[p. 158]

Onze leestafel

De tocht van Overste Van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden, 8 Februari tot 23 Juli 1904, door J.C.J. Kempees, 1ste Luit. der Art. en fungeerend Adjudant van den Colonne-Commt. Amsterdam, J.C. Dalmeijer, 1905.

Aan dit boek ontbreken twee dingen: eene inleiding, aantoonende de noodzakelijkheid van den tocht, om in de kustlanden van Noord-Sumatra blijvende rust te verkrijgen, - en een kaartje, waarop de lezer den geheelen tocht zou kunnen volgen. Maar overigens, - welk een voortreffelijk werk heeft de heer Kempees geleverd!

Daar zijn velerlei schrijvers geweest, die, daden van onze Indische krijgsmacht verhalende, van elke gelegenheid gebruik maakten om de verdiensten dier krijgsmacht te roemen; die zich niet konden voorstellen dat er, in staatkundigen of militairen zin, ooit een fout werd begaan, en zelfs, waar zij de fout niet konden loochenen, zich-zelven en hunne lezers wijs maakten dat die ten slotte eene zeer verstandige daad was. En dat waren waarlijk niet de minsten; Weitzel kan, in zijn Oorlog op Java, geen kwaad hooren van generaal de Kock; Perelaer, in zijne Bonische Expeditiën, evenmin van generaal van Swieten....

De heer Kempees heeft een anderen weg gevolgd. Hij verhaalt, duidelijk en kalm, wat er gebeurd is, - en laat de gevolgtrekkingen, die hieruit ten aanzien van het beleid van den aanvoerder en de plichtsbetrachting der troepen te maken zijn, eenvoudig aan den lezer over.

Die gevolgtrekkingen zullen zeker niet ongunstig zijn! Een tocht van bijna zes maanden duur, door een grootendeels onbekend land tot een goed einde te brengen; met eene kleine troepenmacht - het hoogste aantal soldaten waarover Van Daalen te beschikken had is, in het laatst van Juni, 467 geweest - zware gevechten te leveren en altijd overwinnaar te blijven, dat bewijst beter dan iets anders, dat de leiding in goede handen was. En wat de houding der troepen betreft, - als wij in de beschrijving

[p. 159]

der bestorming van Tampèng (bl. 124) lezen hoe de marechaussees (Amboneezen en inlanders) tegen 's vijands versperringen opklauterden met deze ‘aanmoediging’: ‘vooruit, naar boven, als we hier het leven afbrengen mogen we van geluk spreken’; als wij op bl. 225 vernemen: ‘het is niet voorgekomen, dat één man op den dag van het gevecht zich ziek meldde....’ ‘telken male dat uitgerukt werd kwam van de brigades, die voor de bewaking van het bivak moesten achterblijven, het verzoek ditmaal te mogen meegaan’, - dan zeggen wij gaarne: met zulke kranige lui is het te begrijpen dat voor een man als Van Daalen niets onmogelijk bleek!

Van de beschuldigingen, verleden jaar geuit, als zou bij Van Daalen's tocht niet de noodige menschelijkheid zijn betracht, blijft na de thans gegeven toelichtingen niets over; de voorbarig oordeelenden moeten nu, dunkt ons, wel leed gevoelen over hunne ongegronde critiek.

 

En wanneer wij op verschillende bladzijden van het werk van den heer Kempees lezen hoe in de Atjehsche en Bataksche binnenlanden de menschen, bij gebrek aan centraal gezag, elkander bestrijden en de handelswegen onveilig maken; hoe, bij de Bataks, slavernij en kannibalisme heerschen; hoe de Pakpakbevolking verkeert in een staat van diep verval; hoe daarentegen in de reeds onderworpen Batakstreken de toestand gunstig mag heeten, dan zeggen wij: de uitbreiding van ons gezag over de binnenlanden van Noord-Sumatra is eene noodzakelijkheid voor ons, om de rust en de veiligheid in de kustlanden te verzekeren; maar zij zal ook een weldaad zijn voor de inlandsche bevolking, die daardoor in alle opzichten in beteren toestand komt. Voor zoodanig ‘imperialisme’ - het modewoord, waarmede sommigen tegenwoordig maatregelen trachten tegen te houden die getuigen van plichtbesef, zoo tegenover ons-zelven als tegenover de inlandsche bevolkingen van onzen Archipel - hebben wij ons waarlijk niet te schamen. Integendeel, wij mogen dat veeleer doen wanneer wij lamlendigheid prijzen boven doortastendheid; wanneer wij, de kracht bezittende om aan ellendige toestanden een einde te maken, die kracht ongebruikt laten en noodeloos die toestanden laten voortduren.

Het boek van den heer Kempees stelt opnieuw in het licht dat met betrekkelijk geringe middelen veel kan worden gedaan, wanneer vaste wil en zelfvertrouwen niet ontbreken.

E.B.K.

[p. 160]
L. Penning. Ons oude Nederland. Rotterdam, D.A. Daamen, 1905.

Het reeds vroeger met een enkel woord aangekondigde volksboek over onze geschiedenis is met bekwamen spoed in 18 afleveringen voltooid. Nu het geheel voor ons ligt, is het geoorloofd het te beoordeelen. Dat oordeel kan vrij gunstig luiden, mits men - wat billijk schijnt - geen eischen van wetenschappelijken aard aan dit werk stelle. Het geeft over het algemeen een behoorlijk leesbaar en vrij volledig overzicht van den loop onzer geschiedenis. Ongelijk in de behandeling is het wel: de schrijver, die voortdurend in enthousiaste stemming schijnt te verkeeren, geeft dikwijls wat veel ruimte aan interessante beschrijvingen als die van de niet minder dan 15 bladzijden beslaande Lombok-expeditie, terwijl hij aan belangrijke verschijnselen als het socialisme niet meer dan een enkele bladzijde wijdt. Zonder in al te grove partijdigheid te vervallen, verwijlt hij blijkbaar met welgevallen bij de handelingen der ‘geloovige Christenen’, wier optreden tegenover het socialisme zeer wordt geprezen. Als volksboek is het ruim eenzijdig genoeg, als boek voor de jeugd in wat vermoeiend gezwollen stijl geschreven en de platen zijn niet van het beste gehalte - maar, als men niet al te streng wil oordeelen, kan het geheel er mee door.

P.J.B.

M.A. Perk. In de Belgische Ardennen. Schetsen, toegewijd aan de nagedachtenis van Jacques Perk. Vierde, geheel herziene en vermeerderde druk. Haarlem. Tjeenk Willink en Zoon, 1905.

Het bekende reisboek, dat reeds zoovelen den weg wees naar Maas, Ourthe, Amblève, Warche, Lesse en Semois, werd door den schrijver op de hoogte der veranderde omstandigheden gehouden. De heerlijke en gemakkelijk bereikbare Ardennen trekken hoe langer hoe meer Hollanders. Tot aan de Fransche grens en aan den Duitschen kant tot Malmédy en Montjoie aan de Roer, ja tot ver in den Eifel hoort men in de hôtels in allerlei tongvallen onze Hollandsche taal, die bijna overal zonder veel moeite door den inboorling verstaan, zelfs gesproken wordt, dank zij ook het langzaam veldwinnen van het Vlaamsch in de Waalsche streken. Wie onder leiding van dezen voortreffelijken gids langs wegen en paden wandelt, zal zich intusschen wel eens verbazen, dat zoo weinigen zijn voorbeeld volgen en met den wandelstaf in de hand rustig over de liefelijke bergen en door de dalen trekken: de vlugge fietsen en de

[p. 161]

stofopjagende auto's hebben het natuurlijke vervoermiddel van den mensch in beteekenis doen verliezen - maar niet dan ten koste van veel genot en gezonde beweging. Wie nog beenen heeft om te loopen, hij loope, vooral in deze streken, waar zijpaden en bergwegen den pijlsnel voortjagenden fietser en den spookachtig over de breede chausseés voortrazenden automobilist gelukkig nog onoverkomelijke moeilijkheden opleveren.

P.J.B.

Herman Heyermans Jr. Tooneel-studies. Eerste Bundel. Bussum. C.A.J. van Dishoeck, 1904.

Goed werk, in zijn soort, deze drie tooneel-studies: gedramatiseerde ‘Falklandjes’: het eerste meer ‘moppig’, in het genre klucht, die kibbelende buren van één-hoog-voor met den contubernaal en den beneden- en den boven-buurman; het tweede: uit de circus-wereld, klein drama van 'n versleten clown met mooie, jonge vrouw; het derde: ‘sociaal’, episode in een timmermans-werkplaats, waar zestien werklui tegen zestien andere loten wie uitvallen zullen als ‘de machien’ komt; de werkgever hier geteekend als door de concurrentie gedreven tot hardvochtigheid... Wat erg tooneelmatig opgezet, dit laatste geschiedenisje, waar de patroon op staanden voet in het schafthalfuurtje de aanwijzing der slachtoffers wil vastgesteld zien door loting! Maar dat moest nu eenmaal ter wille der dramatiseering en van het dramatische!

H.S.

Anna Polak. Leekegedachten over Volksbelangen. Haarlem. De Erven F. Bohn, 1904.

Te lang reeds bleef deze bundel opstellen in ‘onze leestafel’ onbesproken. Maar Anna Polak's verhandelingen over vraagstukken van den dag behooren niet tot die soort van lectuur, welke heden verschijnend, morgen weer vergeten zou zijn als zij niet met een welwillend woordje werd aangekondigd; zoodanig welwillend woordje hebben deze artikelen waarlijk niet noodig; zij bezitten blijvende waarde en bevelen zichzelf aan; redenen, die ons het uitstel der bespreking licht doen tellen.

Over ‘populariseering van wetenschap’, ‘de zorg voor het jonge kind’, ‘wettelijke regeling van vrouwenarbeid’, ‘verbruikersbonden’, ‘kiesbevoegdheid’ en de ‘gevolgen van algemeen kiesrecht’ had Anna Polak in verschillende periodieken beschouwingen geleverd; in gewijzigden vorm zijn deze artikelen hier tot een bundel vereenigd.

[p. 162]

In welke richting zich haar ‘leekegedachten’ over deze onderwerpen bewegen? De aanhef van haar Voorwoord zegt het ondubbelzinnig: ‘Toeneming van onbesuisd vooruitstrevende denkbeelden in nagenoeg alle kringen onzer maatschappij; verdemocratiseering onzer vertegenwoordigende lichamen, gedeeltelijk ook van onze kunst; verwarring omtrent recht en onrecht; verslapping van het begrip plicht; verzwakking van de idee vaderland; minachting voor al hetgeen als traditie wordt beschouwd; uitbreiding der op zichzelf wenschelijke sociale wetgeving zonder dat de financieele draagkracht der bevolking tot basis wordt genomen; één en ander veroorzaakt door een overmaat van idealistisch voelen, door geen voldoende historische en economische ontwikkeling eenerzijds, door geen voldoende kennis van de desillusioneerende praktijk des levens anderzijds, in evenwicht gehouden: - deze en nog vele andere bedenkelijke symptomen vervullen menigeen met zorg voor de toekomst’.

Men ziet: wanneer Anna Polak van haar geestverwanten spreekt, dan kan zij tot deze in algemeenen zin onze redactie rekenen; zijn het niet deze zelfde ‘bedenkelijke symptomen’, waarop telkens weer waarschuwend in Onze Eeuw wordt gewezen? En het is dus wel onnoodig te zeggen hoezeer wij instemmen met de algemeene strekking harer beschouwingen. Maar wat wij wel willen releveeren, dat is - niet het verschil, hetwelk ten aanzien van sommige der door Anna Polak behandelde aangelegenheden tusschen haar opvattingen en conclusies en de onze bestaat, - doch: de voortreffelijke eigenschappen, waarvan deze opstellen getuigenis geven.

Anna Polak heeft den moed in te gaan tegen den modegeest van onze dagen; het vaag-socialerig dweepen; het geliefhebber in arbeidstoestanden; die verteedering des harten, welke uit louter teederheid van geen kritiek of waarschuwing wil hooren; - zij ziet ‘op welk een gevaarlijke helling wij ons bevinden’ en zij acht het haar ‘onafwijsbaren plicht’ haar stem te verheffen. Zij doet dat op overtuigende wijze, steeds den indruk wekkend dat zij over de zaak ernstig heeft nagedacht, haar van verschillende zijden heeft bezien, het vóór en tegen overwogen, van anderer beschouwingen en argumenten kennis genomen. Wat bij de kennisneming van haar overwegingen den lezer vooral sterk treft - en weldadig aandoet -, dat is, naar de Génestet's woord: ‘het koele hoofd bij 't warm gevoelend harte’, haar nuchter gezond-verstand èn haar deernis met de ongelukkigen. Aan deernis nu mangelt het velen niet, maar het nuchter gezond-verstand bij de beoordeeling

[p. 163]

van zoovele aangewezen wondermiddelen is een te schaarsch artikel, dan dat niet reeds daarom alleen deze ‘leekegedachten’ der kennisneming en der ernstige overweging ten volle waard zouden zijn.

H.S.

Annie M. Toe Laer. Preluden. Weesp, A.J. Goethals, 1905.

‘Dichters, vorsten, voorsten in den lande, Godsbegenadigden, ziet ge niet wat daar rookt en smeult, wat daar kookt en ziedt; merkt ge niet hoe heel 't menschbeweeg staat te wankelen, hoe alles vlamt in lichte laaie, verkoolt, verteert... (bl. 5). Dichters, merkt ge 't dan niet, houdt ge u blind, weet ge niet wat rondom woelt, wat gist, wat brandt, wat borrelend kookt in maatschappelijk ingewand en vleugelend klept boven de afgebakende perken van zône en pand?’ (bl. 6).

Hoe gelukkig prijst zich een prozamensch, dit lezende, dat hij geen dichter is, en zich dus van dit verdwaasd gevraag niets behoeft aan te trekken. Noch iets van deze brave opwekkingen of verzuchtingen: ‘Dichters, bezielt u zelf... Dichters aarzelt niet. Ge kunt... ge kunt! O, dat ik dichter waar'... Maar helaas, ik ben te niet.’ (bl. 7/8).

Met recht nu: helaas! Tenzij het pathetische: ‘ik ben te niet’, simpellijk een drukfout is voor de nuchter-juiste mededeeling: ‘ik ben het niet.’ Maar ook dan nog en terecht: helaas!

Waarom dan geschreven nu dit vaststaat?: ‘Die lieve muze heeft niet bij mij aangezeten; ik ben een vrouw, die dorst naar leven, naar liefde en lent'... ze moeten wel tegenvallen de schetsen, die hier volgen, de twijgjes afgevallen van 't geen ik onder handen nam, maar niet voleindde’ (bl. 8/9). De schrijfster antwoordt dat ze niet anders kon, want: ‘al wat in den bodem woekert, ook 't onwisse kruid ['t onwisse kruid? connais pas!] zoekt het licht, bot er uit.’ (bl. 9). Geen erge teleurstelling wekt daarop de dravolgende mededeeling: ‘De prelude is uit.

Thans komt de kille werkelijkheid.’ (bl. 10).

En dit laatste is maar al te waar. Want de zes schetsjes geven in photographisch-juiste woordkunst het leven te zien van menschen die ondergingen of ondergaan - en ja, dit is werkelijkheid, maar de kille werkelijkheid van den kouden grond. En 't is ook een werkelijkheid dat we tegenwoordig schrijfsters hebben die bij voorkeur zich verdiepen in de verwoestingen die de geslachtsdrift aanricht, maar dat een vrouw die zegt te dorsten ‘naar

[p. 164]

leven, naar liefde en lent'’ 't zoo gaarne heeft over die onreine passie, van ware liefde ‘'t surrogaat, helaas, de ware liefde overtreffend’ (sic!) (bl. 218) dat is meer dan kil, dat is de akelige, koude doodschheid der onwaarheid.

Want wie werkelijk dorst ‘naar leven, naar liefde en lent',’ die gaat wandelen in de bloemrijke dreven van natuur en waarheid, en zal met 't in zonlicht gedoopte woord weten te verbeelden de blijde of droeve schoonheid.

G.F.H.

Herm. Anders Krüger. Gottfried Kämpfer. Ein hernnhutischer Bubenroman. 3-5 Tausend. Hamburg, Alfred Janssen, 1904.

Het eenige wat ik heb tegen dezen door Ernst Liebermann mooi-verluchten en op 't oogenblik in Duitschland veelgelezen roman is dat hij werd geschreven in zwei Büchern. Want telkens kon het tempo van den ontwikkelingsgang van den hernhutterschen burgemeesterszoon wat vlugger zijn, en 't verschil tusschen 't geen Gottfried in de Untersecunda of Obersecunda doormaakt schijnt ons vaak niet zoo bijster groot. Toch is elk hoofdstuk met groote warmte geschreven en versierd met innig-geziene natuurschilderingen. Maar 't mooie van dit boekje is zijn eenvoudige waarheid. Wat zoo'n hernhutter jongen doormaakt voor hij zich gaat thuisvoelen in deze ietwat afgescheiden en toch zoo gevoelswarme sfeer is hier voortreffelijk geteekend: ‘den deutschen Jungen und ihren Schulmeistern’ - zoo luidt de opdracht - von einem, der beides war.’

Het hoort dus tot de soort paedagogische romans, die echter zijn grootste waarde ontleent aan de reëele karakters, met groote werkelijksheidszin geteekend. Knoestige karakters, die vaak tegen elkaar opbotsen en dan in deze innige gemeentekring, toch weer den vrede vinden; ook zachte, lijdzame gemoederen, zich niet bewust van den invloed, dien zij oefenen; en daarnaast dubbel-onhandige of verleugende zielen die niet met geweld, maar als door zichzelf worden uitgestooten uit dezen intiemen kring, men vindt ze hier in rijke verscheidenheid. Er woont een frissche geest onder die neepjesmutsen, en er huist groote eerlijkheid in deze menschen die of uit de ‘Andacht’ komen of er naar toegaan. En die jongensspelen zijn eenvoudig om van te watertanden.

Maar geen boek om te vertalen. Daarvoor is het te idealistisch, te lang, te duitsch. Wat in dezen innig-duitschen kring de zuivere werkelijkheid is, zou in 't hollandsch vertaald, wat opgemooid klinken, wat gemaakt idealisme. Dit boek te vertalen zou

[p. 165]

zijn het zetten in een anderen toon die pathetisch zou klinken. Dit is een van die boeken die men in 't oorspronkelijk moet lezen - of anders laten liggen.

G.F.H.

Vondel's Lyriek. Bloemlezing met een Voorwoord van Van Elring. L.J. Veen. Amsterdam.

Zoo ongelooflijk het schijne dat ons volk almeê de allerschoonste gewrochten zijner gouden eeuw altijd nog te weinig zou kennen, zoo ontwijfelbaar is het. Vondel's lyrische poëzie moest iederen Nederlander zijn een intieme vriend, welks ziel kreuk noch rimpel voor hem had, en ieder weet dat ze hem gewoonlijk niet meer is dan een uit de verte en op gezag bewonderde grootheid. Daarom moet elke poging toegejuichd worden dezen schat, waarop we officieel groot gaan, werkelijk te maken tot een nationaal gemeengoed.

En zoo zijn we dankbaar voor deze Bloemlezing, een kloek boekdeel van 346 blz., en verrijkt met het fraaie portret van Vondel naar Philips Koningh. Vermelden we verder dat de beeldspraak, in den tekst aan de Antieke ontleend, voldoende wordt opgehelderd, en de langere gedichten worden ingeleid met aanhalingen uitBrandt, Bakhuizen van den Brink, van Lennep, prof. Kalff, Lulofs, e.a. dan blijkt dat èn deze uitgave goed verzorgd is èn geen lezer meer behoeft te klagen dat hij Vondel niet kan verstaan.

Dat neemt niet weg dat de Vondel-vereerder zijn aanmerkingen zal hebben. Om niet in te gaan op de spellingkwestie, het excuus dat b.v. de Inwijdinghe van het Stadthuis is weggelaten omdat het boek anders te omvangrijk zou worden gaat niet op, daar er immers andere verzen dan juist dit pronkjuweel aan de beknoptheid hadden ten offer kunnen vallen.

Ook de ophelderingen zijn niet alle onmisbaar. Was het b.v. noodig op blz. 25 bij stoel aan te teekenen zitplaats?

En sommige correcties kunnen heelemaal niet door den beugel. Wie zal zich ergeren aan dit eerste couplet van 't Bruiloftlied van Krombalk en Tesselscha:

 
Gij waart, heer bruidegom! een pronkbeeld van ivoor,
 
Dat reuk' derft, smaak, gezicht, gevoelen en gehoor;
 
Waarin door goochelkunst de schim van 't leven zweeft,
 
Doch pols, noch aderslag, noch roering in zich heeft.

Maar nu merkt de heer van Elring op dat die laatste ‘zin zoo

[p. 166]

geen onderwerp heeft’. Een gek geval: Vondel die een zin neerschrijft zonder onderwerp! Stel dat men dit niet kan overstappen, waarom dan niet den derden regel voor tusschenzin verklaard, desnoods met een paar leesteekens, waarin de bewerker zich toch vrijheden veroorlooft? Maar neen, dan liever de laatste regel aldus veranderd, of moeten we zeggen verknoeid?:

 
Doch 't welk pols, aderslag, noch roering in zich heeft.

Schoolmeesteren maakt dikwijls belachelijk, een dichter echter beschoolmeesteren maakt altijd belachelijk.

G.F.H.

Cyriel Buysse. In de Natuur. Bandteekening van Herman Teirlinck. C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1905.

Voor zijn eigen roem zou de schrijver 't best gezorgd hebben, als hij alleen de beginschets In de Natuur, waaraan deze bundel zijn naam uitleent, gegeven had. Want dat is een juweeltje van fijn gevoelde vertelling. Hij wandelt in een ‘glanzenden Juniochtend, langs de zachte oevers van de kalme Leie’, en ziet en volgt dan een begrafenisstoet van een meisje uit het klooster, door vriendinnetjes grafwaarts gedragen, begeleid door twee nonnetjes en gevolgd door den vader. Hij gaat met den stoet mee de pont over de Leie op. Een oude boer met twee koeien en een hondje moeten ook mee, en terwijl de pont langzaam over de rivier glijdt, fluistert de vader onder 't bede-geprevel der kinderen tot den boer met bewonderend hoofdgeknik naar de koeien: ‘scheune biesten’. Dan volgt de begrafenisdienst in 't kerkje en op het kerkhof onder de jubelende zon - teer gezien en lief verteld, prachtig!

Maar ten genoege van de lezers komen daarna Vlaamsche dorpsschetsen, wel vlot verhaald, tragiek en humor zuiver gemengd, - doch zonder die charme van taal, waaraan b.v. Streuvels ons gewend heeft. De eerste schets was subjectief, een herinnering aan die wandeling langs de Leie, maar de volgende zijn objectief, weergave van 't Vlaamsche dorpsleven, en dan missen we die zoetklinkende woorden, waaraan de overige Vlaamsche schrijvers, ons te recht of ten onrechte - dat is niet aan een Noord-Nederlander om te beslissen - hebben gewend. Het worden dan dorpsschetsen in gewoon-Nederlandsch, met veel dialect, als de Vlamingen aan 't woord komen.

En blijft in de volgende reeks schetsjes Mijn Beestjes dit dialect

[p. 167]

bijna geheel en in de laatste Droomvizioenen totaal weg, dan wordt de lezer onzeker naar welke Natuur de schrijver hem eigenlijk brengt.

Al kan hij niet uitmaken welke methode eigenlijk juister is: van Streuvels, die niet alleen in dialect maar vooral in beschrijving om zich heen strooit met die zoetklinkende, en soms doezelende woorden, of van Buysse, die waar hij geen dialect geeft, gewoongoed-Hollandsch schrijft, ik denk, dat 't hem als mij gaat, die langs de Leie wandelende onwillekeurig de fluweelen en toch zoo teekenende woorden van Gezelle en Streuvels verwacht.

G.F.H.

De Vlaamsche Gids. Algemeen tweemaandelijksch tijdschrift onder redactie van Mr. H. de Hoon, Pol de Mont, Prof. Paul Fredericq, Dr. A. Ley, Dr. Max Rooses, Mr. Const. Stoffels, Prof. J. Vercoullie. 1e Jaarg. No. 1 en 2. Antwerpen. De Nederlandsche Boekhandel; Amsterdam, van Holkema en Warendorf.

Sinds het zien verschijnen van een nieuw tijdschrijft tot onze oude en alledaagsche genoegens ging behooren, is het voor onze belangstelling niet genoeg dat het tijdschrift nieuw is, maar eischt deze dat het apart zij. En dan voldoet aan dien eisch deze Vlaamsche Gids, juist door niet nieuw te zijn.

Want op 't hooren van 't woord Vlaamsch spitst zich de mond van den literairen fijnproever wetende dat hij nu niet zal verveeld worden met wetenschap, of politiek of moraal, maar zal verfrischt worden met het heldere, voor alles onontbeerlijke water van pure woordkunst, maar zuiver zal genieten van het zoetgevooisde Vlaamsch.

En dan zijn ontgoocheling hier! Het eerste nummer begint met Jordaens Calvinist van Max Rooses, een opstel, een goedgeschreven, en veel studie achter zich hebbend opstel over den schilder die in 't roomsche Antwerpen der 17e eeuw onbeschroomd Calvinist kon zijn, maar geen kritiek, geen dithyrambe, geen nieuwe levensleer - alleen een goed opstel! En het tweede begint met Thorbecke vóór 1830 door Paul Fredericq, een hoogst interessante, biographische studie van den vader der Nederlandsche Grondwet van 1848, mooi en geleerd, maar literair noch nieuw genoeg voor een tijdschrift dat Vlaamsch wil heeten. En als dan 't slot van 't eerste No. vertelt hoe 't ‘rechtvaardig bier’ wordt gemaakt, en Aug. Gitteé het tweede besluit met een statistisch overzicht van de Werkstakingen in België - geeft deze Gids zich dan niet bloot aan den spot van literaire Vlaminganten?

[p. 168]

Toch geloof ik dat naast de zuiver-literaire Vlaamsche tijdschriften deze Vlaamsche Gids recht van bestaan heeft en de belangstelling van Noord- en Zuid-Nederland verdient. Behalve de reeds aangehaalde artikelen geven deze nummers verzen, frisch als dit begin van Rafaël Verhulst: De Wegeltjes

 
Wie trok en wie leidde
 
En wie baande er zoo mooi,
 
Het pad door de heide
 
Langs delling en glooi?
 
Wie heeft het gewingerd
 
Door braam en door mos?
 
Wie heeft het geslingerd
 
Door het mastenbosch?

of als Edmond van Offel's: Eendjes:

 
Op waterblauwte koud lijk staal
 
de sneeuwwitte eendjes allemaal
 
 
 
ze roeien deftig achtereen
 
en duiklen onder een voor een,
 
 
 
en schuddestaarten, slaan op 't nat
 
hun vlerken dat het parels spat.

En verder politieke stukken als De Vigne's: Het Wetsvoorstel Coremans en goed verhalend proza van Maurits Sabbe en Herman Stijns.

Waarlijk de Vlaamsche Gids mag er zijn.

G.F.H.

 

Voorts zijn door de redactie ter aankondiging ontvangen de navolgende boekwerken:

 

F.A. Buis. Veteranen. Amsterdam. P.N. van Kampen en Zn.
Scandinavië - Nederland. Tijdschrift voor Nederlandsche en Scandinavische Taal, Letteren en Kultuur; onder hoofdredactie van Margaretha Meyboom le jaarg. no. 3. Amsterdam. W. Versluys.
Rudolph Stratz. Gemoedsrust. Naar het Duitsch door Lina Tervooren. D.J. Goethals. Weesp.
De Natuur. Populair Geillustr. maandblad. 25 jaarg. 6 afl. Utrecht. J.G. Broese 1905.
H. Pierson. Profeten en Wijzen. Tijdpreek over Spreuken 29:18. 's Gravenhage. W.A. Beschoor, 1905.
F.J. van Uildriks. Herleven. Haarlem. H.D. Tjeenk Willink en Zoon.
Studies in Volkskracht. Tweede Serie No. III ‘Geneeskundige Huwelijkswetgeving’ door Prof. Hector Treub; No. V. ‘Vergeet niet het huisgezin’ door Mr. J. van Drooge. Haarlem. De Erven F. Bohn, 1905.
Dr. B.W. Schultetus Aeneae. De Renaissance der Medische Wetenschappen met een terugblik op Hippocrates. 's Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1905.