Ons Erfdeel. Jaargang 48


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 48. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 2005


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 125]

Boeken

Een meester in welluidende stroefheid

Gerrit Krol is een schrijver die net zo goed voor één stem componeert als voor veertig stemmen. Eenstemmig schrijft hij al zo'n dertig jaar voor de krant: voor NRC Handelsblad, de VPRO-gids en de Volkskrant eerst; sinds tien jaar voor het Dagblad van het Noorden. Veel van die eenstemmige krantenstukken blijken achteraf, in boekvorm, deel uit te maken van een meerstemmige compositie; zoals die over zijn eigen literaire systeem in De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels (1981), die over kunst en wetenschap in Helmholtz' paradijs (1987) en die over zijn Groningse jeugd in De oudste jongen (1998). Literatuur, wetenschap, autobiografie: het zijn de drie belangrijke pijlers van dit oeuvre.

Andere columnbundels laten zich beter vergelijken met een cd vol korte solostukken. Zo ook de recente bundel Laatst met een vrouw, waarin de ene column gaat over het naderen van het voorjaar, de andere over stedenbouw, over foto's in een roman, een beroemd wiskundige, Friesland, schaken en ga maar door. Je zou zeggen: een allegaartje, maar noem dan ook de verzamelde klavecimbelsonates van Scarlatti een allegaartje. De schrijver wisselt van onderwerp zoals de componist van toonsoort. En zoals je van zo'n sonate hoort dat die van Scarlatti is, zo valt van elk van deze eenstemmige werkjes eenvoudig vast te stellen dat ze van Krol zijn.

Neem nu een column als ‘Wat zijn wij?’. Eerst het begin ervan: ‘Staande voor de balie in een hotel vul ik het formulier in. Altijd dezelfde gegevens. Alleen bij “profession/ beroep” aarzel ik. Wat zal het deze keer zijn? Vooruit, “schrijver”, al ben ik de laatste tijd meer “dichter”. Schrijven en dichten zijn elkaar uitsluitende bezigheden: wil je ze onder één hoedje vangen, noem je dan auteur. Vestdijk beweerde eens dat hij, als hij incheckte, onder “beroep” altijd “het hele rijtje” neerzette: auteur/ arts/ musicoloog/ astroloog.’

Het verhaal vervolgt dan met de vele andere mogelijkheden waaruit Krol had kunnen kiezen, stapt over op het soort benamingen dat een genie als Christiaan Huygens tot zijn beschikking had (op den duur geen, want wat hij deed was te nieuw), loopt langs de schommeling in waarde van vroegere beroepsaanduidingen (‘programmeur’: sterk gedevalueerd) en eindigt bij de balie op een Nigeriaans vliegveld, waar Krols vrouw een keer aankwam met een boeket bloemen van een dusdanige omvang dat het er niet meer uitzag als een volgens de importbepalingen verboden product, maar als een imposant accent op haar persoonlijkheid. Waarna de immigratiebeambte eigenhandig haar beroep invulde: ‘movie star’.

Dat dus: zo beknopt mogelijk; korte, heldere zinnen. Een persoonlijke anekdote. Laconieke observaties. Zinnige, en ook nog leerzame, uitweidingen (Krols belangstellingsgebied is breed). Zwieren over het veld van de literatuur en dat van de wetenschap. En vooral: een verrassende, vaak humoristische wending. Zo herken je een Krol.

Van hetzelfde materiaal maakt Krol zijn meerstemmige werk, met een gevarieerder, rijker en zeker ook duizelingwekkender resultaat. [De dbnl is niet gemachtigd een illustratie uit het origineel hier weer te geven.]

[p. 126]

In de nieuwe roman Rondo Veneziano vertelt hij over de hoofdpersonen, J.J. Pipper en diens jeugdige vriendin Vicky, dat zij een Venetiaanse kerk binnenlopen juist als daar het veertigstemmige Te Deum van Thomas Tallis gerepeteerd wordt. Een Renaissance-compositie; die vergt een Renaissance-oor: ‘De gewone luisteraar zal dan die veertig stemmen niet allemaal kunnen onderscheiden, maar de dirigent zal ze moeten kennen en kunnen zingen.’ Als kort, eenstemmig stukje zou deze scène het al goed doen, maar wie dit zo ongeveer halverwege een groter werk tegen komt, beseft mogelijk dat ook de roman zelf van een meerstemmigheid is waar de schrijver ongetwijfeld van begin tot eind zicht op houdt, maar waarvan het de lezer soms duizelt. Stemmen; dat wil niet alleen zeggen personages (daar alleen al zijn er zeker veertig van in deze roman), maar ook situaties, ideeën, verhaallijnen. Legio.

Die stemmen worden tot klinken gebracht op een twee weken durend Torricelli-colloquium in Padua en Venetië. De groep hooggekwalificeerde natuurwetenschappers, filosofen, schrijvers, historici die eerst met titels en dubbeltitels wordt voorgesteld, doet in zijn breedheid denken aan de sprekerslijst van een Nexus-conferentie of aan de gezamenlijke gesprekspartners van Wim Kayzer in zijn mega-tv-programma Een schitterend ongeluk. Het realistische en vaak komische verhaal in deze roman is dat van de communicatie tussen deze sterren van wetenschap onderling, die met hun partners en half-partners en ook weer die tussen deze satellieten van de wetenschap.

Pipper is in dit gezelschap een vreemde eend, want hij heeft, als enige van de sterren, geen academische titel. Het is een kwestie van een bizar groot belang, die leidt tot overwegingen over academische fraude, genialiteit en eeuwige roem. Zo wordt in de roman herhaaldelijk vastgesteld dat het vaak niet de ontdekker is geweest die met roem beladen wordt, maar hij of zij die een ontdekking met stijl onder de aandacht heeft weten te brengen. Waarheid, roem, geld, seks, ze worden nagejaagd en vallen soms verrassend samen, zoals wanneer Pipper op de verleidingen ingaat van een schatrijke Padovaanse.

Net zo makkelijk als levenden nemen er aan het colloquium ook doden deel, zoals de dichter en Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky, de wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis (die ooit voor zijn De mechanisering van het wereldbeeld de PC. Hooftprijs ontving) en Pythagoras, beroemd vanwege een stelling die van ver voor zijn tijd dateert. Misschien heeft ook Pipper wel kans op eeuwige roem, denk je als lezer, want hij krijgt de opdracht om van de notulen van dit congres een roman te maken. De nieuwe Pythagoras of de nieuwe Dijksterhuis worden, dat zou zowel Pipper als Krol wel willen. En dan maar in één moeite door de evenknie van Michel Houellebecq, die als ‘Dr. M. Welbeke, auteur, Lille’ ook op de deelnemerslijst staat en over wiens Elementaire deeltjes Krol zich al eerder tegelijkertijd lovend en kritisch heeft uitgelaten.

De fout van Houellebecq is volgens Krol en Pipper geweest dat hij een verkeerde analyse heeft gemaakt van de positie van de natuurwetenschappen in onze cultuur, waardoor ook zijn blik op de toekomst onjuist is. De vraag hoe lang de natuurwetenschappen nog dominant kunnen blijven in onze cultuur en door welk paradigma zij zullen worden verdreven is ook in Rondo Veneziano de centrale kwestie, waarin en waaromheen alle stemmen samenkomen en samenklinken. Krol uit een andere, somberder veronderstelling dan Houellebecq: de natuurwetenschappen kunnen, net als de Griekse cultuur, verdwijnen in het woestijnzand van chaos of islam. Dat klinkt op dit moment in de Europese geschiedenis zo pijnlijk realistisch, dat je mag hopen dat zijn Club van Venetië zich heeft laten verblinden door de problemen van de dag. En dus ook dat de zorgen die Krol zich kennelijk maakt, vertekend worden door het punt in de geschiedenis waarop wij ons bevinden. Maar als hij gelijk krijgt, is Pipper eerder de Dijksterhuis dan de Houellebecq van deze voorspelling. Dan heeft hij op een scharnierpunt in de geschiedenis gestaan, zoals het huis waar hij en Vicky in Venetië verbleven als douanepost tussen de middeleeuwse handelsstad en de wereld ooit een scharnierpunt is geweest.

Naast wetenschappelijke betogen, waarin dat van de genealogie van de natuurwetenschapper in de stijl van de geslachtstabellen in het Oude Testament een stilistisch hoogtepunt vormt, biedt de roman ook flarden sciencefiction. Dat het congres wordt gehouden in oktober 2004, is vanuit dat oogpunt een kleinigheid. Toen Krol zijn roman schreef, lag okto-

[p. 127]

ber 2004 nog in de toekomst. De lezer heeft die maand alweer achter zich. Maar het is wel een signaal van de beperkte rol die in deze roman aan tijd moet worden toegekend. Het door elkaar heen lopen van levenden en doden is ermee verantwoord, evenals het opmerkelijke einde waarin Pipper en Vicky op hun terugreis naar Nederland onderweg in Duitsland (waar elke plaats waar zij stoppen de geboorte- of woonplaats is van een wetenschappelijke beroemdheid) terechtkomen in de mathematische ruimte. Wat zij daar zien en ervaren, kan het beste worden aangeduid als de eeuwigheid, vanuit welk perspectief zelfs het onmogelijkste wetenschappelijke probleem kan worden opgelost.

Zo wendt Krol literatuur aan voor staaltjes van wetenschap, met een techniek die hij trouwens in vrijwel al zijn romans toepast: dat de gebeurtenissen aan het eind in een ongekend tempo verlopen en een onvoorstelbare vlucht nemen. Dat alle meerstemmigheid even oplost in een harmonie der sferen. Dat het je duizelt terwijl je tegelijk het gevoel houdt met beide benen op de grond te zijn gebleven. Virtuoos kortom.

Net zo min als in de bundelingen van zijn eenstemmige stukken zijn ook in deze roman de stemmen zo op elkaar afgestemd dat zij steeds even harmonisch klinken. Krol is romanschrijver bij gratie van zijsporen en onverwachte sprongen - voor ‘lekker lezende boeken’ moet men bij een ander soort schrijvers zijn (wat niet wil zeggen dat men niet lekker doorleest bij de vele Venetiaanse passages en de seksscènes). Liever noem ik Krol een meester in welluidende stroefheid; dat wil zeggen dat er passages zijn (vooral in sommige wetenschappelijke betogen) waar de lezer zich overheen beweegt als een schaatser over fondantijs of over ijs waar gras- en strohalmen tussendoor steken: goed voor zich uit kijkend om niet te vallen. Die aandacht wordt beloond, want daarna opent zich altijd weer dat ongelofelijk gladde ijs waar alle weerstand verdwenen lijkt en de lezer zich één voelt met een ruimtelijke eeuwigheid. Waar veertig stemmen klinken als één.

‘Kortebaankampioen’ heet het in de ondertitel van Laatst met een vrouw; dat mag van mij op Krol slaan. Dat een schaatser zowel het kortebaankampioenschap als de Elfstedentocht zou winnen, is vrijwel ondenkbaar. Met Laatst met een vrouw en Rondo Veneziano bewijst Krol dat dat in de literatuur wel kan.

Ad Zuiderent

gerrit krol, Laatst met een vrouw. Kortebaankampioen, Amsterdam, Querido, 2004, 224 p.
gerrit krol, Rondo Venezzano, Amsterdam, Querido, 2004, 260 p.