Ons Erfdeel. Jaargang 48


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 48. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 2005


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Wachtend op dat ene lied. Liedteksten van Jules de Corte

In 2005, vijftig jaar nadat het liedje voor het eerst door Jules de Corte werd opgenomen, is Paul de Leeuw vrijwel dagelijks op de radio te horen met een nieuwe versie van ‘Ik zou wel eens willen weten’. De Leeuw haalde er geen drumcomputers of samples bij, hij maakte er swingende maar best ook wel ouderwetse jazz van. Ik vermoed dat De Corte het zou hebben verdragen. Ik vind trouwens dat het liedje behoorlijk overeind blijft. Het bestaat uit een reeks simplistische, existentialistische vragen die gebracht worden met een aardige poëtische lichtvoetigheid.

 
Ik zou wel eens willen weten: waarom zijn de bergen zo hoog?
 
Misschien om de sneeuw te vergaren
 
En het dal voor de kou te bewaren.

Het kan vals jeugdsentiment zijn maar ik hou van dit beeld dat een teder soort mededogen uitdrukt.

In Vlaanderen is dit waarschijnlijk het enige liedje vSan Jules de Corte dat in brede kringen bekend is. In Nederland zal daar misschien nog ‘Koning Onbenul’ bij komen. Het liedje stond in 1971 twee weken in de Top 40. Maar veel verder zal de parate kennis van het repertoire van de man ook in zijn vaderland niet reiken. Logisch dus dat de bundeling van liedteksten van Jules de Corte in de Pluche-reeks Ik zou wel eens willen weten heet. Het boek telt bijna driehonderd pagina's teksten, waarbij ook de liefhebber van Nederlandstalige kleinkunst en cabaret van het grootste deel zich geen melodie meer kan herinneren of voorstellen. Maar dat was ook wel zo met de net zo dikke delen met teksten van Drs. P of Ivo de Wijs. Toch mis ik de melodie en vooral de stem en het pianospel meer bij dit boek dan bij de twee laatstgenoemde. Dat heeft alles te maken met de toon van de verzen en de toch soms verrassende manier waarop De Corte die zong of begeleidde. Een lied dat wat zwaar op de hand dreigt te worden, krijgt bijvoorbeeld een Schubertiaanse pianobegeleiding met de lichtheid van ‘Die Forelle’, een lied waar hij trouwens een eigen tekst op schreef. Bovendien wist Jules de Corte zichzelf tijdens de conférence als inleiding op een lied zo magistraal te relativeren dat je veel van zijn hoogdravend taalgebruik plots een stuk lichter vond klinken. Alleen Hans Dorrestijn gaat nog ongenadiger om met zijn eigen repertoire.

Die hele context mis je dus als je alleen nog tekst overhoudt. Naar mijn gevoel zijn heel wat van die teksten daar niet goed tegen bestand. Samensteller Cees van der Pluijm heeft bovendien de niet zo briljante gedachte gehad om de liederen in omgekeerde chronologische volgorde af te drukken. Dat betekent dat je tot helemaal achterin het boek moet wachten voor je aan ‘Ik zou wel eens willen weten’ toekomt. Mijn geduld was toen al te zeer op de proef gesteld.

 
De barre beelden uit de arme-mensenlanden
 
Die je geregeld krijgt te zien op de TV
[p. 752]
 
Doen je in woede dan wel medelij ontbranden
 
Of je raakt afgestompt en blind voor zoveel wee;
 
Je loost een zucht of maakt een machteloos gebaar
 
Wie zal in godsnaam die ellende kunnen keren?

Als je deze regels niet gezongen hoort, dan rest alleen een reeks moeizaam in het metrum gewrongen woorden die een klare boodschap op zo'n expliciete manier uitdrukken dat de zin mij ontgaat om die dan per se min of meer op rijm in een liedje te proppen. Het is een zeurderig pamflet met de kracht van te late kroegpraat. Zo word je voortdurend om de oren geslagen met bijna pamfiettair, saai taalgebruik en zinnen die volgestouwd zijn met woorden als worsten met gehakt. Op zijn best valt er nog wel een aardig aforisme te rapen.

 
Als het gaat overabortus, is opeens het leven heilig
 
Maar zodra het is geboren, houdt dat op.

Jules de Corte ontvluchtte op zijn eenentwintigste het blindeninstituut in Grave, dat hij door het regime van de streng-katholieke nonnen ervoer als een jeugdgevangenis. Een half jaar later trok hij naar Delft om er met muziek de kost te verdienen. Dat lukte ook want heel snel kreeg hij een vaste baan bij de KRO-radio. Hij zou tot aan zijn zestigste om den brode liedjes maken en uitvoeren. Bijna elke week moest hij minstens één nieuw liedje klaar hebben, al of niet inspelend op de actualiteit. Ik ken dat werk, ik heb zelf twee jaar lang elke week een liedtekst geleverd voor een radioprogramma. Ik ben nooit ook maar in de buurt gekomen van ‘Ik zou wel eens willen weten’, maar ik weet wel dat je onmogelijk elke week spits, spitant of zelfs maar melodieus kunt schrijven. Toch kweek je op de duur vakmanschap. Je weet wel hoe het werkt om een verhaaltje te maken, hoe je strak in het metrum blijft en hoe je humor in een liedje krijgt. Op erg zwakke momenten kwam zelfs het rijmwoordenboek boven. Natuurlijk zijn lang niet alle teksten in deze bloemlezing opgenomen. De Corte zou er bij benadering drieduizend hebben geschreven. Voor een bepaald programma moest hij zelfs instantliedjes maken met vijf woorden die het publiek hem toeriep. En toch lijkt ook wat in het boek staat soms nauwelijks het betere maakwerk. Dat doet de man geen recht. Zeker niet wanneer je als lezer eerst door het recentste werk heen moet, teksten van een ouder wordende, soms wat bittere, gefrustreerde zeurkous. Helemaal ongenietbaar wordt De Corte wanneer hij zijn liedjes ook nog eens van een moraallesje gaat voorzien. Daarmee doet hij niet veel beter dan de prekende pastoor die hij anders zo graag over de hekel haalde.

 
Waar glijden we in 's hemelsnaam naartoe
 
Als er zelfs geen vogel meer kan leven
 
In het land van de toekomst?

Zelfs één van zijn mooiste liedjes uit zijn latere periode ‘Jan, Piet en Klaas’, eindigt met een opgestoken vingertje:

 
Voorzichtig aan met ieder hart dat klopt
 
Wees af en toe een beetje moedinspreker
 
Of laat eens drinken uit je eigen beker
 
Alsof je dokter was en apotheker
 
Beseffend dat ook jouw hart eenmaal zeker stopt.

Het doet de man geen recht, want op zijn beste momenten is hij een meester in het zogenaamde light verse. Hij behoort daarmee tot het kransje van specialisten als Daan Zonderland, John O'Mill, Kees Stip en natuurlijk Annie M.G. Schmidt.

 
Wanneer zou toch het wiel zijn uitgevonden?
 
Gebeurde dat spontaan of indirect
 
Of mag men zeggen op terechte gronden
 
Dat het gewoon al doende is ontdekt
 
Omdat men zag hoe stenen kunnen rollen
 
En iemand dacht: ‘Daar moeten we wat mee’?

Met zijn kinderliedjes zit hij helemaal op één lijn met Annie Schmidt:

 
In Binnenste Buiten woont ergens een man
 
Zo rap en zo knap dat hij toveren kan
 
Maar niet met een stokje en niet met een spreuk
 
Op die manier toveren vindt hij niet leuk
 
Hij doet het gewoon op zijn dooie gemak
 
Met zijn handen in zijn zak

De opvoeders uit Grave hebben Jules de Corte vroeg verdreven uit de kerk maar zijn hele repertoire ademt een diepe religiositeit. Hij maakt zeer dikwijls gebruik van de traditionele christelijke thema's, symbolen en verhalen. Hij schreef tientallen alternatieve kerstliederen en maakte zelfs een volledige liedcyclus

[p. 753]

volgens de katholieke kalender. Ware het niet dat de actuele Nederlandse politiek zich de woorden ‘waarden en normen’ heeft toegeëigend, je zou De Corte een hoeder van die traditionele waarden en normen kunnen noemen. Hij is niet star conservatief, bijlange niet zelfs. Zijn liedje ‘Romeo en Julio’ bijvoorbeeld, over homoseksualiteit, kwam op de verboden lijst van bepaalde omroepen. Maar die dingen waar hij echt om geeft: liefde, vriendschap, mededogen met de beproefden, vindt hij terug in dat christelijke verhaal. Ook het geloof in een hemel waar het beter is dan hier maar die je ook op aarde moet verdienen, is een constante in zijn werk.

Het thema waar hij misschien wel het meeste over zingt, is de vrede. Weet je nog wel:

 
Ik zou wel eens willen weten: waarom zijn de mensen zo moe?
 
Misschien door hun jachten en jagen
 
En misschien door hun tienduizend vragen
 
En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe -
 
Daarom zijn de mensen zo moe.

Vrede staat bijna gelijk met de hemel of beter: met de tuin van Eden, vóór de erfzonde:

 
Geen Kaïn slaat er Abel dood
 
Er is slechts overvloed te delen.

In een ander lied droomt hij van ‘Een wereld zonder angst en pijn’. Dat de wereld nog ver van dat ideaalbeeld afstond, kon niet genoeg worden herhaald. Wie er blind voor bleef, was zelf schuldig:

 
Hoe kan de kerk nog blijven preken dat de wereld is verlost
 
Terwijl miljoenen levenslang het allernodigste ontberen?
 
Terwijl er elke dag soldaten op de slagvelden creperen
 
Omdat de rijken als de dood zijn dat de vrede centen kost
 
En de regeerders niet geloven in gezag zonder geweren.



illustratie

Jules de Corte (1924-1996) (links) met Peter Blanker, Marjan Klaren, Robert Smit en Conny Pieters - Foto Behrens' Fotopersbureau.


En af en toe ervaar je ook hier dat de goede cabaretier een chroniqueur van zijn tijd is. ‘De poort’ schreef Jules de Corte in 1968. Hij kijkt aan de hemelpoort welke logés er binnenkomen:

 
En in Vietnam tien kindertjes verbrand
 
Omdat het die dag Napalmzondag was.

Lees me niet verkeerd, ik zeg niet dat jules de Corte geen aflevering in de onvolprezen Pluche-reeks verdient. Hij schreef één onsterfelijk lied en minstens twintig die niet in de vergetelheid zouden mogen raken. Het ontroerende ‘Kleine Anita’ bijvoorbeeld, uit 1969, over een kind dat verongelukt is in het verkeer, is er alleen maar actueler op geworden. Het boek had iets dunner gekund en de omgekeerde chronologische volgorde is een miskleun van formaat. Maar bovenal hunker ik door dit boek naar een soort longbox met het vroege grammofoonplatenwerk op cd, mét tekstboek, fotoboek, biografie, enz. Dat zou de kleinkunstenaar-cabaretier Jules de Corte pas echt recht doen.

Wim Chielens

jules de corte, Ik zou wel eens willen weten, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2005, 352 p. (met cd)