|
|
|
| |
| | | |
Ida Gerhardt
Op een morgen
Vroeg opgestaan, wat ruimende in huis,
vind ik in het familiekabinet
achter de la die altijd heeft geklemd
het trouwportret sinds jaren zoekgeraakt.
Het raam is licht genoeg: ik wìl geen lamp.
Nog onverbleekt. - Tegen de achtergrond
van een geschilderd landschap staat het paar.
De donkerblonde man, wiens haar de slag
heeft overdwars waaraan men ons terstond
herkent; het smalle bruidje, in het wit
met het hoogtijgeschenk, het bruidsbouquet.
Gearmd met hem die haar verkoren heeft,
en thans met stille trots een toekomst biedt:
het dagelijks brood; kinderen, een gezin.
Wij, later, waarvan elk tot in de kern
op eigen wijze naar hen beiden aardt.
Ik berg het weg; ik denk onder het werk:
een mens is oud eer hij zijn ouders kent.
Ik kreeg dan toch alsnog van hen bericht.
Daar bij het venster in het morgenlicht
Uit: Verzamelde Gedichten, II, 1999.
| | | |
Kosmos
Het spel van lijn en kleur en van schakering
dat leeft in de natuur, het donker en het licht
- wetten van wisseling en wederkering -,
ik vind het terug in het voltooid gedicht.
De groeiwijs van de plant, het levend zich ontvouwen
van vorm na vorm, weer rustend in de regelmaat
die fijn vertakt door bloem en blad en stengel gaat,
is mij een teken dat het stil, geduldig bouwen
van woord aan woord gehoorzaamt aan eenzelfde streven.
- Wij luist'ren: hoorbaar, op ons ademen bewogen,
stuwende en gestadig is het eigen leven
verborgen arbeidend; totdat het diepst verlangen
tot rust wordt in het woord. Dan ligt voor onze ogen
de vorm, waarin het trillende is ingevangen.
Uit: Kosmos, 1940.
| |
| | | |
Ida Gerhardt
Dertig eeuwen
Voor mijn leerlingen
Toen Patroklos gelegd was op de baar,
werd hij door alle jongens uitgedragen.
Ik zag hen kinderlijk de dode schragen,
een haag van jonge eiken naast elkaar.
Maarts voorjaar joeg de wolken langs het goud.
Er donderde een phalanx straaljagers over,
toen op de brandstapel omfloerst met lover
zij hem legden en de vlam sloeg in het hout.
Myriaden jaren op de palm der hand. -
Ik dorst niet opzien naar wie was ter zijde,
lieflijk en stil, Briseïs aller tijden,
toen hij verbrand werd in dit lage land.
Uit: De Hovenier, 1961.
| | | |
Anamnesis
Teruggekomen eer hij werd verwacht,
over de bergen, uit het zuiderland
van akkerstroken en rimpelende Nijl:
de vogel met de rode poten, tureluur.
Ginds heeft, wanneer het oeverriet ontsteeg
het wielend roepen, in zijn ronde boot
van wilgenribben en huid de Nijlvisser
het kenterend getij gespeurd en weet gehad
en niet gehad, van kleuren van een land
dat hij nooit zag: een groene uiterwaard,
de planten op een blauw bazalten krib,
de regenwolken waar het licht door breekt.
Uit: De Slechtvalk, 1966.
Vergetelheid
Zo mij werd toegestaan een wens te wagen:
mochten de snoeren in mijn late dagen
mij vallen in het land der Lotophagen.
Alles vergeet die van de lotos eet:
zijn herkomst zelfs en hoe de liefste heet.
Voorgoed te toeven bij de Lotophagen,
zalig en van mijzelve zonder weet,
- alles vergeet die van de lotos eet -
om lachende mijn lasten af te staan.
Ik liep langs zee en zag de wolken gaan.
Uit: De zomen van het licht, 1983.
| |
| | | |
Ida Gerhardt
Genesis
Oud worden is het eindelijk vermogen
ver af te zijn van plannen en getallen;
een eindelijke verheldering van ogen
voordat het donker van de nacht gaat vallen.
Het is een opengaan van vergezichten,
een bìjna van gehavendheid genezen;
een aan de rand der tijdeloosheid wezen.
Of in de avond gij de zee ziet lichten.
Het is, allengs, een onomstotelijk weten
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
wanneer men van u schrijven zal: ‘ontslapen’.
Wanneer uw naam op aarde is vergeten.
Uit: Het Sterreschip, 1979.
Voor de balletmeester
Alles is pas aangevangen.
Ongemeten zijn de kansen:
Orpheus liet de stenen dansen.
Uit: De Adelaarsvarens, 1988.
|
|
|