|
|
|
| |
| | | |
Boeken
Aan de rand van de wereld. Compromisloze dubbelroman van Doeschka en Geerten Meijsing
Nee, zachtzinnig kun je dat niet noemen, de manier waarop ze met elkaar omgaan, toen niet en nu niet. In de jaren tussen toen en nu - een halve eeuw grofweg - is dat ook nauwelijks of niet veranderd. Van een met het klimmen der jaren toegenomen mildheid, van inzicht achteraf en dus van enig gevoel voor relativiteit - niets dat daarop wijst. Haar eerste indruk van hem, het jongere broertje, lijkt kakelvers, nog opgetekend tijdens de eerste verbijstering en schrik. Ze komt als meisje van bijna drie thuis van een logeerpartij en zou zich ‘zonder enige bedenking’ in de armen van haar ouders hebben gestort, ‘ware het niet dat een aanwezig monster in huis mij de doortocht tot hun armen belemmerde.’
Afwijzender kan een nieuw mensenkind niet begroet worden. En vriendelijker wordt de toon voorlopig ook niet. Dit is ‘het jaar van het monster’ en dat monster kan niet anders dan met geweld bestreden worden. Nog in de box - die van meet af aan een boksring is - steekt ze hem symbolisch de ogen uit, in werkelijkheid doet ze dat bij de pop Katrien die net zulke heldere prachtige blauwe ogen had als ‘het monster’. ‘Binnen een seconde was het gebeurd. (...) Ik had een begin gemaakt met het moorden.’
Ik heb het over twee romanpersonages die zijn geënt op reële figuren, de twee schrijvers van deze dubbelroman, Doeschka en Geerten Meijsing. Ze hebben het over zichzelf en elkaar, die twee, zonder omwegen, al gebruikt de een (Doeschka) een soort pseudoniemen, en al spreken de auteurs elkaar ook op het vlak van de biografische feiten wel eens tegen. Moord is de passende titel van Doeschka in deze dubbelroman, Moord & doodslag de niet minder passende van Geerten. Het boek dat ze nu samen hebben geschreven - of liever: dat ze apart hebben geschreven, op basis van vermoedelijk summiere afspraken, later zijn die twee boeken bijeengevoegd, zodat je ook van een parallelroman zou kunnen spreken - lijkt in opzet een poging tot verzoening, of toch op zijn minst een poging de kloof tussen beiden wat te verkleinen door elk een beschrijving te geven van hun gemeenschappelijke jeugd en de spaarzame gedeelde momenten daarna.
Om met de conclusie te beginnen: die poging mislukt faliekant. Maar die mislukking levert prachtige literatuur op. Het zo vaak lichtzinnig gebruikte adjectief ‘indringend’ is hier volledig op zijn plaats. Indringend, en pijnlijk en hartverscheurend van onmacht en vergeefsheid, dat is deze zoektocht van deze van elkaar vervreemde, verknipte en door het leven zwaar getekende broer en zus.
Soms, zoals in de zojuist gememoreerde oudste herinnering van Doeschka (o1947) aan haar broer (o1950), lijkt het alsof er vanaf hun eerste gezamenlijke ogenblik in het curieuze, intellectualistische, betrekkelijk welgestelde, door onderlinge desinteresse gekenmerkte gezin Meijsing sprake is van oorlog tussen die twee. Maar die oorlog ging pas een uitzichtloze fase in toen Doeschka ontdekte dat ook
[De dbnl is niet gemachtigd een illustratie uit het origineel hier weer te geven.]
| | | |
[De dbnl is niet gemachtigd een illustratie uit het origineel hier weer te geven.]
Geerten schrijver wilde worden. Overigens ontkent Geerten dat hij haar in dat opzicht is gevolgd, integendeel, ‘als er iets is wat mij niet op dat armoedige pad heeft gevoerd, is het het voorbeeld van mijn zuster. (...) Terwijl er een band tussen ons bleef bestaan op sentimenteel niveau, ook op afstand, zodat wij tweeën nog steeds de enige kinderen van ons gezin zijn die zich echt verwant met elkaar voelen, heeft juist onze gemeenschappelijke arbeid en interesse ons van elkaar vervreemd. Sterker nog, we zijn aartsvijanden op dat gebied. En omdat ieder voor zich in hoge mate zich met haar en zijn werk vereenzelvigt, zijn we eigenlijk aartsvijanden tout court geworden. Een zuster en broeder die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.’ En dat laatste mag, zoals gezien, letterlijk worden opgevat.
Zeker is dat broer en zus een geheel verschillende visie op het schrijverschap hebben, en die verschillen steken ze, met de daarbij horende literaire voorkeuren, niet onder stoelen of banken. Doeschka heeft al jong carrière gemaakt, had direct succes als schrijfster en als literair redacteur, naast Carel Peeters, van Vrij Nederland. Geerten verafschuwde dat succes, vond het goedkoop en gemakkelijk, een echte schrijver diende zich compromisloos van de wereld van nut en noodzaak, van fatsoen en sociale verantwoordelijkheden af te wenden.
Zelf schreef hij (aanvankelijk) dikke, ontoegankelijke boeken barstensvol cryptische gymnasiumachtige geleerdheid en in een gemaniëreerde stijl die bibliotheken ver verwijderd was van het zorgvuldige, compacte Nederlands van zijn zus. Met één blik in die boeken kan men zich ervan vergewissen dat hier iemand bezig was zich trots en eigenzinnig te verwijderen van de dagelijkse banaliteiten waar de Nederlandse literatuur, inclusief die van zijn zus, zich mee inliet. Het lag in de lijn dat deze hardboiled romanticus Nederland ook in fysieke zin de rug zou toekeren. Met Amsterdam, de stad van zijn zus, ‘die benauwde hoofdstad van het boosaardig dwergenland had hij geen band.’
Dus vertrok hij naar Toscane, waar hij - zeg ik nu, zelf rept hij er niet over - een paar van zijn beste, niet langer ontoegankelijke boeken schreef (Veranderlijk en wisselvallig (1988), Voor altijd de vrouw (1991)), en later naar Syracuse, in Europa de stad die het verst verwijderd is van het gehate Amsterdam. Maar de decadente dandy van weleer, zo blijkt, is inmiddels behoorlijk cynisch geworden, hij betreurt zijn onvoorwaardelijke keuze voor het schrijverschap maar blijft er niettemin aan vasthouden. Hij leidt daar ‘aan de rand van de wereld’ een eenzaam en armoedig bestaan, getekend door drank en depressies, en nog altijd geobsedeerd door jonge meisjes. Dat is allemaal niet nieuw, we kennen het uit zijn eerdere werk, de seks, liefst hard en liefdeloos, en bovenal de depressies, culminerend in diverse zelfmoordpogingen en een lange mars door de instituties van de psychiatrische hulpverlening. In dit boek doet Meijsing het allemaal nog eens dunnetjes over.
Het uitgangspunt voor alle herinneringen en beschouwingen vormt een bezoek van Doeschka aan Sicilië, waar ze een half jaar blijft om haar broer te ontmoeten en aan dit boek te werken. Drie weken woont ze in Geertens bescheiden onderkomen. Zíj kan in die omstandigheden schrijven, hij niet, hij kan geen meelezers, überhaupt geen mensen in zijn directe omgeving verdragen. Dus zijn er veel ergernissen, wederzijds. Maar opvallend is het verschil in beider beoordeling van de situatie. Het slot van Doeschka's boek is indrukwekkend van verzoeningsgezindheid. Zij meent zelfs dat zij ‘tweeën de enigen op de wereld waren die dezelfde taal spraken. We deelden onze ideeën niet, maar we spraken met één tong.’
| | | | Toch blijft het, alle euforie ten spijt, ook in haar ogen een haat-liefdeverhouding: ze houden van elkaar omdat ze elkaars literaire erfvijanden zijn.
Geertens boek is eerder op de vader gericht dan op zijn zus. Pas na zo'n honderd pagina's verschijnt zij prominent in beeld, en dan ook nog tot zijn ergernis. Hij wil zijn compromisloze houding ten opzichte van Nederland en de literatuur niet besmet zien door de aanwezigheid van zijn zus. Ook is hij bang dat ze overal de verkeerde, bevooroordeelde opmerkingen zal maken en vragen zal stellen, waarmee hij zich bij zijn Siciliaanse vrienden en kennissen blameert. Dat laatste blijkt - volgens Geerten - ook het geval. Hij ontdooit niet, blijft dwars en afstandelijk, ‘niet in staat,’ zegt hij zelf, zich ‘voor haar liefde open te stellen.’ In zijn zelfanalyse is hij meedogenloos.
De lezer ontkomt er niet aan beide boeken ook in kwalitatief opzicht met elkaar te vergelijken. Wie is de betere schrijver? In dit geval, vind ik, Doeschka. Haar stijl is, bij alle woede en teleurstelling, preciezer, scherper, beheerster, haar vormgeving zorgvuldiger en zonder de nauwelijks terzake doende uitweidingen waar Geerten in grossiert. Haar boek is honderd pagina's minder dik dan dat van Geerten, ongeveer het deel dat bij hem geschrapt had mogen worden. Zeker, ook zijn boek bevat hartverscheurende passages, maar vooral de lange alternerende hoofdstukken over de door hem minutieus geprotocolleerde zaak van een kindermoord in de Italiaanse Alpen, de zaak-Franzoni, komen onvoldoende tot leven en blijven te veel gescheiden van het hoofdverhaal, zoals hij ten slotte ook zelf inziet.
Die kritiek mag niemand ervan weerhouden dit boek te lezen. Het is literatuur op zijn best, van een gruwelijke schoonheid en een maar zelden getoonde, vaak ontluisterende maar ook bijna heroïsche eerlijkheid.
Cyrille Offermans
doeschka meijsing & geerten meijsing, Moorden doodslag, De Arbeiderspers, Amsterdam/ Antwerpen, 2005, 208 + 313 p.
|
|
|