 386]

Ida Gerhardt

Op een morgen
 
Vroeg opgestaan, wat ruimende in huis,
 
vind ik in het familiekabinet
 
achter de la die altijd heeft geklemd
 
het trouwportret sinds jaren zoekgeraakt.
 
 
 
Het raam is licht genoeg: ik wìl geen lamp.
 
Nog onverbleekt. - Tegen de achtergrond
 
van een geschilderd landschap staat het paar.
 
De donkerblonde man, wiens haar de slag
 
 
 
heeft overdwars waaraan men ons terstond
 
herkent; het smalle bruidje, in het wit
 
met het hoogtijgeschenk, het bruidsbouquet.
 
Gearmd met hem die haar verkoren heeft,
 
 
 
en thans met stille trots een toekomst biedt:
 
het dagelijks brood; kinderen, een gezin.
 
Wij, later, waarvan elk tot in de kern
 
op eigen wijze naar hen beiden aardt.
 
 
 
Ik berg het weg; ik denk onder het werk:
 
een mens is oud eer hij zijn ouders kent.
 
Ik kreeg dan toch alsnog van hen bericht.
 
Daar bij het venster in het morgenlicht

Uit: Verzamelde Gedichten, II, 1999.

[p. 387]
Kosmos
 
Het spel van lijn en kleur en van schakering
 
dat leeft in de natuur, het donker en het licht
 
- wetten van wisseling en wederkering -,
 
ik vind het terug in het voltooid gedicht.
 
 
 
De groeiwijs van de plant, het levend zich ontvouwen
 
van vorm na vorm, weer rustend in de regelmaat
 
die fijn vertakt door bloem en blad en stengel gaat,
 
is mij een teken dat het stil, geduldig bouwen
 
 
 
van woord aan woord gehoorzaamt aan eenzelfde streven.
 
- Wij luist'ren: hoorbaar, op ons ademen bewogen,
 
stuwende en gestadig is het eigen leven
 
 
 
verborgen arbeidend; totdat het diepst verlangen
 
tot rust wordt in het woord. Dan ligt voor onze ogen
 
de vorm, waarin het trillende is ingevangen.

Uit: Kosmos, 1940.

[p. 388]

Ida Gerhardt

Dertig eeuwen Voor mijn leerlingen
 
Toen Patroklos gelegd was op de baar,
 
werd hij door alle jongens uitgedragen.
 
Ik zag hen kinderlijk de dode schragen,
 
een haag van jonge eiken naast elkaar.
 
 
 
Maarts voorjaar joeg de wolken langs het goud.
 
Er donderde een phalanx straaljagers over,
 
toen op de brandstapel omfloerst met lover
 
zij hem legden en de vlam sloeg in het hout.
 
 
 
Myriaden jaren op de palm der hand. -
 
Ik dorst niet opzien naar wie was ter zijde,
 
lieflijk en stil, Briseïs aller tijden,
 
toen hij verbrand werd in dit lage land.

Uit: De Hovenier, 1961.

[p. 389]
Anamnesis
 
Teruggekomen eer hij werd verwacht,
 
over de bergen, uit het zuiderland
 
van akkerstroken en rimpelende Nijl:
 
de vogel met de rode poten, tureluur.
 
Ginds heeft, wanneer het oeverriet ontsteeg
 
het wielend roepen, in zijn ronde boot
 
van wilgenribben en huid de Nijlvisser
 
het kenterend getij gespeurd en weet gehad
 
en niet gehad, van kleuren van een land
 
dat hij nooit zag: een groene uiterwaard,
 
de planten op een blauw bazalten krib,
 
de regenwolken waar het licht door breekt.

Uit: De Slechtvalk, 1966.

Vergetelheid
 
Zo mij werd toegestaan een wens te wagen:
 
mochten de snoeren in mijn late dagen
 
mij vallen in het land der Lotophagen.
 
Alles vergeet die van de lotos eet:
 
zijn herkomst zelfs en hoe de liefste heet.
 
 
 
Voorgoed te toeven bij de Lotophagen,
 
zalig en van mijzelve zonder weet,
 
- alles vergeet die van de lotos eet -
 
om lachende mijn lasten af te staan.
 
Ik liep langs zee en zag de wolken gaan.

Uit: De zomen van het licht, 1983.

[p. 390]

Ida Gerhardt

Genesis
 
Oud worden is het eindelijk vermogen
 
ver af te zijn van plannen en getallen;
 
een eindelijke verheldering van ogen
 
voordat het donker van de nacht gaat vallen.
 
 
 
Het is een opengaan van vergezichten,
 
een bìjna van gehavendheid genezen;
 
een aan de rand der tijdeloosheid wezen.
 
Of in de avond gij de zee ziet lichten.
 
 
 
Het is, allengs, een onomstotelijk weten
 
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
 
wanneer men van u schrijven zal: ‘ontslapen’.
 
Wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Uit: Het Sterreschip, 1979.

Voor de balletmeester
 
Alles is pas aangevangen.
 
Ongemeten zijn de kansen:
 
Orpheus liet de stenen dansen.

Uit: De Adelaarsvarens, 1988.